Openbare terechtzitting van Vrijdag, 6 Mei 1938.
De zitting is geopend te elf uur.
De deurwaarder roept de volgende zaken uit:
DE HOOGE RAAD DER NEDERLANDEN,
in de zaak (No.7322) van:
[eischer] , componist, wonende te [woonplaats], eischer tot cassatie van het op 14 April 1937 door de Arrondissements-Rechtbank te Rotterdam tusschen partijen gewezen vonnis, vertegenwoordigd door Mr. F. J.de Jong, advocaat bij den Hoogen Raad;
tegen;
[verweerder] , wonende te [woonplaats], verweerder in cassatie, vertegenwoordigd door Mr. F.M. Westerouen van Meeteren, mede advocaat bij den Hoogen Raad;
Partijen gehoord;
Gehoord de conclusie van den Advocaat-Generaal Wijnveldt, namens den Procureur-Generaal, strekkende tot vernietiging van het bestreden vonnis en terugwijzing der zaak naar de Arrondissements-Rechtbank te Rotterdam, teneinde met inachtneming van 's Hoogen Raads arrest verder te worden onderzocht en afgedaan, met veroordeeling van verweerder in de kosten der procedure;
Gezien de stukken;
Overwegende dat uit het bestreden vonnis, voorzoover thans van belang, blijkt :
dat partij [eischer] bij inleidende dagvaarding voor het Kantongerecht te Rotterdam een vordering tot schadevergoeding van ten hoogste f.200 .- heeft ingesteld wegens inbreuk op het auteursrecht van het muziekstuk "De Tsarevitsj", daartoe in hoofdzaak stellende:
dat [verweerder], althans een of meer personen, voor wier daden hij aansprakelijk is op 11 September 1935 het in zijn café aanwezige en onder zijn macht staande radio-ontvangtoestel heeft aangesloten aan het electrische net en, na te hebben ingeschakeld, heeft afgestemd en afgestemd gelaten op het radiostation Hilversum, dat toen een uitzending gaf, waardoor het bovenvermelde stuk door middel van den aanwezigen luidspreker ten gehoore werd gebracht voor het toen in het café aanwezige publiek;
dat de Kantonrechter, van oordeel dat deze handelingen niet opleveren inbreuk op het auteursrecht van [eischer], de vordering bij vonnis van 14 Februari 1936 heeft ontzegd;
dat de Rechtbank, op het door [eischer] ingesteld hooger beroep, dit vonnis heeft bevestigd, na onder meer overwogen te hebben:
dat geintimeerde of de bij dagvaarding bedoelde personen door de daar omschreven handelingen het muziekstuk "De Tsarewitsj" niet hebben uitgevoerd of openbaar hebben gemaakt in den zin van de Auteurswet 1912;
"dat de openbare uitvoering van dat muziekstuk op 11 september niet heeft plaats gehad in het vermelde door geintimeerde geëxploiteerd café te Rotterdam, maar geschiedde door het orkest, dat het stuk "verklankte" en het zendstation Hilversum, dat in staat gesteld was die verklanking uit te zenden en ze ook uitzond;
dat geintimeerde en de vermelde persoon of personen die uitvoering niet konden doen of deden en zij slechts het in het café aanwezige publiek de uitvoering konden doen hooren, waarmee het doel van de uitvoering werd bereikt;
dat het feit, dat een caféhouder, die een radiotoestel in zijn café in werking brengt, geacht kan worden aldus rechtstreeks muziek teweeg te brengen in den zin van een politieverordening, die het muziek maken in koffiehuizen verbiedt, geen steun geeft aan de stelling, dat die café- houder aldus het muziekstuk, dat uit de luidspreker zou klinken, uitvoert;
Overwegende dat [eischer] tegen deze uitspraak het volgende middel van cassatie aanvoert :
Schending door verkeerde- of niet toepassing van de artikelen 1, 10, 12 en 17bis van de Auteurswet 1912, 4, 11, libis boen 13 van de Herziene Berner Conventie, 1401, 1402, 1403 van het Burgerlijk Wetboek en artikel 48 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, door als voormeld te beslissen, ten onrechte :
daar de gedragingen van de bedoelde personen wel degelijk opleveren een uitvoering (in het openbaar), althans een openbaarmaking in den zin van de Auteurswet, --------
waaraan de omstandigheid, dat de samenwerkende handelingen van het orkest, dat het stuk verklankte en van het zendstation Hilversum, dat die verklanking uitzond, (eveneens) als een openbare uitvoering van het muziekstuk zouden moeten worden beschouwd, en dat verweerder (of de meergenoemde personen) niets anders hebben gedaan dan het in het café aanwezige publiek die uitvoering te doen hooren, niet afdoet, omdat juist dit doen hooren door het publiek een uitvoering in het openbaar, althans een openbaarmaking oplevert,
terwijl bovendien de aan de beslissing van de Rechtbank ten grondslag liggende opvatting, dat de samenwerkende handelingen van orkest en zender leiden tot een uitvoering in het openbaar, onjuist is en berust op een verwarring van de begrippen uitvoering en openbaarmaking;
Overwegende daaromtrent :
dat [verweerder] door in zijn voor het publiek toegankelijke localiteit een radio-ontvangtoestel met luidspreker in werking te stellen met het gevolg, dat daar toen ten gehoore kwam het meergemelde muziekwerk van [eischer], dit werk in het openbaar ten gehoore heeft gebracht en dus heeft uitgevoerd in den zin van artikel 12 der Auteurswet 1912;
dat hieraan niet in den weg staat, dat [verweerder] het werk als voormeld slechts ten gehoore kon brengen, omdat het werd uitgevoerd voor de microfoon van een radiostation en dit daarom geacht moet worden het werk door uitzending openbaar te maken, omdat die uitzending een ieder in de gelegenheid stelde om het werk door middel van een daartoe geschikt toestel ten gehoore te brengen;
dat indien, gelijk hier, dit laatste geschiedt in het openbaar, niet slechts de tekst der Auteurswet 1912 maar ook haar strekking medebrengt, dat zoodanig uitvoeren voorbehouden blijft aan hem, die het auteursrecht op het werk heeft, ook wanneer de radio-uitzending met zijn bewilliging plaats vindt, omdat deze bewilliging niet omvat, althans niet behoeft te omvatten bewilliging voor derden om door middel van het ontvangtoestel het werk ten gehoore van het publiek te brengen;
dat het middel dus gegrond is;
Vernietigt het bestreden vonnis;
Verwijst het geding naar de Arrondissements-Rechtbank te Rotterdam ten einde met inachtneming van dit arrest de zaak verder te behandelen en te beslissen;
Veroordeelt verweerder in de kosten van het geding in cassatie, tot de uitspraak van dit arrest aan zijde van den eischer begroot op acht en twintig gulden vijf en zestig cents aan verschotten en op vijfhonderd vijftig gulden voor salaris.
Gedaan bij de Heeren Jhr. Feith, President, van Gelein Vitringa, Kirberger, Fick en Nypels, Raden, en door voornoemden President uitgesproken ter openbare terechtzitting van den Zesden Mei 1900 Acht en Dertig, in bijzijn van den Procureur- Generaal.