ECLI:NL:HR:1939:35

ECLI:NL:HR:1939:35, Hoge Raad, 22-05-1939, 42916

Instantie Hoge Raad
Datum uitspraak 22-05-1939
Datum publicatie 23-09-2025
Zaaknummer 42916
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Cassatie
Zittingsplaats Den Haag
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:PHR:1939:1
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Verwijst naar 1 zaken
Aangehaald door 19 zaken
2 wettelijke verwijzingen

Verwijst naar

Wettelijke verwijzingen

BWBR0001854 BWBR0001903

Samenvatting

Onder ‘in het openbaar’ opruien als bedoeld in artikel 131 lid 1 Sr moet worden verstaan dat de opruiende woorden worden geuit onder zodanige omstandigheden en op zodanige wijze, dat zij door het publiek kunnen worden gehoord. Niet is vereist dat de opruiende woorden zijn gedaan op een openbare plaats.

Uitspraak

No 42916

DE HOOGE RAAD DER NEDERLANDEN,

Op het beroep van [requirant] , tuinder, geboren [geboortedatum] 1907 te [geboorteplaats] , wonende aldaar, requirant van cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof . te 's-Gravenhage . van den eersten Februari 1939, bevestigende, behoudens na te melden uitzondering, een mondeling vonnis van den Politierechter bij de Arrondissements-Rechtbank te Middelburg , op 13 September 1938 na verzet gewezen, inhoudende bekrachtiging van een door genoemden rechter op 30 Augustus 1938 bij verstek in deze zaak gewezen vonnis, waarbij requirant ter zake van "mondeling in het openbaar tot eenig strafbaar feit opruien" met aanhaling van artikel 131 van het Wetboek van Strafrecht is veroordeeld tot een week gevangenisstraf, hebbende het Hof met vernietiging, wat deze strafoplegging betreft, zoowel van het beroepen vonnis als van het daarbij bekrachtigde verstekvonnis, requirant veroordeeld tot veertien dagen gevangenisstraf ;

Gehoord het verslag van den Raadsheer de Menthon Bake ;

Gezien de insinuatie , namens den Procureur- Generaal aan den requirant beteekend, ter kennisgeving van den dag voor de behandeling dezer zaak bepaald ;

Gelet op de middelen van cassatie , namens den requirant voorgesteld bij schriftuur, luidende :

I. Schending of verkeerde toepassing van artikel 131 van het Wetboek van Strafrecht, 261, 348, 349, 350, 351, 352, 358,422 en 423 van het Wetboek van Strafvordering, doordat het Hof, het vonnis der Rechtbank op dit punt bevestigend, de verdachte heeft schuldig verklaard aan opruiing zulks terwijl het hem in de inleidende dagvaarding ten laste gelegde niet oplevert een strafbaar feit, althans niet dat van artikel 131 van het Wetboek van Strafrecht daar in de feitelijke omschrijving van het den requirant ten laste gelegde feit ontbreekt het voor het misdrijf van opruiing vereischte element van openbaarheid ;

II. Schending of verkeerde toepassing van artikel 131 van het Wetboek van Strafrecht, doordat het Hof, het vonnis der Rechtbank op dit punt bevestigend, den requirant heeft schuldig verklaard aan opruiing, hoewel de aan requirant ten laste gelegde en bewezenverklaarde aansporing tot het plegen van een strafbaar feit gericht was tot en bestemd voor slechts één persoon en noch rechtstreeks, noch (on) middellijk gericht was tot of bestemd was voor het publiek;

III. Schending of verkeerde toepassing van de artikelen 131,184, 446 juncto '50 van het Wetboek van Strafrecht, 422,423,350,351 en 352 van het Wetboek van Strafvordering, doordat het Hof ,het vonnis der Rechtbank op dit punt bevestigend ,heeft bewezen verklaard, dat de requirant zich heeft schuldig gemaakt aan opruiing tot het misdrijf van artikel 184 van het Wetboek van Strafrecht, terwijl op grondslag der telastelegging hoogstens bewezen had kunnen worden verklaard opruiing tot de overtreding van artikel 446 van het Wetboek van Strafrecht ;

Gehoord den Advocaat-Generaal Rombach, namens den Procureur-Generaal, in zijne conclusie, strekkende tot verwerping van het ingestelde beroep ;

Overwegende dat in het in zoover bij het bestreden arrest gehandhaafde verstekvonnis van het aan requirant te laste gelegde is bewezen verklaard, dat hij op 18 Juni 1938 te Goes in 't openbaar , mondeling heeft opgeruid tot eenig strafbaar feit door, toen de agent Van politie en onbezoldigd Rijksveldwachter [betrokkene 1], naar aanleiding van een mishandeling en verzet tegen hem en den agent van politie [betrokkene 2], gepleegd door en de gebroeders [B], op den openbaren weg "de Groote Markt", den Rijksambtenaar [betrokkene 3] opdroeg assistentie te gaan vragen aan het bureau van politie te Goes, opzettelijk tegen voornoemden [betrokkene 3] heeft gezegd "niet doen [betrokkene 3]";

Overwegende dat in het in zoover bij het bestreden verstekvonnis blijkens aanteekening van het mondelinge vonnis achter de rubriek "bewezenverklaring" is vermeld: Verdachte heeft het hem ten laste gelegde feit begaan met dien verstande, dat dit gepleegd is op 18 Juni 1938 te Goes en de verdachte de woorden "niet doen [betrokkene 3]" heeft gebezigd en dien [betrokkene 3] tot het plegen van het strafbare feit bedoeld bij artikel 184 van het Wetboek van Strafrecht heeft aangezet ;

Overwegende dat in het bestreden arrest is overwogen onder meer dat requirants raadsman wel tot diens verdediging heeft aangevoerd, dat het bewezen ren verklaarde geen strafbaar feit en met name niet het misdrijf van opruiing zou opleveren, zoodat verdachte van rechtsvolging zou moeten worden ontslagen, omdat verdachte zijn aansporing tot het plegen van een strafbaar feit niet tot meerdere personen doch slechts tot [betrokkene 3] alleen heeft gericht doch ten onrechte, omdat ook als de opruiende woorden slechts tot één persoon zijn gericht, opruiing aanwezig is, mits zulks slechts geschiedt in het openbaar d.w.z. ten aanhoore van het publiek ;

dat nu het ter terechtzitting in eersten aanleg voorgelezen ambtseedig proces-verbaal van den agent van politie, tevens onbezoldigd rijksveldwachter S.de Putter d.d. 8 Juli 1938 o, m. inhoudt: dat verbalisant, toen het publiek bleef opdringen aan [betrokkene 3] verzocht assistentie 91 te willen gaan halen en dat hij deze daartoe andermaal duidelijk hoorbaar aansprak, zoodat door voormeld bewijsmiddel is bewezen, gelijk is telaste gelegd, dat de opruiing in het openbaar plaats vond ;

Wat de middelen betreft :

Overwegende dat het eerste middel berust op de opvatting, dat de woorden in de bewezenverklaarde telastelegging "in 't openbaar mondeling heeft opgeruid' enkel qualificatieve beteekenis hebben, terwijl daarna, ingeleid door het woordje "door" de feiten volgen, welke aan requirant worden te laste gelegd ;

Overwegende dat dit middel is gegrond ;

Overwegende dat toch de telastelegging, zooals deze bewezen verklaard is, geen andere opvatting toelaat dan deze, dat de woorden "dat hij in 't openbaar mondeling heeft opgeruid tot eenig strafbaar feit" slechts inhoudt de wettelijke omschrijving van het misdrijf van artikel 131 van het Wetboek van Strafrecht, terwijl hetgeen daarop volgt, ingeleid met het woordje "door" de volledige omschrijving inhoudt van de feitelijke handelingen, welke aan requirant worden verweten ;

dat die feitelijke omschrijving echter niet inhoudt de telastelegging van voormeld misdrijf, wijl daarin niet tot uiting is gebracht het element "in het openbaar", zooals dit in artikel 131 blijkens de geschiedenis is te verstaan, namelijk niet dat de opruiende woorden worden geuit op een openbare plaats, maar dat zij worden geuit onder zoodanige omstandigheden en op zoodanige wijze, dat zij door het publiek kunnen worden gehoord ;

Overwegende dat het bewezene derhalve ten onrechte strafbaar is verklaard en den requirant deswege straf is opgelegd, en dientengevolge artikel 131 van het Wetboek van Strafrecht in verband met artikel 352 van van het Wetboek van Strafvordering verkeerd is toegepast;

Vernietigt het bestreden vonnis behalve wat de bewezenverklaring betreft ; en

Rechtdoende krachtens artikel 105 der Wet op de Rechterlijke Organisatie :

Overwegende dat het bewezenverklaarde niet oplevert het misdrijf van artikel 131 van het Wetboek van Strafrecht en ook niet elders strafbaar is gesteld;

Ontslaat den requirant van alle rechtsvervolging te dier zake .-

Gewezen te 's-Gravenhage bij de Heeren de Menthon Bake, waarnemend President, Meckmann, Servatius, van der Meulen en Hijink, Raden, in bijzijn van den Griffier Suyling, die dit arrest hebben onderteekend en door voornoemden waarnemend President uitgesproken ter openbare terechtzitting van den twee en twintigsten Mei 1900 Negen en Dertig, in tegenwoordigheid van de genoemde Heeren, alsmede van den Advocaat-Generaal Rombach, met uitzondering van den Raadsheer Meckmann, die verhinderd was geworden bij de uitspraak tegenwoordig te zijn en dit arrest te onderteekenen .-

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl NJ 1939/861 met annotatie van B.M. Taverne
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?