No. 11.102.
C.
DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN,
Gezien het beroepschrift in cassatie van den Minister van Financiën tegen de uitspraak van den Raad van Beroep voor de Directe Belastingen te Roermond van 7 Mei 1952 betreffende den aan [X] te [Z] opgelegden aanslag in de ondernemingsbelasting voor het belastingjaar 1943;
Gezien de stukken;
Overwegende dat belanghebbende, die voor het belastingjaar 1943 in voornoemde belasting is aangeslagen naar een bedrijfsopbrengst van f. 21.900 .- en een bedrijfskapitaal van f. 31.000 .- , na vruchteloos tegen dezen aanslag bezwaar te hebben gemaakt bij den Inspecteur, zich heeft gewend tot den Raad van Beroep;
Overwegende dat de Raad van Beroep den aanslag in dier voege heeft gewijzigd, dat deze wordt opgelegd naar den grondslag bedrijfsopbrengst van f. 7.545 .- en een bedrijfskapitaal van f. 31.000 .- , na te hebben overwogen:
"dat appellant wenst te worden aangeslagen naar grondslagen bedrijfsopbrengst f. 5.299.10 en bedrijfskapitaal f. 28.880 .-;
dat partijen ter vergadering hebben verklaard te zijn accoord met het bedrijfskapitaal ad f. 57.211 .-;
dat dus de grondslag bedrijfskapitaal ad f. 31.000 .- niet naar een te hoog bedrag is vastgesteld;
dat de bedrijfsopbrengst op grond van artikel 7 lid 1 sub 2 van het Besluit op de Ondernemingsbelasting wordt bepaald op de overeenkomstig het Besluit op de Inkomstenbelasting 1941 bepaalde winst van de onderneming over het kalenderjaar voorafgaande aan het belastingjaar;
dat de winst door de Raad in zijn uitspraak No. 113 is bepaald op f. 7545 .-;
dat derhalve de grondslag bedrijfsopbrengst moet worden gewijzigd en teruggebracht tot f. 7545 .-; dat de aanslag moet worden gewijzigd en deze moet worden opgelegd naar een bedrijfsopbrengst van f. 7545 .- en een bedrijfskapitaal van f. 31.000 .-;
Overwegende dat de Minister tegen deze uitspraak als middelen van, cassatie heeft voorgedragen:
Primair: Schending van artikel 16 van de wet van 19 December 1914, (Staatsblad no. 564) in verband met artikel 6 van de Wet Belastingherziening 1950, doordat de Raad van Beroep, op grond van de overweging dat met het oog op de bepalingen van de Goud- en zilverbeschikking de goud- en zilvervoorraad moet worden beschouwd als een middel om belanghebbendes bedrijf uit te oefenen, heeft beslist dat het bedrag aan geld, dat in de plaats van het verloren gegane goud en zilver is gekomen (de Raad zal niet dit bedrag, maar die voorraad goud en zilver zelf bedoeld hebben) een bedrijfsmiddel is, met het gevolg dat het verschil tussen de ontvangen schadevergoeding en de boekwaarde van de verloren gegane voorraad ten laste van de winst over het jaar 1942 kan worden gereserveerd,
zulks ten onrechte aangezien, door de bedoelde wettelijke bepalingen, de voorraad goud en zilver, niet het karakter van voorraad, bestemd om in de normale gang van de bedrijfsuitoefening te worden verkocht, heeft verloren, terwijl hier van een bedrijfsmiddel, dat is een zaak, welke ten behoeve van de uitoefening van het bedrijf - in casu - de verkoop van de gouden en zilveren voorwerpen - werd gebruikt, geen sprake is geweest.
Subsidiair, n.l. voor zover de uitspraak van de Raad van Beroep mede steunt op de "verplichting" van belanghebbende om zijn verloren gegane voorraad aan te vullen:
Schending van artikel 16 van de wet van 19 December 1914 (Staatsblad 564) en artikel 7 van het Besluit op de Ondernemingsbelasting 1942, juncto artikel 10, derde lid, van het Besluit op de Inkomstenbelasting 1941, zoals dat lid luidde voor het jaar 1942, in verband met de artikelen 2 en 3 van de Goud- en zilverbeschikking 1941, no. 2, (Nederlandse Staatscourant van 15 en 16 Augustus 1941, no. 158) doordat de Raad van Beroep op grond van de overweging dat op belanghebbende ingevolge de laatstvermelde artikelen de verplichting rust zijn door oorlogsgeweld verloren gegane voorraad goud en zilver aan te vullen, een "reserve" heeft toegelaten tot vervanging van zijn voorraad ter grootte van het verschil tussen de ontvangen schadevergoeding en de laatste boekwaarde van die voorraad,
zulks ten onrechte:
omdat de Goud- en zilverbeschikking 1941, no. 2, aan belanghebbende geen verplichting oplegt zijn door oorlogsgeweld verloren gegane voorraad te vervangen;
Overwegende ten aanzien van het primaire middel:
dat bedrijfsmiddelen zijn die zaken, welke voor de uitoefening van het bedrijf worden gebruikt, in tegenstelling tot de zaken, die ter bewerking, verwerking of verkoop en derhalve als bestemd voor den omzet, in het bedrijf aanwezig zijn;
dat in het bedrijf van een winkelier in gouden en zilveren werken niet enkel de artikelen, bestemd om aan het publiek verkocht te worden, worden omgezet, maar dit ook het geval is met den goud- en zilvervoorraad, aanwezig, hetzij in den vorm van oud metaal of gebruikte voorwerpen - de grondstof, die in eigen bedrijf tot nieuwe artikelen, bestemd voor den verkoop; dat de goud- en zilvervoorraad derhalve het karakter van handelsvoorraad heeft; dat dit niet anders werd door de bepalingen van de Goud- en zilverbeschikking 1941 no. 2, door den Raad vermeld, welke den handelaar noopten zijn goud- en zilvervoorraad op peil te houden, wilde zijn bedrijf voortgang kunnen vinden, doordat zij den verkoop van nieuwe werken slechts toestonden tegen inlevering van goud of zilver, tenzij de handelaar er voor had zorg gedragen zijn goud- of zilvervoorraad tijdig te hebben aangevuld met de hoeveelheid, die hij door den verkoop van het nieuwe artikel daaraan onttrok;
dat daarom te dezen toepassing mist de bepaling van artikel 6 van de Wet Belastingherziening 1950, welke alleen voor bedrijfsmiddelen, die zijn teloorgegaan of beschadigd tussen 1 Mei 1940 en 1 Januari 1946, reservering toestaat van de deswege ontvangen schadevergoedingen;
dat derhalve dit middel gegrond is;
Overwegende dat ditzelfde geldt van het subsidiair voorgedragen middel;
dat toch, al moge het voor den handelaar in gouden en zilveren werken, wiens goud- en zilvervoorraad door oorlogsgeweld is verloren gegaan, en die zijn bedrijf op den ouden voet wenst te herstellen, noodzakelijk zijn de schadevergoeding, die hij wegens het verlies van zijn voorraad ontving, ook voorzover deze de fiscale boekwaarde daarvan overtreft, te besteden voor den aankoop van een nieuwen voorraad, een verplichting om dit bedrag daarvoor aan te wenden in de door den Raad aangehaalde artikelen van de Goud- en zilverbeschikking, waaruit de Raad die verplichting afleidt, aan den handelaar niet wordt opgelegd;
dat daarom reeds van een aftrekbaar passivum, als .- bedoeld in artikel 10, lid 3, onder 1º, van het Besluit op de Inkomstenbelasting 1941, te dezen geen sprake kan zijn;
Overwegende dat mitsdien de bestreden uitspraak zal moeten worden vernietigd;
Overwegende dat belanghebbende nog heeft aangevoerd, dat het onbillijk is onder de gegeven omstandigheden het verschil tussen de ontvangen uitkering en de fiscale boekwaarde van de teloorgegane goud- en zilvervoorraad, welke, in overeenstemming met het bepaalde bij de ministeriële aanschrijvingen van 25 November 1948 en 7 Juni 1950 (Afd. Dir. Bel. ns. 169 en 101), is berekend naar de vooroorlogse goud- en zilverprijzen, aan te merken als winst, daar de juweliers, die het geluk hadden voor oorlogsgeweld gespaard te blijven, van de aanschrijvingen konden profiteren, terwijl belanghebbende als oorlogsslachtoffer in de gegeven omstandigheden daarvan geen profijt heeft kunnen trekken;
dat echter de belastingwet te dezen geen tegemoetkoming toestaat, terwijl de rechter niet uit billijkheidsoverwegingen de wet vermag ter zijde te stellen;
Vernietigt de bestreden uitspraak van den Raad van Beroep te Roermond;
Vernietigt de beschikking van den Inspecteur;
Verminderd den aanslag van belanghebbende in de ondernemingsbelasting voor het belastingjaar 1943 tot
via een aanslag naar een bedrijfsopbrengst van f. 16.715 .- en een bedrijfskapitaal van f. 31.000 .-.
Gedaan bij de Heren Nypels, Vice-President, Smits, Dubois, van Rijn van Alkemade en Wiarda, Raden, en door den Vice-President voornoemd uitgesproken ter Raadkamer van den elfden Februari 1900 drie en vijftig, in tegenwoordigheid van de Substituut-Griffier Morsink.