ECLI:NL:HR:1953:AY3178

ECLI:NL:HR:1953:AY3178, Hoge Raad, 11-02-1953, 11 101

Instantie Hoge Raad
Datum uitspraak 11-02-1953
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer 11 101
Rechtsgebied Bestuursrecht; Belastingrecht
Procedure Cassatie
Zittingsplaats Den Haag
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Verwijst naar 2 zaken
Aangehaald door 12 zaken

Samenvatting

Ondernemingsbelasting; bedrijfskapitaal; Goud- en zilverbeschikking; Oorlogsgeweld.

Uitspraak

No. 11.101.

C.

De Hoge Raad der Nederlanden,

Gezien het beroepschrift in cassatie van den Minister van Financiën tegen de uitspraak van den Raad van Beroep te Roermond van 7 Mei 1952 betreffende den aan [X] te [Z] opgelegden aanslag in de inkomstenbelasting voor het jaar 1942;

Gezien de stukken;

Overwegende dat aan belanghebbende voor het jaar 1942 een aanslag is opgelegd naar een zuiver inkomen van f. 22.251.-;

dat belanghebbende tegen de beschikking van den Inspecteur, waarbij voormelde aanslag na reclame is verminderd tot een aanslag naar een zuiver inkomen van f. 22114.- is opgekomen bij den Raad van Beroep;

Overwegende dat de Raad van Beroep, voor zover thans nog van belang, heeft overwogen:

dat geschil bestaat omtrent de door appellant in zijn boekhouding opgenomen post ter zake van reserve voor te kopen goud ten bedrage van f. 9170.-;

dat appellant stelt, dat hij winkelier is in uurwerken, goud, zilver en optiek; dat zijn bedrijfspand op 5 October 1942 door oorlogsgeweld werd verwoest; dat hij van de O.O.M. een uitkering ontving ten bedrage van f. 12.771.32 voor goudwaarde der voorradige gouden artikelen; dat hij ingevolge het bepaalde in de goud- en zilverbeschikking no. 2 verplicht was voor dit bedrag aan goud in te kopen; dat dit niet direct is geschied omdat de uitkering eerst in 1943 werd ontvangen; dat appellant van mening is, dat het goud en zilver, dat in sieraden aanwezig is en steeds door inlevering op peil dient te worden gehouden, een bedrijfskapitaal is, op grond waarvan hij daarvoor een reservering heeft toegepast; dat appellant gereserveerd heeft het verschil tussen de ontvangen uitkering ad f. 18.143.- en de boekwaarde ad f. 8973.- is f. 9170.-;

dat de Inspecteur van oordeel is, dat bovengenoemd bedrag van f. 9170.- een voordeel is, uit bedrijf verkregen en mitsdien winst;

dat over het bedrag van f. 9170.- tussen partijen geen geschil bestaat;

dat door de Secretarissen-Generaal van het Departement van Financiën en van het Departement van Handel en Nijverheid en Scheepvaart op 15 Augustus 1941 een Besluit werd genomen welk Besluit werd gepubliceerd in de Nd. Staatscourant van 15 en 16 Augustus 1941, No. 159;

dat dit Besluit in het jaar 1942 nog van kracht was;

dat van dit Besluit artikel 2 luidde:

"1. Ongebruikte gouden werken mogen aan het publiek niet worden verkocht of afgeleverd dan tegen inlevering van een overeenkomstige hoeveelheid oud-goud of andere gebruikte gouden werken. De verkoop of aflevering is zonder deze inlevering toegestaan, indien reeds te voren een overeenkomstige hoeveelheid oud-goud of andere gebruikte gouden werken zonder afgifte van ongebruikte gouden werken is verkregen en nog in het bezit van den verkoper is. Verkoop of aflevering van trouwringen is zonder inlevering van oud-goud toegestaan mits door den afnemer een bewijs van zijn ondertrouw, afgegeven door de bevoegde instantie, wordt overgelegd. Ten bewijze van den verkoop of de aflevering van trouwringen is de leverancier verplicht op het bewijs van ondertrouw een desbetreffende gedateerde aantekening te stellen en deze te voorzien van zijn firmastempel en handtekening. Het is verboden op een bewijs meer dan twee trouwringen te verkoopen.

2. Ongebruikte zilveren werken met een gewicht van 800 gram fijn of meer per stuk, alsmede tafelcouverts van elk gewicht, mogen aan het publiek niet worden verkocht of afgeleverd dan tegen inlevering van een overeenkomstige hoeveelheid oud-zilver. De afgifte is zonder deze inlevering toegestaan, indien reeds te voren een overeenkomstige hoeveelheid oud-zilver zonder afgifte van bovenbedoelde zilveren werken of tafelcouverts is verkregen en nog in het bezit van den verkooper is.

Ten aanzien van ongebruikte zilveren werken beneden 800 gram fijn, doch boven 30 gram fijn, kan bij verkoop of aflevering inlevering van een overeenkomstige hoeveelheid oud-zilver worden verlangd. Bij verkoop of aflevering van ongebruikte zilveren werken met een gewicht van 30 gram fijn of minder mag geen inlevering van oud-zilver worden verlangd.

3. In consignatie geven wordt ten deze gelijkgesteld met verkoop.

Artikel 3.

1. De Kleinhandelaar is verplicht het door hem verkregen oud-goud en oud-zilver uiterlijk op den zevenden dag van de maand, volgende op het kwartaal, waarin het is ontvangen, hetzij: a.) in eigen bedrijf te verwerken; b.) aan den fabrikant of den groothandelaar te verstrekken, respectievelijk voor vervaardiging of levering van nieuwe gouden en zilveren werken;

dat op gemelde artikelen de verplichting is gebaseerd de voorraad goud en zilver in het bedrijf op peil te houden;

dat is komen vast te staan dat ingevolge oorlogsgeweld de goud- en zilvervoorraad van appellant is verloren gegaan;

dat met het uitgekeerde bedrag appellants goud- en zilvervoorraad ingevolge de heersende bepalingen had moeten worden aangevuld;

dat immers met het oog op de ten dien aanzien toen geldende bepalingen de goud- en zilvervoorraad in appellants bedrijf is te beschouwen als een middel om appellants bedrijf uit te oefenen en derhalve een bedrag aan geld, dat in de plaats van het verloren gegane goud en zilver is gekomen, ene som is, die t.z.t. zal moeten aangewend worden om de goud- en zilvervoorraad weer op peil te brengen;

dat de Raad dit bedrag dan ook als bedrijfsmiddel wil beschouwen en de reservering dientengevolge van een bedrag van f. 9170.- terecht is geschied;’’

Overwegende dat de Raad van Beroep op bovenstaande gronden heeft geoordeeld, dat het door den Inspecteur vastgesteld zuiver inkomen, waarnaar de aanslag werd opgelegd, met f. 9170.- moet worden verminderd;

dat de Raad dienovereenkomstig dit bedrag - te zamen met twee bedragen onderscheidenlijk van f. 3275.- en f. 2124.-, waarvan aftrek werd toegestaan uit hoofde van zijn beslissing op twee andere punten - op het bedrag van f. 22.114.- in mindering heeft gebracht en den aanslag heeft gewijzigd in dier voege, dat deze wordt opgelegd naar een zuiver inkomen van f. 7545.-;

Overwegende dat de Minister tegen deze uitspraak als middelen van cassatie heeft voorgedragen:

Primair: Schending van artikel 16 van de wet van 19 December 1914, (Staatsblad no. 564) in verband met artikel 6 van de Wet Belastingherziening 1950, doordat de Raad van Beroep, op grond van de overweging dat met het oog op de bepalingen van de Goud- en zilverbeschikking de goud- en zilvervoorraad moet worden beschouwd als een middel om belanghebbendes bedrijf uit te oefenen, heeft beslist dat het bedrag aan geld, dat in de plaats van het verloren gegane goud en zilver is gekomen (de Raad zal niet dit bedrag, maar die voorraad goud en zilver zelf bedoeld hebben) een bedrijfsmiddel is, met het gevolg dat het verschil tussen de ontvangen schadevergoeding en de boekwaarde van de verloren gegane voorraad ten laste van de winst over het jaar 1942 kan worden gereserveerd,

zulks ten onrechte aangezien door de bedoelde wettelijke bepalingen de voorraad goud en zilver niet het karakter van voorraad, bestemd om in de normale gang van de bedrijfsuitoefening te worden verkocht, heeft verloren, terwijl hier van een bedrijfsmiddel, dat is een zaak, welke ten behoeve van de uitoefening van het bedrijf - in casu de verkoop van de gouden en zilveren voorwerpen - werd gebruikt, geen sprake is geweest.

Subsidiair, n.l. voor zover de uitspraak van de Raad van Beroep mede steunt op de "verplichting" van belanghebbende om zijn verloren gegane voorraad aan te vullen: Schending van artikel 16 van de wet van 19 December 1914 (Staatsblad 564) en artikel 10, derde lid, van het Besluit op de Inkomstenbelasting 1941, zoals dat lid luidde voor het jaar 1942, in verband met de artikelen 2 en 3 van de Goud- en zilverbeschikking 1941, no. 2, (Nederlandse Staatscourant van 15 en 16 Augustus 1941, no. 158), doordat de Raad van Beroep op grond van de overweging dat op belanghebbende ingevolge de laatstvermelde artikelen de verplichting rust zijn door oorlogsgeweld verloren gegane voorraad goud en zilver aan te vullen, een "reserve" heeft toegelaten tot vervanging van zijn voorraad ter grootte van het verschil tussen de ontvangen schadevergoeding en de laatste boekwaarde van die voorraad,

zulks ten onrechte:

omdat de Goud- en zilverbeschikking 1941, no. 2, aan belanghebbende geen verplichting oplegt zijn door oorlogsgeweld verloren gegane voorraad te vervangen;

Overwegende ten aanzien van het primaire middel:

dat bedrijfsmiddelen zijn die zaken, welke voor de uitoefening van het bedrijf worden gebruikt, in tegenstelling tot de zaken, die ter bewerking, verwerking of verkoop en derhalve als bestemd voor den omzet, in het bedrijf aanwezig zijn;

dat in het bedrijf van een winkelier in gouden en zilveren werken niet enkel de artikelen, bestemd om aan het publiek verkocht te worden, worden omgezet, maar dit ook het geval is met den goud- en zilvervoorraad, aanwezig, hetzij in den vorm van oud metaal of gebruikte voorwerpen - de grondstof, die in eigen bedrijf tot nieuwe artikelen wordt verwerkt, of ter verkrijging van nieuwe artikelen elders wordt ingeleverd -, hetzij verwerkt in nieuwe artikelen, bestemd voor den verkoop; dat de goud- en zilvervoorraad derhalve het karakter van handelsvoorraad heeft; dat dit niet anders werd door de bepalingen van de Goud- en zilverbeschikking 1941 no. 2, door den Raad vermeld, welke den handelaar noopten zijn goud- en zilvervoorraad op peil te houden, wilde zijn bedrijf voortgang kunnen vinden, doordat zij den verkoop van nieuwe werken slechts toestonden tegen inlevering van goud of zilver, tenzij de handelaar er voor had zorg gedragen zijn goud- of zilvervoorraad tijdig te hebben aangevuld met de hoeveelheid, die hij door den verkoop van het nieuwe artikel daaraan onttrok;

dat daarom te dezen toepassing mist de bepaling van artikel 6 van de Wet Belastingherziening 1950, welke alleen voor bedrijfsmiddelen, die zijn teloorgegaan of beschadigd tussen 1 Mei 1940 en 1 Januari 1946, reservering toestaat van de deswege ontvangen schadevergoedingen;

dat derhalve dit middel gegrond is;

Overwegende dat ditzelfde geldt van het subsidiair voorgedragen middel;

dat toch, al moge het voor den handelaar in gouden en zilveren werken, wiens goud- en zilvervoorraad door oorlogsgeweld is verloren gegaan, en die zijn bedrijf op den ouden voet wenst te herstellen, noodzakelijk zijn de schadevergoeding, die hij wegens het verlies van zijn voorraad ontving, ook voor zover deze de fiscale boekwaarde daarvan overtreft, te besteden voor den aankoop van een nieuwen voorraad, een verplichting om dit bedrag daarvoor aan te wenden in de door den Raad aangehaalde artikelen van de Goud- en zilverbeschikking, waaruit de Raad die verplichting afleidt, aan den handelaar niet wordt opgelegd;

dat daarom reeds van een aftrekbaar passivum, als bedoeld in artikel 10, lid 3, onder 1°, van het Besluit op de Inkomstenbelasting 1941, te dezen geen sprake kan zijn;

Overwegende dat mitsdien de bestreden uitspraak zal moeten worden vernietigd;

Overwegende dat belanghebbende nog heeft aangevoerd, dat het onbillijk is onder de gegeven omstandigheden het verschil tussen de ontvangen uitkering en de fiscale boekwaarde van de teloorgegane goud- en zilvervoorraad, welke, in overeenstemming met het bepaalde bij de ministeriële aanschrijvingen van 25 November 1948 en 7 Juni 1950 (Afd. Dir. Bel. ns. 169 en 101), is berekend naar de vooroorlogse goud- en zilverprijzen, aan te merken als winst, daar de juweliers, die het geluk hadden voor oorlogsgeweld gespaard te blijven, van de aanschrijvingen konden profiteren, terwijl belanghebbende als oorlogsslachtoffer in de gegeven omstandigheden daarvan geen profijt heeft kunnen trekken;

dat echter de belastingwet te dezen geen tegemoetkoming toestaat, terwijl de rechter niet uit billijkheidsoverwegingen de wet vermag ter zijde te stellen;

Vernietigt de beschikking van den Inspecteur;

Vermindert den aanslag van belanghebbende in de inkomstenbelasting voor het jaar 1942 tot een aanslag naar een zuiver inkomen van f. 16.715.-;

Gedaan bij de Heren Nypels, Vice-President, Smits, Dubois, van Rijn van Alkemae en Wiarda, Raden, en door den Vice-President voornoemd uitgesproken ter Raadkamer van den elfden Februari 1900 drie en vijftig, in tegenwoordigheid van den Substituut-Griffier Morsink.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl BNB 1953/72 met annotatie van M.J.H. Smeets
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?