6 Maart 1956
Bm
No 473.
DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
beschikkende in Raadkamer,
Op het beroep van [requirant], geboren te [geboorteplaats] [geboortedatum] 1898, van beroep adviseur, wonende te [woonplaats], requirant van cassatie tegen een beschikking van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 6 December 1955, houdende in hoger beroep bevestiging van een beschikking van de Rechtbank te Rotterdam van 16 November 1955, waarbij verzoeker naar de terechtzitting werd verwezen terzake " dat hij meermalen in 1952 te [woonplaats] of elders in Nederland als wethouder van Openbare Werken van de gemeente [woonplaats], in elk geval telkens als ambtenaar, telkens opzettelijk middellijk of onmiddellijk heeft deelgenomen aan een leverantie van vlakselplakken of wegfunderingsblokken aan die gemeente, over welke leverantie hem als wethouder of als ambtenaar voornoemd op het tijdstip der handeling telkens geheel of ten dele het bestuur of toezicht was opgedragen, hebbende die deelneming van verdachte daarin bestaan, dat een combinatie van vier personen, waaronder verdachte, overeenkwam om dergelijke voorwerpen voor gezamenlijke rekening te vervaardigen en te verkopen, hetgeen vervolgens ook geschiedde, waarbij die combinatie meermalen een aantal van die voorwerpen verkocht en leverde aan de gemeente [woonplaats] en waarbij verdachte telkens wist of begreep, dat de leverantie mede voor zijn rekening geschiedde. "
Gelet op het middel van cassatie, namens den requirant voorgesteld bij schriftuur en luidende :
"Schending, althans verkeerde toepassing van de artikelen 250, 252, 254 van het Wetboek van Strafvordering, 376 van het Wetboek van Strafrecht en 175 van de Grondwet, omdat het Hof, in hoger beroep beschikkende, de beschikking van de Rechtbank te Rotterdam van 16 November 1955 heeft bekrachtigd met overname Van de gronden, waarop deze beschikking berust, daarbij vaststellende:
a. dat toch uit het gehouden onderzoek voorshands voldoende blijkt, dat verzoeker rechtstreeks financieel belang had bij de combinatie, die de leveranties aan de gemeente [woonplaats] uitvoerde en zodanig belang begrepen kan zijn onder "deelneming" aan de leveranties in de zin van artikel 376 van het Wetboek van Strafrecht, waardoor het Hof aan het begrip "deelneming" een onjuiste uitleg heeft gegeven, aangezien een rechtstreeks financieel belang voor het begrip "deelneming" niet bepalend is of kan zijn ;
b. dat de betekenis van de uitdrukkingen "bestuur" en "toezicht" volgens het Wetboek van Strafrecht geenszins dezelfde is als volgens de Gemeentewet en overigens op grond van voormeld onderzoek stellig niet thans reeds kan worden gezegd, dat verzoeker geheel buiten genoemde leverantie stond en dus niet nu reeds kan worden gesproken van " onvoldoende aanwijzing van schuld" in de zin van artikel 250 van het Wetboek van Strafvordering, Waardoor het Hof heeft nagelaten te onderzoeken en te bepalen wat dan wel onder "bestuur" en "toezicht" in het Wetboek van Strafrecht moet worden verstaan, terwijl het feit, dat niet kan worden gezegd, dat verzoeker geheel buiten genoemde leverantie stond, voor het aannemen van" bestuur" of "toezicht" in de zin van artikel 376 Strafrecht geheel onvoldoende is."
Gezien de conclusie van den Advocaat-Generaal s' Jacob namens den Procureur-Generaal, strekkende tot verwerping van het ingestelde beroep ;
Ten aanzien van het middel onder a :
Overwegende, dat de rechter bij zijn beslissing heeft overwogen "dat toch uit het gehouden onderzoek voorshands voldoende blijkt, dat verzoeker rechtstreeks financieel belang had bij de combinatie, die de leveranties aan de gemeente [woonplaats] uitvoerde en zodanig belang begrepen kan zijn onder "deelnemen" aan die leveranties in de zin van artikel 376 Wetboek van Strafrecht";
dat dit onderdeel van het middel er tegen op komt dat een rechtstreeks financieel belang voor het onderhavige begrip van deelneming bepalend zou zijn of zou kunnen zijn;
dat echter de genoemde zienswijze van den rechter, die overigens niet inhoudt dat dit financiƫle belang het enige criterium uitmaakt voor genoemde deelneming, maar daaronder "kan" zijn "begrepen", zeer wel strookt met de geschiedenis van de totstandkoming van deze bepaling, waarbij, in de Memorie van Toelichting, werd opgemerkt, dat er, indien de ambtenaar, met bestuur of toezicht belast, belanghebbende is, gevaar bestaat voor ondeugdelijk werk of slechte waar, en, nadien bij het Regeringsantwoord op het Verslag van de Tweede Kamer, werd gesproken van ambtenaren, die zich in een valse positie en hun onpartijdigheid in gevaar brengen, onder welke redenen voor deze strafbaarstelling zeker valt het hebben van rechtstreeks financieel belang, daar dit belang uiteraard belanghebbend maakt en de objectiviteit in gevaar kan brengen;
dat de bij de toelichting van deze klacht naar voren gebrachte zienswijze, dat bij deze strafbaarstelling daarentegen gedacht moet worden aan den ambtenaar, die bij het tot stand komen of uitvoeren van een aanneming of leverantie een actieve rol speelt, noch in de woorden van de wet noch in de parlementaire geschiedenis steun vindt en ook moeilijk is overeen te brengen met de eveneens verboden "middellijke" deelneming, waarbij in de eerste plaats is te denken aan een persoon, die op de achtergrond blijft, en wiens actieve rol in ieder geval moeilijk zal zijn aan te tonen;
Ten aanzien van het middel onder b :
Overwegende dat de rechter heeft overwogen :
"dat de betekenis van de uitdrukkingen "bestuur" en "toezicht" volgens het Wetboek van Strafrecht geenszins dezelfde is als volgens de gemeentewet en overigens op grond van voormeld onderzoek stellig niet thans reeds kan worden gezegd dat verzoeker geheel buiten genoemde leveranties stond";
dat de eerste zinsnede van deze overweging betrekking heeft op de stelling in het inleidend bezwaarschrift, dat verzoeker niet geheel of ten dele was belast met het bestuur of toezicht over de leveranties, in de dagvaarding genoemd, omdat verzoeker als wethouder individueel gelijk staat met iedereen anderen ingezetene, welke stelling kennelijk hiermede samenhangt, dat in het stelsel van de Gemeentewet het dagelijks bestuur door het College van Burgemeester en Wethouders onverdeeld wordt uitgeoefend en een wethouder alleen geen enkele bestuursdaad kan verrichten en evenmin door enige wettelijke bepaling met toezicht is belast;
dat deze stelling door de vermelde overweging van den rechter op goede gronden werd weerlegd, temeer nu artikel 376 voornoemde spreekt van bestuur of toezicht dat geheel "of ten dele" is opgedragen, waarbij de rechter niet gehouden was aan te geven wat in genoemd voorschrift dan wel onder bestuur en toezicht moet worden verstaan;
dat daarbij verzoeker, wethouder van Openbare Werken, geacht kon worden uit hoofde van die hoedanigheid in het algemeen het bestuur en toezicht te hebben over de onderhavige leveranties en de rechter, kennelijk om de veronderstelling van het tegendeel ter zijde te stellen, nog overwoog, dat "overigens op grond van voormeld onderzoek stellig niet thans reeds kan worden gezegd dat verzoeker geheel buiten genoemde leveranties stond ";
dat derhalve geen der beide klachten tot cassatie kan leiden ;
Verwerpt het beroep .
Gedaan en gewezen den zesden Maart 1900 zes en vijftig bij de Heren Fick, Vice-President, Feber, van Berckel, Westerouen van Meeteren en Kazemier, Raden, in tegenwoordigheid van den Griffier van Oordt, die deze beschikking hebben ondertekend.