ECLI:NL:PHR:1956:2

ECLI:NL:PHR:1956:2, Parket bij de Hoge Raad, 13-02-1956, 473

Instantie Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak 13-02-1956
Datum publicatie 14-10-2025
Zaaknummer 473
Rechtsgebied Strafrecht
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:HR:1956:152
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Verwijst naar 1 zaken
Aangehaald door 1 zaken

Verwijst naar

Aangehaald door

Samenvatting

Rechtstreeks financieel belang? Begrip deelnemen. Artikel 376 Wetboek van Strafrecht.

Uitspraak

B.

No. 473.

Mr. s' Jacob. Parket No. 1

conclusie inzake:

[requirant].

Aan de Hoge Raad der Nederlanden.

De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden:

Gezien een beschikking van het Gerechtshof te 's-Gravenhage d.d. 6 December 1955, waarbij met overneming van gronden is bevestigd een beschikking van de Rechtbank te Rotterdam d.d. 16 November 1955, bij welke laatstgenoemde beschikking [requirant] naar de terechtzitting is verwezen ter zake van het in die beschikking genoemde feit, dat hij meermalen in 1952 te [woonplaats] of elders in Nederland als wethouder van Openbare Werken van de gemeente [woonplaats], in elk geval telkens als ambtenaar, telkens opzettelijk middellijk of onmiddellijk heeft deelgenomen aan een leverantie van vlakselplakken of wegfunderingsblokken aan die gemeente, over welke leverantie hem als wethouder of als ambtenaar voornoemd op het tijdstip der handeling telkens geheel of ten dele het bestuur of toezicht was opgedragen, hebbende die deelneming van verdachte daarin bestaan, dat een combinatie van vier personen , waaronder verdachte, overeenkwam om dergelijke voorwerpen voor gezamenlijke rekening te vervaardigen en te verkopen, hetgeen vervolgens ook geschiedde, waarbij die combinatie meermalen een aantal van die voorwerpen verkocht en leverde aan de gemeente [woonplaats] en waarbij verdachte telkens wist of begreep, dat de leverantie mede voor zijn rekening geschiedde.

Gezien de betekening van eerstgenoemde beschikking aan [requirant] voornoemd op 10 December 1955 alsmede de akte van het namens hem ingestelde beroep in cassatie d.d. 10 December 1955;

Overwegende dat namens requirant bij schriftuur het volgende cassatiemiddel is aangevoerd:

"Schending, althans verkeerde toepassing van de artikelen 250,252,254 Sv, 376 Sr. en 175 Grondwet, omdat het Hof, in hoger beroep beschikkende, de beschikking van de Rechtbank te Rotterdam van 16 November 1955 heeft bekrachtigd met overname van de gronden, waarop deze beschikking berust, daarbij vaststellende: a) dat toch uit het gehouden onderzoek voorshands voldoende blijkt, dat verzoeker rechtstreeks financieel belang had bij de combinatie, die de leveranties aan de gemeente [woonplaats] uitvoerde en zodanig belang begrepen kan zijn onder "deelneming" aan de leveranties in de zin van artikel 376 van het Wetboek van Strafrecht, waardoor het Hof aan het begrip "deelneming" een onjuiste uitleg heeft gegeven, aangezien een rechtstreeks financieel belang voor het begrip "deelneming" niet bepalend is of kan zijn, b) dat de betekenis van de uitdrukkingen "bestuur" en "toezicht" volgens het Wetboek van Strafrecht geenszins dezelfde is als volgens de Gemeentewet en overigens op grond van voormeld onderzoek stellig niet thans reeds kan worden gezegd, dat verzoeker geheel buiten genoemde leverantie stond en dus niet nu reeds kan worden gesproken van "onvoldoende aanwijzing van schuld" in de zin van artikel 250 van het Wetboek van Strafvordering, waardoor het Hof heeft nagelaten te onderzoeken en te bepalen wat dan wel onder "bestuur" en "toezicht" in het Wetboek van Strafrecht moet worden verstaan, terwijl het feit, dat niet kan worden gezegd, dat verzoeker geheel buiten genoemde leverantie stond, voor het aannemen van "bestuur" of "toezicht" in de zin van artikel 376 Strafrecht geheel onvoldoende is". Overwegende dat in onderdeel a) van het middel de stelling wordt verdedigd dat, wil van deelnemen aan aannemingen of leverantiën in den zin van art. 376 onder 1e W.v. Sr sprake zijn, vereist is dat de daar bedoelde ambtenaar bij die aannemingen of leveranties een actieve rol speelt en dat met name van zodanig deelnemen geen sprake is wanneer de ambtenaar bij de aanneming of leverantie enkel financieel belang heeft, ten bewijze van welke stelling in de toelichting op het middel een beroep wordt gedaan op de geschiedenis van de totstandkoming van het artikel;

Overwegende, dat voornoemde stelling niet als juist kan worden aanvaard en dat met name de geschiedenis van de totstandkoming van art. 376 Sr voor een zo beperkte opvatting omtrent het begrip "deelnemen" geen grond biedt;

Overwegende dat immers in de Memorie van Toelichting op art. 428 van het oorspronkelijk regeringsontwerp ( thans art. 376 Sr. ) staat te lezen (zie Schmidt III ad art. 376) : "Het voorschrift van de Code Pénal is hier beperkt tot aannemingen of leverantieën; daarbij bestaat toch gevaar, indien de ambtenaar met bestuur of toezicht belast belanghebbende is, voor ondeugdelijk werk of slechte waar. Voor deelneming aan "pachten" en, "het koopen van betwiste vorderingen", in strijd met artikel 57 provinciale wet en artikel 24 Gemeentewet, zijn de disciplinaire voorschriften van art. 58 van eerstgemelde en art. 36 van laatstgemelde wet toereikend" ;

Overwegende dat hieruit blijkt dat de regering bij de vaststelling van art. 376 onder 1e Sr. alleen in zoverre van het bestaande voorschrift van art. 175 C.P. heeft willen afwijken dat alleen strafbaar werd gesteld het deelnemen aan "aannemingen en leveranties" en niet, gelijk in art. 175 C.P. het deelnemen "in verrigtingen, aannemingen, ondernemingen of beheeringen", maar de regering voor het overige in art. 376 Sr de bepaling van art. 175 C.P. heeft willen handhaven, weshalve aan de woorden "deelneemt, middellijk of onmiddellijk" dezelfde betekenis is toe te kennen als aan de woorden "hetzij door gesimuleerde handelingen, het zij door tussenkomst van anderen, eenig belang hoegenaamd genomen of aangenomen zullen hebben" voorkomende in art. 175 C.P .;

dat ook de verwijzing in de Memorie van Toelichting naar art. 57 der Provinciale wet, waar wordt gesproken van "aandeel te hebben in pachten, leveringen of aannemingen" er op wijst, dat "deelnemen" in de zin van art. 376 ook daar aanwezig is waar de ambtenaar bij de aanneming of leverantie enkel geldelijk belang heeft (aldus ook Noyon-Langemeijer aant. 1 ad art. 274 Sr: "Deelnemer is ook hij voor wiens rekening de handel gedreven wordt");

dat onderdeel a) van het middel derhalve ongegrond is te achten;

Overwegende dat onderdeel b van het middel blijkens de daarop gegeven toelichting wil betogen dat voor het begrip 'bestuur en toezicht" in art. 376 Sr vereist is dat de Ambtenaar een actieve bemoeiing heeft met de aannemingen of leveranties, terwijl de Rechtbank ten onrechte zou hebben nagelaten omtrent de betekenis van dit begrip een beslissing te geven;

Overwegende dat de Rechtbank in haar door het Hof met overneming van gronden bevestigde beschikking omtrent dit punt heeft overwogen:

"dat de betekenis van de uitdrukkingen "bestuur" en "toezicht" volgens het wetboek van strafrecht geenszins dezelfde is als volgens de gemeentewet en overigens op grond van voormeld onderzoek stellig niet thans reeds kan worden gezegd dat verzoeker geheel buiten genoemde leveranties stond en dus niet nu reeds kan worden gesproken van "onvoldoende aanwijzing van schuld", in de zin van artikel 250 van het Wetboek van Strafvordering";

Overwegende dat de Rechtbank geenszins gehouden was om in de gegeven stand van het geding reeds een definitief oordeel te geven omtrent de vraag of requirants positie als hem wethouder van openbare werken meebracht dat hun "bestuur of toezicht" op de gedane leveranties was opgedragen, doch kon volstaan met naar aanleiding van het namens de verdachte gevoerde verweer te overwegen gelijk zij deed zonder daarmede aan de haar bij de wet opgelegde motiveringsplicht te kort te doen;

Overwegende voorts dat de stelling dat met "bestuur en toezicht" in art. 376 Sr. wordt bedoeld actief bestuur en actief toezicht noch in de wet noch in de geschiedenis van de totstandkoming van de wet voldoende grond vindt;

dat weliswaar blijkens het regeringsantwoord aan de 2e Kamer (Smidt III ad art. 376) naar aanleiding van een opmerking van de Commissie van Rapporteurs de artikelen 428 en 431 van het Ontwerp, als van dezelfde aard zijn samengevoegd in het huidige art. 376, doch ondanks deze samenvoeging de in de oorspronkelijke artikelen gebezigde, verschillende terminologie is gehandhaafd;

dat immers in art. 376 onder le evenals in art. 428 wordt gesproken van het opgedragen zijn aan de ambtenaar van het bestuur en toezicht over de aannemingen of leverantiën, terwijl in art. 376 onder 2e evenals in art. 431 van het ontwerp wordt gesproken van het "bezorgen" van plaatsvervangers of nummerverwisselaars voor de militie, bij wier keuring of toelating de ambtenaar geroepen is ambtshalve werkzaam te zijn;

dat bij vergelijking van deze twee voorschriften duidelijk is dat de wetgever doelbewust onder 2e een veel positievere redactie gebezigd heeft dan onder 1e en derhalve alleszins aannemelijk is dat bij "bestuur en toezicht" geenszins noodzakelijk enkel aan actieve bemoeiingen behoeft te worden gedacht;

Overwegende dat derhalve ook onderdeel (b van het middel niet tot cassatie kan leiden;

Concludeert tot verwerping van het beroep.

Parket 13 Februari 1956

De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?