ECLI:NL:HR:1957:140

ECLI:NL:HR:1957:140, Hoge Raad, 05-04-1957, 9056

Instantie Hoge Raad
Datum uitspraak 05-04-1957
Datum publicatie 09-01-2026
Zaaknummer 9056
Rechtsgebied Civiel recht
Procedure Cassatie
Zittingsplaats Den Haag
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:PHR:1957:6
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Aangehaald door 4 zaken

Aangehaald door

Samenvatting

Door Gasthuis (instelling van weldadigheid) aanvaarde verplichting tot levenslange verzorging tegen betaling van een som ineens. Mogelijkheid van verhaal krachtens Armenwet en Noodwet Ouderdomsvoorziening van kosten van verzorging, voorzover niet door tegenprestatie gedekt!.

Uitspraak

Tegenwoordig de Heren:

Donner, President ;

Smits,

Hulsmann,

Dubbink en

Petit, Raden;

Langemeijer, Advocaat-Generaal;

Reyers, Substituut-Griffier.

Openbare terechtzitting van Vrijdag

5 April 1957.

De zitting is geopend des voormiddags te 10 uur.

De deurwaarder roept de volgende zaken uit:

DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN,

in de zaak (No.9056) van:

De Burgerlijke Instelling van Weldadigheid De Verenigde Gast- en Proveniershuizen zijnde het Heilige Geest- en St. Geertruid- en Catharinagasthuis, gevestigd te Kampen, eiseres tot cassatie van een op 12 Juni 1956 door het Gerechtshof te Arnhem tussen partijen gewezen arrest, incidenteel verweerster in cassatie, vertegenwoordigd door Jhr.Mr. J. H.de Brauw, advocaat bij den Hogen Raad,

tegen

[verweerder] , wonende te [woonplaats], verweerder in cassatie, tevens incidenteel eiser tot cassatie, vertegenwoordigd door Mr.G.J. Scholten, mede advocaat bij den Hogen Raad;

Gehoord partijen;

Gehoord den Advocaat-Generaal s'Jacob, namens den Procureur-Generaal in zijn conclusie strekkende tot vernietiging van het arrest, waarvan beroep in cassatie, en tot bekrachtiging van het vonnis in eersten aanleg, met veroordeling van principaal verweerder in de kosten op het beroep gevallen;

Gezien de stukken;

Overwegende dat, voor zover thans van belang, uit het bestreden arrest blijkt:

dat [verweerder] bij inleidende dagvaarding principaal eiseres tot cassatie - verder te noemen De Gasthuizen - op verkorten termijn heeft gedaagd voor de Arrondissements- Rechtbank te Zwolle, onder meer stellende:

dat De Gasthuizen is een burgerlijke instelling van weldadigheid als bedoeld in artikel 2, lid 1, sub a der Armenwet; dat zij ten doel heeft het verzorgen van ouden van dagen; dat de bij De Gasthuizen opgenomen ouden van dagen worden onderscheiden in drie groepen, te weten: a. kostkopers, verdeeld in verschillende klassen; b. kostgevers-werkvrij; c. kostgevers; dat het verschil tussen deze groepen onder meer hierin is gelegen, dat de kostkopers meer voorrechten bezitten dat de kostgevers-werkvrij, waartoe ook [verweerder] behoort, en laatstgenoemden weer meer dan de kostgevers, terwijl verder een kostkoper wordt gehuisvest in een aparte woning, een kostgever-werkvrij in een kamer en de kostgevers slechts gezamenlijke verblijven hebben; dat blijkens de artikelen 5 en 7 van het reglement van De Gasthuizen, ex artikel 20 der Armenwet vastgesteld door den Raad der gemeente Kampen, op 1 Maart 1927, en goedgekeurd door Gedeputeerde Staten der Provincie Overijssel, bij besluit van 5 April 1927, in werking getreden op 6 April 1927, de hoedanigheid van werkvrijen kostgever met de daaraan verbonden rechten wordt verkregen door betaling van een, in artikel 7 van voormeld reglement bepaalde, inkoopsom, variërend naar gelang van den leeftijd van dengenen (het echtpaar), die (dat) als werkvrije kostgever wenst te worden opgenomen; dat [verweerder] zich in Juli 1942 als kostgever-werkvrij bij De Gasthuizen heeft ingekocht; dat de regenten van De Gasthuizen bij rondschrijven van 20 September 1947 aan alle kostgevers-werkvrij (dus ook aan [verweerder]) en alle kostgevers mededeelden op 16 September 1947 te hebben besloten "ter dekking van exploitatiekosten" van De Gasthuizen verhaal op hun inkomsten toe te passen, zulks vanaf den datum van het in werking treden der Noodwet Ouderdomsvoorziening, zijnde 1 October 1947, ten bedrage van f.4,- per week voor een alleenstaande en van f. 6, - per week voor een echtpaar, alsmede op gemelden datum te hebben besloten, dat bij verpleging in de ziekenafdeling van De Gasthuizen alle inkomsten tot een maximum van f.14,- per persoon en per week moeten worden overgedragen; dat de regenten van De Gasthuizen vervolgens ten aanzien van den toeslag, welke met ingang van 1 November 1948 van regeringswege op de uitkeringen ingevolge de Noodwet Ouderdomsvoorziening werd gegeven, alsmede ten aanzien van de verhogingen van deze uitkeringen, met ingang onderscheidenlijk van 1 Januari en 1 September 1950 en 1 April 1951 verleend, telkens hebben besloten een gedeelte van dezen toeslag en verhogingen in te houden als nader bij dagvaarding vermeld; dat de regenten bedoelde door hen genomen besluiten ook ten aanzien van kostgevers- werkvrij hebben uitgevoerd door het verrichten van inhoudingen op de aan hen, dus ook aan [verweerder], toekomende uitkeringen krachtens de Noodwet Ouderdomsvoorziening; dat de door regenten genomen besluiten hierboven bedoeld met betrekking tot de kostgevers-werkvrij, die door vermelde besluiten zijn getroffen, waaronder [verweerder], zijn nietig, althans vernietigbaar, althans te hunnen aanzien niet van kracht; dat toch deze besluiten in strijd zijn met het hierboven genoemde reglement, krachtens hetwelk tegen betaling van een bepaald, in artikel 7 genoemd, bedrag de hoedanigheid van kostgever-werkvrij met de daaraan verbonden rechten als onderdak en verzorging wordt verkregen en zulks voor het leven, daar er in dit reglement geen artikel voorkomt, dat een besluit tot het vorderen van betalingen boven de betaalde inkoopsom toestaat of voor een zodanig besluit ruimte laat; dat althans deze besluiten in strijd zijn met de billijkheid; dat dit een en ander ook geldt voor het besluit, bij rondschrijven van regenten van 27 December 1952 medegedeeld "tot verhoging der huidige vergoedingen" met ingang van 1 Januari 1953, welk besluit met betrekking tot de kostgevers-werkvrij is toegepast onder meer, zoals ten aanzien van [verweerder], door inhouding op de hun toekomende ouderdomsuitkering; dat de regenten, ondanks de daartoe gedane sommatie, weigeren de op grond van de hierboven bedoelde besluiten ten onrechte ingehouden bedragen, in totaal f.1394,85, aan [verweerder] uit te betalen;

dat [verweerder] op deze gronden heeft gevorderd te verklaren dat bedoelde besluiten te zijnen aanzien zijn nietig, althans niet van kracht, althans deze besluiten nietig te verklaren, alsmede De Gasthuizen te veroordelen om aan [verweerder] ter zake voormeld een bedrag van f.1394,85 te betalen;

dat De Gasthuizen deze vorderingen heeft bestreden, onder meer aanvoerende dat [verweerder] op 14 Juli 1942 als werkvrije kostgever tegen betaling van een bedrag van f.1800,- te weten f.900, - voor het feit dat hij niet 5 jaar voorafgaande aan zijn opneming in [woonplaats] had gewoond (artikel 2 van het Reglement), f.800, - voor het worden van "werkvrij" en f.100,- voor begrafeniskosten, door De Gasthuizen is opgenomen;

dat werkvrije kostgevers voor het door hen betaalde entreegeld slechts recht hebben op een beter ingerichte kamer en op het vrijgesteld zijn van het verrichten van de werkzaamheden, die anders aan de kostgevers in de gestichten kunnen worden opgedragen (vergelijk artikel 5 van het Reglement van 1927);

dat werkvrije kostgevers, zoals [verweerder], die zich zelf het noodzakelijk levensonderhoud niet kunnen verschaffen en ook niet ontvangen van anderen, ingevolge de Wet tot het verstrekken daarvan gehouden, dus zijn "ondersteunden" in den zin van de Armenwet;

dat de stelling van [verweerder], dat hij als werkvrije kostgever een inkoopsom aan De Gasthuizen heeft betaald, waardoor hij het recht zou hebben verkregen op levenslange verzorging, dat wil zeggen kost en inwoning, dus onjuist is;

dat de Rechtbank, na bij vonnis van 31 Maart 1954 een comparitie van partijen te hebben bevolen, bij eindvonnis van 2 Maart 1955 aan [verweerder] zijn vorderingen tegen De Gasthuizen heeft ontzegd, na onder meer te hebben overwogen:

"dat tussen partijen vaststaat, dat de kostkopers zich door de betaling van een inkoopsom een recht op levenslange verpleging en verzorging in De Gasthuizen kochten en de vraag moet worden beantwoord, of hetzelfde geldt voor [verweerder], die voor zijn opneming als kostgever- werkvrij voormeld bedrag voldeed;

dat hierbij in de eerste plaats het bedrag van f.900,-, hetwelk eiser betaalde, omdat hij niet te [woonplaats] woonachtig was, buiten beschouwing moet blijven; dat immers betaling van dit bedrag de voorwaarde was, waaraan moest worden voldaan, opdat op grond van het bepaalde bij het tweede lid van artikel 2 van het Reglement dispensatie zou worden verleend van het krachtens het eerste lid van genoemd artikel in het algemeen voor opneming gestelde vereiste van het zijn van ingezetene der gemeente [woonplaats], en die betaling mitsdien niet is te beschouwen als een deel van de praestatie van [verweerder] staande tegenover de praestatie van De Gasthuizen; dat het bedrag van f.100,-, door [verweerder] betaald voor de kosten van zijn begrafenis, evenzeer buiten aanmerking moet worden gelaten;

dat derhalve tegenover de door De Gasthuizen te leveren praestatie, bestaande in het levenslang verstrekken van verpleging en verzorging aan [verweerder], slechts stond de betaling van een bedrag van f. 800, -;

dat bij gelegenheid van de comparitie namens De Gasthuizen door de comparant Don is verklaard, dat omstreeks 1940 als kosten voor de verpleging van een persoon per jaar een bedrag van f. 180, - werd gerekend;

dat dit bedrag stellig niet te hoog voorkomt en door [verweerder] ook niet is bestreden, weshalve de Rechtbank van oordeel is dit bedrag als juist te kunnen aanvaarden; dat de waarde van een lijfrente van f. 180, - per jaar voor een 65-jarige, als [verweerder] ten tijde van zijn opneming in De Gasthuizen was, voor de regeling van het recht van successie, volgens de tabel van artikel 47, on- der le, sub e der Successiewet, wordt bepaald op acht maal f.180,- is f.1440, -;

dat dan ook moet worden aangenomen, dat de waarde van de in 1942 door De Gasthuizen aan [verweerder] toegezegde verpleging en verzorging was te stellen op f.1440, -;

dat met dit resultaat in overeenstemming is het feit, dat men, blijkens artikel 7 van het Reglement van 1927, in 1942 als vijf-en-zestigjarige een bedrag van f.1500,- moest betalen, ten einde zich als kostkoper in de vierde (laagste) klasse in te kopen en zich aldus een recht op levenslange verpleging en verzorging op de bescheidenste voet te verzekeren;

dat derhalve niet kan worden aangenomen, dat door de betaling van f.800,- de door De Gasthuizen ten behoeve van [verweerder] te maken kosten geheel worden vergolden;

dat hieruit volgt, dat [verweerder] ten tijde van zijn opneming in De Gasthuizen niet ten volle uit eigen middelen in zijn behoeften kon voorzien en, voorzover de kosten door De Gasthuizen gemaakt en nog te maken niet als door de betaling van het bedrag van f. 800,- vergolden kunnen worden beschouwd, die kosten als kosten van armenverzorging in de zin der wet moeten worden aangemerkt;"

dat [verweerder] tegen beide vonnissen in hoger beroep is gekomen en het Hof bij het bestreden arrest - na te hebben overwogen dat [verweerder] geen enkel belang heeft bij vernietiging van het interlocutoire vonnis der Rechtbank - ten aanzien van de tweede tegen het eindvonnis aangevoerde grief, dat de Rechtbank aan [verweerder] ten onrechte zijn vordering heeft ontzegd, onder meer heeft overwogen:

"dat [verweerder] zijn vorderingen hierop steunt, dat de kostgevers werkvrij evenals de kostkopers voor hun verzorging en verpleging tot de dood toe door het storten van een inkoopsom hebben betaald en daarop een recht hebben verkregen, zodat boven de voor dit recht verleende tegenpraestatie generlei verhaal op inkomsten der kostgevers werkvrij mogelijk is;

dat De Gasthuizen hiertegenover heeft gesteld, dat de kostgevers werkvrij tegenover de door hen bij hun intrede betaalde geldsom, genaamd "intreegeld", slechts verkregen het recht op vrij wonen benevens enige voorrechten boven de kostgevers, die niets betaalden, doch dat hun verpleging ten laste van De Gasthuizen komt, en zij dus in zoverre als ondersteunden zijn aan te merken op wier inkomsten verhaal krachtens de Armenwet en de Noodwet Ouderdomsvoorziening mogelijk is;

dat voor de vraag, of de kostgevers werkvrij evenals de kostkopers geacht moeten worden dit recht geheel onder bezwarende titel dan wel ten dele om niet te hebben gekregen, de geschiedenis der instelling, waarop partijen zich beroepen, evenmin als de tekst van de Reglementen een afdoende oplossing geeft;

dat de tekst van het reglement zelfs voor de kostkopers niet buiten twijfel stelt, dat zij de hun verschafte verzorging volledig betalen, doch hier de geschiedenis wel een duidelijke aanwijzing geeft om dit aan te nemen;

dat begrijpelijk is, dat de Rechtbank ter beoordeling van de vraag, of de kostgevers werkvrij hun verzorging en verpleging geheel dan wel gedeeltelijk hadden "betaald", is getreden in een onderzoek naar de grootte der praestatie hunnerzijds in vergelijking met wat daarvoor werd ontvangen;

dat de Rechtbank daarbij is uitgegaan van de kosten der verpleging en verzorging in 1940 en de tabellen van de Successiewet, die tussen 1927 en 1942 het jaar van opname van [verweerder] in het gesticht, niet zijn gewijzigd, en, waar de levensstandaard tussen die jaren niet belangrijk is gewijzigd, de critiek van [verweerder] op deze wijze van berekening het Hof niet gegrond voorkomt;

dat het Hof hierbij nog opmerkt, dat partijen geen bezwaar hebben gemaakt tegen het feit, dat de Rechtbank het bedrag van f.900,-, dat [verweerder] heeft betaald teneinde ondanks zijn wonen elders in De Gasthuizen te worden opgenomen, buiten beschouwing heeft gelaten, en dus niet kan treden in een onderzoek van de vraag, of dit bedrag wellicht ook een tegenpraestatie tegenover de toezegging van levenslange verzorging en verpleging vormde;

dat het resultaat van de berekening der Rechtbank aantoont, dat de door [verweerder] geleverde praestatie de tegenpraestatie van De Gasthuizen slechts ten dele dekte; dat hieruit echter niet zonder meer volgt, dat de overeenkomst het karakter had van een bevoordeling om niet, daar hiertoe nodig is, dat ook [verweerder] heeft begrepen, althans redelijkerwijze heeft moeten begrijpen, dat hij niet slechts een voordelige transactie afsloot, doch dat hem dit voordeel door De Gasthuizen werd verstrekt met de bedoeling om hem te ondersteunen;

dat [verweerder] zelve stelt, dat hij niet anders heeft gedacht, dan dat hij, evenals de kostkopers, zijn levenslange verzorging, zij het op een lager niveau, kocht, en dit het Hof aannemelijk voorkomt;

dat toch een eenvoudig man, als hoedanig niet slechts [verweerder], die schipper was, doch de verpleegden in gestichten als het onderhavige in het algemeen zijn aan te merken, niet plegen berekeningen te maken als ten deze door de Rechtbank verricht, en ook het door hem betaalde bedrag, al is het laag, niet zozeer te verwaarlozen is, dat [verweerder] moet hebben begrepen, dat hij door betaling ervan slechts een deel van de door hem verworven rechten betaalde, en voor het overige ondersteuning genoot;

dat ook vergelijking van de onderhavige som met die, welke de kostkopers betaalden, niet tot die gevolgtrekking behoefde te leiden;

dat toch in het Reglement van 1921 die sommen voor de 4 klassen der kostkopers en voor de kostgevers werkvrij ten aanzien van personen van de leeftijd van [verweerder] zijn vastgesteld op respectievelijk f.2700,-, f.2100,-, f.1800,-, f.1500,- en f.800, -;

dat, mede in aanmerking genomen het verschil in huisvesting en voeding, uit deze schaal niet zonder meer blijkt, dat de eerste vier categorieën moeten worden beschouwd als volledig betalende bewoners en de laatste als voor een belangrijk deel ondersteunden;

dat ook niet blijkt, dat aan [verweerder] dit onderscheid door De Gasthuizen bij zijn intrede onder het oog is gebracht, en, als boven overwogen, de inhoud der reglementen in deze geen duidelijk licht verschaft, terwijl de geschiedenis van de instelling ten deze geen rol kan spelen als aan [verweerder] onbekend, nog daargelaten, dat ook deze geschiedenis de vraag niet beantwoordt;

dat ook het door De Gasthuizen vermelde feit, dat reeds vóór de intrede van [verweerder] verhaal op de inkomsten der kostgevers werkvrij somtijds plaatsvond, niet tot een andere opvatting kan leiden, nu niet voldoende is gesteld of gebleken, dat [verweerder] hiermede bekend was;

dat dus de overeenkomst tussen [verweerder] en De Gasthuizen gezien moet worden als een onder bezwarende titel; dat thans aan de hand van de aldus vastgestelde rechtsverhouding van partijen moet worden nagegaan, of en in hoeverre de door [verweerder] ingestelde vorderingen gegrond zijn;

dat [verweerder] allereerst heeft gevorderd verklaring voor recht, dat een zestal besluiten van het Bestuur van De Gasthuizen te zijnen aanzien nietig of onverbindend is;

dat deze besluiten alle de strekking hebben, verhaal op de inkomsten der kostgevers werkvrij uit te oefenen boven het bij hun intrede betaalde bedrag;

dat het laatste besluit nog verder gaat, immers strekt tot het in rekening brengen aan alle verpleegden, ook aan hen, die bij hun intrede een bedrag betaalden, van wekelijkse bedragen, waarop slechts de nog aanwezige reserves der betaalde bedragen in mindering zouden komen; dat blijkens het boven overwogene al deze besluiten in strijd zijn met de tussen partijen gesloten overeen- komst en derhalve onverbindend voor [verweerder];

dat, wat in het bijzonder het verhaal krachtens artikel 15 Noodwet Ouderdomsvoorziening betreft, de tekst van dit artikel, dat de mogelijkheid opent, voor zover hier van belang, dat aan een door het openbaar gezag erkende instelling van weldadigheid - wat De Gasthuizen onbetwist zijn -, te wier laste de kosten van verzorging of verpleging in een gesticht van iemand, aan wie een ouderdomsuitkering is toegekend, komen, binnen zekere grenzen de ouderdomsuitkering wordt uitbetaald, aanleiding zou kunnen geven tot de opvatting, dat deze bepaling ook zou kunnen worden toegepast, indien de instelling tevoren voor de te verschaffen verzorging en verpleging een tegenpraestatie heeft ontvangen, die onvoldoende blijkt, doch het Hof deze opvatting als strijdig met de zin der bepaling verwerpt;

dat deze toch niet ten doel heeft, de instelling tegemoet te komen in tegenvallers, voorkomende uit een te lage schatting van het te verstrekken onderhoud, doch veeleer, om een eenvoudig verhaal mogelijk te maken op de inkomsten van hen, die van de instelling ondersteuning genieten;

dat [verweerder] in de tweede plaats vordert betaling aan hem van door De Gasthuizen op de aan deze uitbetaalde ouderdomsuitkering te zijnen name ingehouden bedragen, tezamen f.1394,85 (ten rechte f.1334,85);

dat De Gasthuizen dit bedrag berekenen op f. 1272,37, en het Hof, waar [verweerder] zijn stelling niet nader adstrueert, dit laatste als juist aanneemt;

dat uit het boven overwogene volgt, dat het verzoek door De Gasthuizen aan de Raad van Arbeid tot uitbetaling aan hen van de aan [verweerder] toekomende uitkering ten onrechte is gedaan en ingewilligd, en eveneens ten onrechte het ontvangene niet ten volle aan [verweerder] is uitgekeerd;

dat hieruit echter nog niet volgt, dat [verweerder] nu van De Gasthuizen het hem onthoudene rechtstreeks kan invorderen;

dat toch, indien een debiteur (in casu de Raad van Arbeid) een aan een crediteur ([verweerder]) verschuldigd bedrag ten onrechte aan een derde (De Gasthuizen) uitbetaalt, de crediteur dit bedrag alsnog van de debiteur kan vorderen en deze het als onverschuldigd betaald van de derde kan terugeisen, doch de wet een rechtstreekse actie van de crediteur tegen de derde niet kent;

dat echter de stellingen van [verweerder] de elementen bevatten van een eis tot schadevergoeding wegens onrechtmatige daad;

dat immers een verzoek aan de Raad van Arbeid tot uitbetaling van bedragen, die aan [verweerder] toekomen, buiten het in de wet voorziene geval, alsmede de inhouding van het aldus ten onrechte ontvangene, zijn onrechtmatig, en deze handelingen aan De Gasthuizen kunnen worden verweten - [verweerder] stelt bij pleidooi zelfs kwade trouw - nu zij het onrechtmatig karakter moesten kennen, terwijl in de stellingen van [verweerder] voorts voldoende ligt opgesloten, dat hij door het niet ontvangen van deze bedragen schade heeft geleden;

dat echter de schade tot het gevorderde bedrag niet vaststaat;"

dat het Hof vervolgens nog overweegt, dat het ter bepaling van de schade wenselijk is partijen in staat te stellen een verklaring van den Raad van Arbeid te Zwolle of van de Rijksverzekeringsbank over te leggen;

dat het Hof op deze gronden, met bekrachtiging van het interlocutoir vonnis der Rechtbank het eindvonnis van 2 Maart 1955 heeft vernietigd en de in de dagvaarding genoemde besluiten van het Bestuur van De Gasthuizen ten aanzien van [verweerder] nietig en onverbindend heeft verklaard, en, alvorens verder te beslissen, partijen in de gelegenheid heeft gesteld een verklaring van den Raad van Arbeid te Zwolle of van de Rijksverzekeringsbank over te leggen;

Overwegende dat De Gasthuizen tegen dit arrest als middelen van cassatie heeft voorgedragen:

I. "Schending en/of verkeerde toepassing van de artikelen 1269, 1270, 1275, 1276, 1278, 1349, 1350, 1355, 1356, 1357, 1358, 1369, 1371, 1372, 1374, 1375, 1376, 1378, 1379, 1380, 1381, 1382, 1383, 1384, 1385, 1386, 1493, 1494, 1501, 1509, 1510, 1549, 1569, 1570, 1703, 1811, 1812, 1821 van het Burgerlijk Wetboek, 48 van het Wetboek van Burgerlijke Regtsvordering, 1, 2, 17, 18, 19, 20, 21, 28, 29, 30, 31, 38, 54, 57, 63, 64 der Armen- wet, 6 van het Koninklijk Besluit van 18 juli 1912 Staatsblad 264, gelijk sedert gewijzigd, 4, 5, 6, 7, 8, 9, 10, 11, 12, 13, 14, 15, 17, 20, 21, 22, 23, 28, 31 der Noodwet Ouderdomsvoorziening,

doordat het Hof, na te hebben overwogen, dat het geschil tussen partijen of al dan niet verweerder - [verweerder] - en in het algemeen de "kostgevers-werkvrij" tegenover de bij hun intrede betaalde geldsom, slechts verkregen recht op vrij wonen benevens enige voorrechten boven de kostgevers, die niets betaalden, maar hun verpleging ten laste van eiseres in cassatie - De Gasthuizen - komt en [verweerder] in zoverre dus als ondersteunde is aan te merken op wiens inkomsten verhaal krachtens Armenwet en Noodwet Ouderdomsvoorziening mogelijk is, niet wordt opgelost door de terminologie van het Reglement noch door de geschiedenis der instelling, en dat begrijpelijk is dat de Rechtbank ter beoordeling van de vraag, of de kostgevers werkvrij hun verzorging en verpleging geheel dan wel gedeeltelijk hadden betaald, is getreden in een onderzoek naar de grootte der praestatie hunnerzijds in vergelijking met wat daarvoor werd ontvangen, en dat het resultaat van de berekening der Rechtbank aantoont, dat de door [verweerder] geleverde praestatie de tegenpraestatie van De Gasthuizen slechts ten dele dekte op de gronden hierboven weergegeven heeft overwogen, dat dus de overeenkomst tussen [verweerder] en De Gasthuizen gezien moet worden als een onder bezwarende titel waaraan het Hof de conclusie heeft verbonden, dat de besluiten van het Bestuur van De Gasthuizen, die de strekking hadden verhaal op de inkomsten der kostgevers werkvrij uit te oefenen boven het bij hun intrede betaalde bedrag en tot het in rekening brengen van zekere bedragen, in strijd zijn met de tussen partijen gesloten overeenkomst en derhalve onverbindend voor [verweerder].

Aldus ziet het Hof ten onrechte over het hoofd, dat nu, naar het Hof als uitgangspunt vaststelt, althans in het midden laat, De Gasthuizen, een instelling van weldadigheid, die bij intrede van kostgevers en kostgevers werkvrij, hun het recht verleende op levenslange verzorging en verpleging, aan de kostgevers werkvrij het voor dezen in die transactie gelegen voordeel verstrekte met de bedoeling hen (en ook [verweerder]) te ondersteunen, de omstandigheid, dat [verweerder] zulks niet zou hebben begrepen en dat [verweerder] zou hebben gedacht, dat hij zijn levenslange verzorging kocht, niet meebrengt, dat nu ook de overeenkomst de inhoud en strekking heeft, die in tegenstelling tot De Gasthuizen slechts deze partij onder de door het Hof gestelde omstandigheden daaraan toekende, en veeleer de bij De Gasthuizen bestaande bedoeling om te ondersteunen de transactie in zover stempelt tot een bevoordeling om niet.

De door het Hof vermelde omstandigheden, waaronder niet voorkomt, dat De Gasthuizen, een instelling van weldadigheid in de zin der Armenwet, wist of had behoren te weten of te begrijpen, dat [verweerder] een van de hare afwijkende opvatting had, noch dat aan [verweerder] onbekend was, dat De Gasthuizen reeds vóór zijn intrede verhaal op de inkomsten van de kostgevers werkvrij toepaste en evenmin, dat aan De Gasthuizen te verwijten is, dat [verweerder] een verkeerde indruk had van de transactie, kunnen het oordeel van het Hof niet rechtvaardigen, dat, ofschoon de door [verweerder] geleverde prestatie die van De Gasthuizen slechts ten dele dekte en De Gasthuizen het verschil als ondersteuning verstrekte, desondanks de overeenkomst als geheel onder bezwarende titel moet worden beschouwd.

Ten onrechte heeft het Hof zich niet door de objectief aanwezige bevoordeling en de bedoeling van De Gasthuizen, die de bevoordeling verstrekte laten leiden, en geoordeeld, dat voor toekenning aan de overeenkomst van het karakter van bevoordeling om niet nodig was, dat [verweerder] begreep of redelijkerwijze heeft moeten begrijpen, dat De Gasthuizen daarbij de bedoeling had hem te ondersteunen.

Bovendien heeft het Hof uit het oog verloren, dat, onder de door het Hof aangenomen omstandigheden, de overeenkomst behoorde te worden uitgelegd ten nadele van [verweerder], die zich de praestaties van De Gasthuizen had bedongen en ten voordele van De Gasthuizen, die zich tot het verschaffen van verzorging en verpleging had verbonden.

II Schending en/of verkeerde toepassing van de artikelen aangehaald onder I en voorts van de artikelen 175 der Grondwet, 20 der Wet op de Regterlijke Organisatie en het beleid der Justitie, 1, 5, 59, 103, 104, 134, 199, 200, 347, 348, 353 van het Wetboek van Burgerlijke Regtsvordering, 1388, 1390, 1391, 1392, 1393, 1394, 1395, 1396, 1397, 1398, 1401, 1402, 1417, 1418, 1421, 1422, 1837, 1838, 1839, 1842, 1849, 1902, 1903 van het Burgerlijk Wetboek,

doordat het Hof met betrekking tot de door [verweerder] in de tweede plaats gevorderde betaling aan hem van door De Gasthuizen op de aan deze uitbetaalde ouderdomsuitkering te zijnen name ingehouden bedragen, tezamen f.1394,85 (ten rechte f.1334,85) heeft overwogen gelijk hierboven is weergegeven

en vervolgens tot bepaling van de schade overlegging van een in het arrest omschreven verklaring van de Raad van Arbeid te Zwolle of van de Rijksverzekeringsbank heeft verzocht.

a. Waar naar het Hof terecht stelt [verweerder] een aan hem verschuldigd bedrag dat de Raad van Arbeid ten onrechte aan een derde - De Gasthuizen - zou hebben uitbetaald, alsnog van zijn debiteur - de Raad van Arbeid - kan vorderen is onbegrijpelijk en daarmede in strijd, waardoor het arrest niet naar de eis der wet met redenen omkleed is, en bovendien onjuist, dat tegenover [verweerder] De Gasthuizen dat ten onrechte door de Raad van Arbeid aan haar uitgekeerde bedrag zou behoren uit te keren aan [verweerder], en dat zij dat ontvangen bedrag tegenover [verweerder] ten onrechte niet aan deze heeft uitgekeerd.

b. Evenzeer komt het Hof met zichzelf in tegenspraak en is het arrest onbegrijpelijk, waardoor het niet naar de eis der wet met redenen is omkleed, en bovendien onjuist, wanneer het in beginsel aanneemt, dat [verweerder] door het niet ontvangen van de door de Gasthuizen ontvangen bedragen schade heeft geleden tot het door hem gevorderde door De Gasthuizen op de aan deze uitbetaalde ouderdomsuitkering te zijnen name ingehouden bedragen, zij het dat daarop een aftrek zou dienen te worden toegepast als door het Hof aangeduid, die naar het Hof mogelijk oordeelt die gevorderde bedragen zelfs wellicht zal kunnen overtreffen. Bij behoud van de actie tegen de Raad van Arbeid heeft [verweerder] geen schade geleden, doordat De Gasthuizen ten onrechte van de Raad van Arbeid betalingen heeft gekregen, en kan hij ook geen aanspraak maken op vergoeding van zulke schade, nu een toe te wijzen schadevergoeding ook niet in mindering zou komen op de schuld van de Raad van Arbeid.

c. Nu [verweerder] slechts betaling heeft gevorderd aan hem van door De Gasthuizen op de aan deze uitbetaalde ouderdomsuitkering te zijnen name ingehouden bedragen, en geenszins vergoeding van door hem geleden schade, had het Hof niet met aanvulling of wijziging van het door [verweerder] ingeroepen rechtsmiddel mogen oordelen, dat in beginsel op [verweerder] posita een schadevergoeding uit hoofde van onrechtmatige daad toegewezen zou kunnen worden.

d. Ten onrechte achtte het Hof ten aanzien van [verweerder] onrechtmatig het richten van een verzoek tot de Raad van Arbeid als bedoeld in artikel 15 van de Noodwet Ouderdomsvoorziening buiten het in de wet voorziene geval, alsmede de inhouding van het aldus ontvangene.

Nu, naar het Hof terecht overwoog, [verweerder] dit bedrag alsnog van zijn debiteur kan terugeisen of kan opeisen, zijn deze gedragingen tegenover [verweerder] niet onrechtmatig. Waar de Raad van Arbeid, die met de uitvoering van de Noodwet Ouderdomsvoorziening is belast niet verplicht is aan een verzoek volgens artikel 15 te voldoen, en zulk verzoek zelfstandig heeft te beoordelen, en nu niet is gesteld of aangenomen, dat De Gasthuizen bij het doen van haar verzoek de Raad van Arbeid onjuist heeft voorgelicht of niet zo volledig als zij dat zou hebben gekund, mocht het Hof het indienen van een dergelijk verzoek niet onrechtmatig oordelen, ook al is het van mening, dat de toewijzing van dat verzoek niet in overeenstemming was met de rechtsverhouding tussen partijen zoals het Hof die beoordeeld heeft.

Ingevolge artikel 15 der Noodwet ontvangt de instelling van weldadigheid van de Raad van Arbeid de uitbetaling voor zichtzelf. Ook al is de uitkering haar ten onrechte toegekend, dan bestaat er voor haar geen rechtsverplichting om het bedrag aan hem af te dragen aan wie de ouderdomsuitkering is toegekend, maar veeleer aan de Raad van Arbeid.

's Hofs stelling, dat inhouding van het ten onrechte ontvangene onrechtmatig zou zijn komt bovendien in strijd met 's Hofs oordeel, dat, indien De Gasthuizen geen uitbetaling zou hebben verzocht de Raad van Arbeid met toepassing van artikel (5, lees) 6 lid 3 der Noodwet een bedrag in mindering op de uitkering zou hebben gebracht, dat zelfs misschien wel het door [verweerder] gevorderde zou overtreffen, waaruit moet volgen, dat [verweerder] geen aanspraak op volledige en misschien wel niet op enige verdere afdracht kon maken, nu hij in het geheel geen of minder recht op ouderdomsuitkering zou blijken te hebben, waardoor het arrest op dit punt onbegrijpelijk wordt en niet naar de eis der wet met redenen omkleed is.

e. Ten onrechte oordeelde het Hof, dat de in dit middel onder d vermelde, door het Hof onrechtmatig geachte handelingen aan De Gasthuizen kunnen worden verweten, nu zij het onrechtmatig karakter moet kennen, waaraan het toevoegt, dat [verweerder] bij pleidooi zelfs kwade trouw stelde,

Daarbij ziet het Hof over het hoofd dat om aldus schuld bij De Gasthuizen aan te nemen gesteld en behoorlijk bewezen zou moeten zijn, dat De Gasthuizen wist dat [verweerder] bij het aangaan van de transactie bij zijn intrede niet heeft begrepen en niet wist, dat De Gasthuizen hem het daarbij verschafte voordeel verstrekte met de bedoeling om hem te ondersteunen, maar dacht, dat hij - in strijd met haar gemanifesteerde bedoeling ten aanzien van kostgevers werkvrij - zijn levenslange verzorging kocht, al hetgeen noch gesteld noch bewezen is, terwijl het oordeel dat De Gasthuizen het onrechtmatig karakter moest kennen ten onrechte iedere motivering ontbeert, waardoor het arrest niet naar de eis der wet met redenen is omkleed.";

Overwegende dat [verweerder] zijnerzijds tegen het arrest incidenteel als middel van cassatie heeft voorgedragen:

"Schending en/of verkeerde toepassing van de artikelen 48, 59, 103, 104, 199, 200, 347, 348, 353 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, 1395, 1396, 1397, 1398, 1399, 1400, 1902, 1903 van het Burgerlijk Wetboek, 12, 15, 19, 21 van de Noodwet Ouderdomsvoorziening, 20 der Wet op de Rechterlijke Organisatie, 175 der Grondwet; doordat het Hof met betrekking tot de door [verweerder] in de tweede plaats gevorderde betaling aan hem van door De Gasthuizen op de aan deze uitbetaalde ouderdomsuitkering te zijnen name ingehouden bedragen, tezamen f.1394,85 (ten rechte f.1334,85) heeft overwogen, als hierboven nader weergegeven, dat [verweerder] het hem onthoudene niet rechtstreeks kan invorderen,

zulks ten onrechte omdat

1) het Hof niet mocht aannemen dat [verweerder] nog een vordering heeft op de Raad van Arbeid tot een bedrag van f.1.272,37 of althans tot een lager bedrag dat hem ten onrechte niet is uitgekeerd, nu

a) de feitelijke grondslag daarvoor niet door een der partijen was gesteld en bewezen of anderszins ten processe was gebleken, waarbij nog komt dat voor het nog bestaan van zulk een vordering onder meer vereist is dat de termijnen zijn ingevorderd binnen een jaar na afloop van de kalendermaand waarin zij voor het eerst betaalbaar waren (hetgeen niet is geschied), en [verweerder] niet op straffe van verlies van zijn recht gehouden was dit in de dingtalen te stellen nu door De Gasthuizen niet was gesteld dat die vordering van [verweerder] op de Raad van Arbeid nog bestond;

b) althans het Hof een en ander had behoren te onderzoeken en in zoverre het arrest niet naar de eis der wet heeft gemotiveerd;

2) De Gasthuizen ongegrond is verrijkt ten koste van [verweerder] en deze daarom een vordering heeft op De Gasthuizen voor het bedrag dat aan [verweerder] door de Raad van Arbeid had moeten zijn uitgekeerd maar dat nu (met eventueel nog meer) is uitgekeerd aan De Gasthuizen, waarbij aangetekend wordt:

primair, dat zulk een vorderingsrecht bestaat onafhankelijk van de vraag of [verweerder] alsnog een vordering terzake op de Raad van Arbeid heeft,

subsidiair, dat althans [verweerder] een vordering op het hem door de Raad van Arbeid oorspronkelijk verschuldigde bedrag niet meer heeft, althans het Hof daarvan niet als tussen partijen vaststaande had mogen uitgaan. ";

Overwegende dat het Hof - na te hebben vastgesteld, dat tegenover de door De Gasthuizen jegens [verweerder] als kostgever-werkvrij aanvaarde verplichting tot levenslange verzorging en verpleging slechts staat de betaling door [verweerder] van een som van f. 800, - ineens en dat dit bedrag, uitgaande van de kosten der verpleging en verzorging ten tijde van de opneming, de door De Gasthuizen te verrichten praestatie slechts ten dele dekte - ter beantwoording van de vraag of [verweerder] desniettemin geacht moet worden het recht op de gehele praestatie van De Gasthuizen tegen betaling te hebben verkregen, dan wel of hij voor wat betreft het niet door het gestorte geldsbedrag gedekte deel van zijn verzorging en verpleging als een ondersteunde is aan te merken, op wien verhaal krachtens Armenwet en Noodwet Ouderdomsvoorziening mogelijk is, heeft onderzocht of de overeenkomst het karakter had van een bevoordeling om niet, waartoe, naar het Hof overweegt, nodig is dat ook [verweerder] heeft begrepen, althans moeten begrijpen, dat hem het in de overeenkomst gelegen voordeel door De Gasthuizen werd verstrekt met de bedoeling hem te ondersteunen;

dat het Hof vervolgens, na te hebben overwogen dat niet is gebleken dat [verweerder] zulks had moeten begrijpen, heeft aangenomen dat de overeenkomst tussen [verweerder] en De Gasthuizen in haar geheel als een overeenkomst onder bezwarenden titel moet worden beschouwd;

Overwegende dat het eerste principale middel terecht dit oordeel bestrijdt met de in den aanhef daarvan vervatte stelling, dat de omstandigheid dat [verweerder] niet zou hebben begrepen dat De Gasthuizen - een instelling van weldadigheid - hem het in de overeenkomst gelegen voordeel verstrekte met de bedoeling hem te ondersteunen, niet rechtvaardigt de daaraan door het Hof verbonden conclusie, dat de overeenkomst moet worden gezien als een onder bezwarenden titel;

Overwegende toch, dat - al moge het Hof met het oog op de in zijn overwegingen gebruikte tegenstelling: "overeenkomst onder bezwarenden titel en overeenkomst om niet" terecht, voor het geval twee ongelijkwaardige verplichtingen tegenover elkaar staan en dus de ene partij ten koste van de andere uit de overeenkomst een voordeel geniet, zijn uitgegaan van den regel dat een overeenkomst om niet alleen dan zal mogen worden aangenomen, indien bewezen wordt dat tussen partijen omtrent de bedoeling tot bevoordeling om niet (de schenkingsbedoeling) wilsovereenstemming bestaat - deze tegenstelling en deze regel geen rol kunnen spelen voor de beantwoording van de vraag of in een geval als zich hier voordoet, waarin de door een instelling van weldadigheid bedongen tegenpraestatie geringer is dan de waarde van de aan den te verzorgen persoon toegezegde verzorging, al dan niet toepasselijk zijn de in de Armenwet en de Noodwet Ouderdomsvoorziening gegeven bepalingen omtrent de mogelijkheid var verhaal voor de ten laste van zodanige instelling komende kosten van verzorging en verpleging;

dat het toepasselijk zijn van bedoelde bepalingen immers niet - zoals het Hof schijnt aan te nemen - daarvan kan afhangen dat de betrokken instelling het door de bedongen vergoeding niet gedekte deel van de verzorging verstrekt met de door den verzorgden persoon begrepen bedoeling om hem om niet te bevoordelen, in welk geval er zou zijn een ten titel van schenking verkregen recht op levensonderhoud, waarbij - evenmin als bij verkrijging daarvan ten titel van koop - van verhaal wegens gemaakte kosten van armenverzorging geen sprake kan zijn;

Overwegende dat tegenover de mogelijkheid dat de door de verzorgende instelling bedongen tegenpraestatie heeft te gelden als vergoeding voor de gehele verzorging - en in verband daarmede verhaal is uitgesloten - als mogelijkheid, waarbij verhaal krachtens Armenwet of artikel 15 Noodwet Ouderdomsvoorziening wel is toegelaten, slechts kan staan, dat de instelling het door de tegenpraestatie niet gedekte deel van de verzorging verstrekt ten titel van armenverzorging, dat wil zeggen niet ter bevoordeling om niet, doch ter verschaffing van het noodzakelijk levensonderhoud, waarin de te verzorgen persoon met behulp enkel van het gestorte geldsbedrag niet zelf kon voorzien en waarvan de instelling daarom de kosten voor haar rekening neemt behoudens de mogelijkheden van verhaal, welke Armenwet en Noodwet Ouderdomsvoorziening geven;

Overwegende dat voor de beantwoording van de vraag welke van deze mogelijkheden zich in een gegeven geval voordoet, gelet op de doeleinden welke een instelling van weldadigheid in het algemeen nastreeft, als regel zal moeten worden aangenomen, dat indien een instelling van weldadigheid iemand ter verzorging opneemt tegen betaling van een geldsbedrag dat naar de maatstaven geldend ten tijde van de opneming ontoereikend is om de kosten daarvan te dekken, zodat deze deels ten laste van de instelling komen, de verzorging voor dit deel zal worden verleend bij wijze van ondersteuning - derhalve ten titel van armenverzorging met de daaraan verbonden mogelijkheid van verhaal - en dat, als het bijzondere geval, zal moeten worden bewezen dat het anders is en dat partijen zijn overeengekomen, dat het ontoereikende geldsbedrag zou gelden als betaling voor de door de instelling te verschaffen verzorging en verpleging in haar geheel;

dat van dit laatste in het onderhavige geval geen sprake is nu het Hof kennelijk als vaststaande aanneemt, dat De Gasthuizen de bedoeling had het door de storting van f.800,- niet gedekte deel van de verzorging en verpleging als ondersteuning aan [verweerder] te verstrekken, terwijl hetgeen het Hof heeft overwogen omtrent het begrijpelijkerwijs bij [verweerder] ontbrekend inzicht in de juiste betekenis van de transactie geenszins insluit, dat De Gasthuizen bij de opneming aan [verweerder] grond heeft gegeven om in redelijkheid te vertrouwen dat de storting van de f.800,- een volledige betaling betekende;

Overwegende dat mitsdien het eerste principale middel gegrond is en het bestreden arrest zal moeten worden vernietigd;

Overwegende dat dit meebrengt, dat het tweede principale middel alsmede het incidenteel voorgedragen middel van cassatie geen belang meer hebben en dus geen behandeling behoeven;

Overwegende dat de Hoge Raad ten principale recht kan doen;

Vernietigt het bestreden arrest van het Gerechtshof te Arnhem;

Bekrachtigt het daarbij vernietigde eindvonnis van de Arrondissements-Rechtbank te Zwolle van 2 Maart 1955;

Veroordeelt [verweerder] in de proceskosten aan de zijde van De Gasthuizen gevallen, begroot voor wat het hoger beroep betreft op vierhonderd gulden en voor wat de cassatie betreft tot aan deze uitspraak op acht en vijftig gulden vijf en dertig cent aan verschotten en op zevenhonderd vijftig gulden voor salaris.

Gedaan bij de Heren Donner, President, Smits, Boltjes, Hülsmann en Dubbink, Raden, en door voornoemden President uitgesproken ter openbare terechtzitting van den vijfden April 1900 zeven en vijftig, in tegenwoordigheid van den Advocaat-Generaal Langemeijer.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl NJ 1959/3 met annotatie van D.J. Veegens
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?