ECLI:NL:PHR:1957:6

ECLI:NL:PHR:1957:6, Parket bij de Hoge Raad, 21-02-1957, 9056

Instantie Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak 21-02-1957
Datum publicatie 09-01-2026
Zaaknummer 9056
Rechtsgebied Civiel recht
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:HR:1957:140

Samenvatting

Door Gasthuis (instelling van weldadigheid) aanvaarde verplichting tot levenslange verzorging tegen betaling van een som ineens. Mogelijkheid van verhaal krachtens Armenwet en Noodwet Ouderdomsvoorziening van kosten van verzorging, voorzover niet door tegenprestatie gedekt.

Uitspraak

B.

No. 9056

Zitting 21 februari 1957.

Mr. s'Jacob.

De Burgerlijke Instelling van Weldadigheid De Verenigde Gast- en Proveniershuizen,

contra

[verweerder] .

Edele Hoog Achtbare Heren,

Verweerder in cassatie, [verweerder], is in juli 1942 als z.g. kostgever-werkvrij opgenomen in het gesticht te Kampen van verweerster in cassatie, de Burgerlijke Instelling van Weldadigheid De Verenigde Gast- en Proveniershuizen - verder te noemen de Gasthuizen -, bij welke gelegenheid werd overeengekomen, dat de Gasthuizen aan [verweerder] levenslang in haar gesticht verzorging en verpleging zouden verschaffen tegen betaling door [verweerder] van een geldsbedrag, dat door [verweerder] als inkoopsom, door de Gasthuizen als intreegeld werd beschouwd.

In de loop van de jaren 1947 t/m 1953 hebben de gasthuizen, in de overtuiging, dat de kosten van de verzorging van [verweerder] althans ten dele te haren laste kwamen, als instelling van weldadigheid, door het openbaar gezag erkend, regelmatig verhaal uitgeoefend op de inkomsten van [verweerder], door zich op grond van het bepaalde in art. 15 der Noodwet Ouderdomsvoorziening door de Raad van Arbeid te doen uitbetalen de ingevolge die wet aan [verweerder] toekomende ouderdomsuitkeringen.

[verweerder], in de mening dat de Gasthuizen niet gerechtigd waren de hem toekomende uitkering in ontvangst te nemen en voor zijn verzorging aan te wenden, heeft de Gasthuizen gedagvaard voor de Rechtbank te Zwolle en gevorderd : nietigverklaring van de besluiten van de Gasthuizen waarbij tot dat verhaal was besloten, alsmede veroordeling van de Gasthuizen tot betaling aan hem van de bedragen, die als boven vermeld door de Gasthuizen van de Raad van Arbeid waren ontvangen en niet aan hem waren uitgekeerd, zulks op verbeurte van een dwangsom.

De Rechtbank heeft na gehouden comparitie van partijen tot het verstrekken van inlichtingen de vordering afgewezen.

Het Gerechtshof te Arnhem heeft, na te hebben overwogen:

dat de overeenkomst tussen [verweerder] en de Gasthuizen gezien moet worden als een onder bezwarende titel; dat derhalve het verzoek door de Gasthuizen aan de Raad van Arbeid tot uitbetaling aan hen van de aan [verweerder] toekomende uitkering ten onrechte is gedaan en ingewilligd, en eveneens ten onrechte het ontvangene niet ten volle aan [verweerder] is uitgekeerd;

dat hieruit echter niet volgt, dat [verweerder] nu van de Gasthuizen het hem onthoudene rechtstreeks kan invorderen;

dat echter de stellingen van [verweerder] de elementen bevatten van een eis tot schadevergoeding wegens onrechtmatige daad;

dat de schade tot het gevorderde bedrag niet vaststaat;

het vonnis van de Rechtbank vernietigd en de zaak naar de terechtzitting verwezen ten einde partijen in de gelegenheid te stellen een verklaring van de Raad van Arbeid of van de Rijksverzekeringsbank over te leggen, waaruit blijkt, hoeveel over de ten processe bedoelde tijdvakken de aan de Gasthuizen betaalde uitkering bedroeg, en hoeveel daarop in mindering zou zijn gebracht, indien de gehele verzorging en verpleging van [verweerder], huisvesting inbegrepen, als diens inkomen ware beschouwd.

Van dit arrest zijn de Gasthuizen tijdig gekomen in cassatie onder aanvoering van de volgende cassatiemiddelen:

"Schending en of verkeerde toepassing van de artikelen 1269, 1270, 1275, 1276, 1278, 1349, 1350, 1355, 1356, 1357, 1358, 1369, 1371, 1372, 1374, 1375, 1376, 1378, 1379, 1380, 1381, 1382, 1383, 1384, 1385, 1386, 1493, 1494, 1501, 1509, 1510, 1549, 1569, 1570, 1703, 1811, 1812, 1821 van het Burgerlijk Wetboek, 48 van het Wetboek van Burgerlijke Regtsvordering, 1, 2, 17, 18, 19, 20, 21, 28, 29, 30, 31, 38, 54, 57, 63, 64 der Armenwet, 6 van het Koninklijk Besluit van 18 juli 1912 Stbl. 264, gelijk sedert gewijzigd, 4, 5, 6, 7, 8, 9, 10, 11, 12, 13, 14, 15, 17, 20, 21, 22, 23, 28, 31 der Noodwet Ouderdomsvoorziening, doordat het Hof, na te hebben overwogen, dat het geschil tussen partijen of al dan niet verweerder - [verweerder] - en in het algemeen de "kostgevers- werkvrij" tegenover de bij hun intrede betaalde geldsom, slechts verkregen recht op vrij wonen benevens enige voorrechten boven de kostgevers, die niets betaalden, maar hun verpleging ten laste van eiseres in cassatie - de Gasthuizen - komt en [verweerder] in zoverre dus als ondersteunde is aan te merken op wiens inkomsten verhaal krachtens Armenwet en Noodwet Ouderdomsvoorzienig mogelijk is, niet wordt opgelost door de terminologie van het Reglement noch door de geschiedenis der instelling, en dat begrijpelijk is dat de Rechtbank der beoordeling van de vraag, of de kostgevers werkvrij hun verzorging en verpleging geheel dan wel gedeeltelijk hadden betaald, is getreden in een onderzoek naar de grootte der praestatie hunnerzijds in vergelijking met wat daarvoor werd ontvangen, en dat het resultaat van de berekening der Rechtbank aantoont, dat de door [verweerder] geleverde praestatie de tegenpraestatie der Gasthuizen slechts ten dele dekt, op grond, dat hieruit echter niet zonder meer volgt, dat de overeenkomst het karakter had van een bevoordeling om niet, daar hiertoe nodig is, dat ook [verweerder] heeft begrepen, althans redelijkerwijze heeft moeten begrijpen, dat hij niet slechts een voordelige transactie afsloot, doch dat hem dit voordeel door de Gasthuizen werd verstrekt, met de bedoeling om hem te ondersteunen; dat [verweerder] zelve stelt, dat hij niet anders heeft gedacht, dan dat hij, evenals de kostkopers, zijn levenslange verzorging, zij het op een lager niveau, kocht, en dit het Hof aannemelijk voorkomt; dat toch een eenvoudig man, als zodanig niet slechts [verweerder], die schipper was, doch de verpleegden in gestichten als het onderhavige in het algemeen zijn aan te merken, niet plegen berekeningen te maken als ten deze door de Rechtbank verricht, en ook het door hem betaalde bedrag, als is het laag, niet zozeer te verwaarlozen is, dat [verweerder] moet hebben begrepen, dat hij door betaling ervan slechts een deel van de door hem verworven rechten betaalde, en voor het overige ondersteuning genoot; dat ook vergelijking van de onderhavige som met die, welke de kostkopers betaalden, niet tot die gevolgtrekking behoefde te leiden; dat toch in het Reglement van 1921 die sommen voor de 4 klassen der kostkopers en voor de kostgevers werkvrij ten aanzien van personen van de leeftijd van [verweerder] zijn vastgesteld op respectievelijk f.2700, -, f.2100,- f. 1800, -. f. 1500,- en f.800, -; dat, mede in aanmerking genomen het verschil in huisvesting en voeding, uit deze schaal niet zonder meer blijkt, dat de eerste vier categoriën moeten worden beschouwd als volledig betalende bewoners en de laatste als voor een belangrijk deel ondersteunden; dat ook niet blijkt, dat aan [verweerder] dit onderscheid door de Gasthuizen bij zijn intrede onder het oog is gebracht, en, als boven overwogen, de inhoud der reglementen in deze geen duidelijk licht verschaft, terwijl de geschiedenis van de instelling ten deze geen rol kan spelen als aan [verweerder] onbekend, nog daargelaten, dat ook deze geschiedenis de vraag niet beantwoordt; dat ook het door de Gasthuizen vermelde feit, dat reeds vóór de intrede van [verweerder] verhaal op de inkomsten der kostgevers werkvrij somtijds plaats vond, niet tot een andere opvatting kan leiden, nu niet voldoende is gesteld of gebleken, dat [verweerder] hiermede bekend was; heeft overwogen, dat dus de overeenkomst tussen [verweerder] en de Gasthuizen gezien moet worden als een onder bezwarende titel waaraan het Hof de conclusie heeft verbonden, dat de besluiten van het Bestuur der Gasthuizen, die de strekking hadden verhaal op de inkomsten der kostgevers werkvrij uit te oefenen boven het bij hun intrede betaalde bedrag en tot het in rekening brengen van zekere bedragen, in strijd zijn met de tussen partijen gesloten overeenkomst en derhalve onverbindend voor [verweerder]. Aldus ziet het Hof ten onrechte over het hoofd, dat nu, naar het Hof als uitgangspunt vaststelt, althans in het midden laat, de Gasthuizen, een instelling van weldadigheid, die bij intrede van kostgevers en kostgevers werkvrij, hun het recht verleenden op levenslange verzorging en verpleging, aan de kostgevers werkvrij het voor dezen in die transactie gelegen voordeel verstrekten met de bedoeling hen ( en ook [verweerder] ) te ondersteunen, de omstandigheid, dat [verweerder] zulks niet zou hebben begrepen en dat [verweerder] zou hebben gedacht, dat hij zijn levenslange verzorging kocht, niet meebrengt, dat nu ook de overeenkomst de inhoud en strekking heeft, die in tegenstelling tot de Gasthuizen slechts deze partij onder de door het Hof gestelde omstandigheden daaraan toekende, en veeleer de bij de Gasthuizen bestaande bedoeling om te ondersteunen de transactie in zover stempelt tot een bevoordeling om niet. De door het Hof vermelde omstandigheden, waaronder niet voorkomt, dat de Gasthuizen, een instelling van weldadigheid in de zin der Armenwet, wisten of hadden behoren te weten of te begrijpen, dat [verweerder] een van de hunne afwijkende opvatting had, noch dat aan [verweerder] onbekend was, dat de Gasthuizen reeds vóór zijn intrede verhaal op de inkomsten van de kostgevers werkvrij toepasten en evenmin, dat aan de Gasthuizen te verwijten is, dat [verweerder] een verkeerde indruk had van de transactie, kunnen het oordeel van het Hof niet rechtvaardigen, dat, ofschoon de door [verweerder] geleverde praestatie die van de Gasthuizen slechts ten dele dekte en de Gasthuizen het verschil als ondersteuning verstrekten, desondanks de overeenkomst als geheel onder bezwarende titel moet worden beschouwd. Ten onrechte heeft het Hof zich niet door de objectief aanwezige bevoordeling en de bedoeling van de Gasthuizen, die de bevoordeling verstrekten laten leiden, en geoordeeld, dat voor toekenning aan de overeenkomst van het karakter van bevoordeling om niet nodig was, dat [verweerder] begreep of redelijkerwijze heeft moeten begrijpen, dat de Gasthuizen daarbij de bedoeling hadden hem te ondersteunen. Bovendien heeft het Hof uit het oog verloren, dat, onder de door het Hof aangenomen omstandigheden, de overeenkomst behoorde te worden uitgelegd ten nadele van [verweerder], die zich de praestaties van de Gasthuizen had bedongen en ten voordele van de Gasthuizen, die zich tot het verschaffen van verzorging en verpleging hadden verbonden.

II.

Schending, en/of verkeerde toepassing van de artikelen aangehaald onder I en voorts van de artikelen 175 der Grondwet, 20 der Wet op de Regterlijke Organisatie en het beleid der Justitie, 1, 5, 59, 103, 104, 134, 199, 200, 347, 348, 353 van het Wetboek van Burgerlijke Regtsvordering, 1388, 1390, 1391, 1392, 1393, 1394, 1395, 1396, 1397, 1398, 1401, 1402, 1417, 1418, 1421, 1422, 1837, 1839, 1842, 1849, 1902, 1903 van het Burgerlijk Wetboek, doordat het Hof heeft overwogen dat [verweerder] in de tweede plaats vordert betaling aan hem van door de Gasthuizen op de aan deze uitbetaalde ouderdomsuitkering te zijnen name ingehouden bedragen, tezamen f. 1394,85 (ren rechte f. 1334,85); dat de Gasthuizen dit bedrag berekenen op f. 1272,37 en het Hof, waar [verweerder] zijn stelling niet nader adstrueert, dit laatste als juist aanneemt; dat uit het boven overwogene volgt, dat het verzoek door de Gasthuizen aan de Raad van Arbeid tot uitbetaling aan hen van de aan [verweerder] toekomende uitkering ten onrechte is gedaan en ingewilligd, en eveneens ten onrechte het ontvangene niet ten volle aan [verweerder] is uitgekeerd; dat hieruit echter nog niet volgt, dat [verweerder] nu van de Gasthuizen het hem onthoudene rechtstreeks kan invorderen; dat toch, indien een debiteur (in casu de Raad van Arbeid) een aan crediteur ( [verweerder]) verschuldigd bedrag ten onrechte aan een derde (de Gasthuizen) uitbetaalt, de crediteur dit bedrag alsnog van de debiteur kan vorderen en deze het als onverschuldigd betaald van de derde kan terugeisen, doch de wet een rechtstreekse actie van de debiteur tegen de derde niet kent; dat echter de stellingen van [verweerder] de elementen bevatten van een eis tot schadevergoeding wegens onrechtmatige daad; dat immers een verzoek aan de Raad van Arbeid tot uitbetaling van bedragen, die aan [verweerder] toekomen, buiten het in de wet voorziene geval, alsmede de inhouding van het aldus ten onrechte ontvangene, zijn onrechtmatig, en deze handelingen aan de Gasthuizen kunnen worden verweten - [verweerder] stelt bij pleidooi zelfs kwade trouw - nu zij het onrechtmatig karakter moesten kennen, terwijl in doelstellingen van [verweerder] voorts voldoende ligt opgesloten, dat hij door het niet ontvangen van deze bedragen schade heeft geleden; dat echter de schade tot het gevorderde bedrag niet vaststaat; en vervolgens tot bepaling van de schade overlegging van een in het arrest omschreven verklaring van de Raad van Arbeid te Zwolle of van de Rijksverzekeringsbank heeft verzocht. a. Waar naar het Hof terecht stelt [verweerder] een aan hem verschuldigd bedrag dat de Raad van Arbeid ten onrechte aan een derde - de Gasthuizen - zou hebben uitbetaald, alsnog van zijn debiteur - de Raad van Arbeid - kan vorderen is onbegrijpelijk en daarmede in strijd, waardoor het arrest niet naar de eis der wet met redenen omkleed is, en bovendien onjuist, dat tegenover [verweerder] de Gasthuizen dat ten onrechte door de Raad van Arbeid aan hen uitgekeerde bedrag zouden behoren uit te keren aan [verweerder], en dat zij dat ontvangen bedrag tegenover [verweerder] ten onrechte niet aan deze hebben uitgekeerd. b. Evenzeer komt het Hof met zichzelf in tegenspraak en is het arrest onbegrijpelijk, waardoor het niet naar de eis der wet met redenen is omkleed, en bovendien onjuist, wanneer het in beginsel aanneemt, dat [verweerder] door het niet ontvangen van de door de Gasthuizen ontvangen bedragen schade heeft geleden tot het door hem gevorderde door de Gasthuizen op de aan deze uitbetaalde ouderdomsuitkering te zijnen name ingehouden bedragen, zij het dat daarop een aftrek zou dienen te worden toegepast als door het Hof aangeduid, die naar het Hof mogelijk oordeelt die gevorderde bedragen zelfs wellicht zal kunnen overtreffen. Bij behoud van de actie tegen de Raad van Arbeid heeft [verweerder] geen schade geleden, doordat de Gasthuizen ten onrechte van de Raad van Arbeid betalingen hebben gekregen, en kan hij ook geen aanspraak maken op vergoeding van zulke schade, nu een toe te wijzen schadevergoeding ook niet in mindering zou komen op de schuld van de Raad van Arbeid. c. Nu [verweerder] slechts betaling heeft gevorderd aan hem van de door de Gasthuizen op de aan deze uitbetaalde ouderdomsuitkeringen te zijnen name ingehouden bedragen, en geenszins vergoeding van door hem geleden schade, had het Hof niet met aanvulling of wijziging van het door [verweerder] ingeroepen rechtsmiddel mogen oordelen, dat in beginsel op [verweerder] posita een schadevergoeding uit hoofde van onrechtmatige daad toegewezen zou kunnen worden. d. Ten onrechte achtte het Hof ten aanzien van [verweerder] onrechtmatig het richten van een verzoek tot de Raad van Arbeid als bedoeld in art. 15 van de Noodwet Ouderdomsvoorziening buiten het in de wet voorziene geval, alsmede de inhouding van het aldus ontvangene. Nu, naar het Hof terecht overwoog, [verweerder] dit bedrag alsnog van zijn debiteur kan terugeisen of kan opeisen, zijn deze gedragingen tegenover [verweerder] niet onrechtmatig. Waar de Raad van Arbeid, die met de uitvoering van de Noodwet Ouderdomsvoorziening is belast niet verplicht is aan een verzoek volgens art. 15 te voldoen, en zulk verzoek zelfstandig hoeft te beoordelen, en nu niet is gesteld of aangenomen, dat de Gasthuizen bij het doen van hun verzoek de Raad van Arbeid onjuist hebben voorgelicht of niet zo volledig als zij dat zouden hebben gekund, mocht hot Hof het indienen van een dergelijk verzoek niet onrechtmatig oordelen, ook al is het van mening, dat de toewijzing van dat verzoek niet in overeenstemming was met de rechtsverhouding tussen partijen zoals het Hof die beoordeeld heeft. Ingevolge art. 15 der Noodwet ontvangt de instelling van weldadigheid van de Raad van Arbeid de uitbetaling voor zichzelf. Ook al is de uitkering haar ten onrechte toegekend, dan bestaat er voor haar geen rechtsverplichting om het bedrag aan hem af te dragen aan wie de ouderdomsuitkering is toegekend, maar veeleer aan de Raad van Arbeid. 's Hofs stelling, dat inhouding van het ten onrechte ontvangene onrechtmatig zou zijn komt bovendien in strijd met 's Hofs oordeel, dat, indien de Gasthuizen geen uitbetaling zouden hebben verzocht de Raad van Arbeid met toepassing van art. (5, lees) 6 lid 3 der Noodwet een bedrag in mindering op de uitkering zou hebben gebracht, dat zelfs misschien wel het door [verweerder] gevorderde zou overtreffen, waaruit moet volgen, dat [verweerder] geen aanspraak op volledige en misschien wel niet op enige verdere afdracht kon maken, nu hij in het geheel geen of minder recht op ouderdomsuitkering zou blijken te hebben, waardoor het arrest op dit punt onbegrijpelijk wordt en niet naar de eis der wet met redenen omkleed is. e. Ten onrechte oordeelde het Hof, dat de in dit middel onder d vermelde, door het Hof onrechtmatig geachte handelingen aan de Gasthuizen kunnen worden verweten, nu zij het onrechtmatig karakter moeten kennen, waaraan het toegeeft, dat [verweerder] bij pleidooi zelfs kwade trouw stelde. Daarbij ziet het Hof over het hoofd dat om aldus schuld bij de Gasthuizen aan te nemen gesteld en behoorlijk bewezen zou moeten zijn, dat de Gasthuizen wisten dat [verweerder] bij het aangaan van de transactie bij zijn intrede niet heeft begrepen en niet wist, dat de Gasthuizen hem het daarbij verschafte voordeel verstrekten met de bedoeling om hem te ondersteunen, maar dacht, dat hij - in strijd met hun gemanifesteerde bedoeling ten aanzien van kostgevers werkvrij - zijn levenslange verzorging kocht, al hetgeen noch gesteld noch bewezen is, terwijl het oordeel dat de Gasthuizen het onrechtmatig karakter moesten kennen ten onrechte iedere motivering ontbeert, waardoor het arrest niet naar de eis der wet met redenen is omkleed. "

Het eerste middel komt mij gegrond voor. De conclusie van het Hof, dat, waar [verweerder] bij zijn opname niet wist, noch ook redelijkerwijs moest weten, dat hij de hem door de Gasthuizen te verschaffen verzorging slechts ten dele had betaald en die voor het overige om niet ontving, de overeenkomst tussen [verweerder] en de Gasthuizen - van de totstandkoming waarvan, ondanks het gebrek aan de wilsovereenstemming van partijen, het Hof uitgaat - moet worden gezien als een onder bezwarende titel, is, gezien in het licht van de in het arrest daaraan voorafgaande vaststelling "dat de door [verweerder] geleverde praestatie de tegenpraestatie slechts ten dele dekte", bezwaarlijk te aanvaarden. Uit de overweging, dat het Hof aannemelijk acht dat [verweerder] destijds niet anders heeft gedacht, dan dat hij zijn levenslange verzorging kocht, blijkt dat het Hof meent, dat [verweerder] zich er destijds wel in heeft verdiept, wat de overeenkomst, welke hij met de Gasthuizen aanging betekende, maar dat hij er desondanks, om welke reden dan ook, een onjuiste voorstelling van had. Voorts gaat het Hof or kennelijk van uit, dat de Gasthuizen harerzijds beoogden aan [verweerder] zijn levenslange verzorging althans ten dele om niet te verschaffen. Het Hof overweegt echter niet, dat de Gasthuizen [verweerder] in de waan hebben gebracht, dat hij zijn verzorging geheel betaalde en dat [verweerder] op de aldus opgewekte schijn mocht afgaan, noch ook, dat de Gasthuizen wisten, dat [verweerder] een onjuiste voorstelling van de overeenkomst had. [verweerder] had zich, ook naar 's Hofs oordeel, eenvoudig vergist. De overwegingen van het arrest maken echter geenszins aannemelijk, waarom deze eenzijdige vergissing niet alleen niet uitsluitend voor risico van [verweerder] komt, maar zijn onjuiste opvatting zelfs bepalend is voor de betekenis van de overeenkomst, ook voor de wederpartij. Mij dunkt, dat dit zeker niet het geval is.

Ik moge hierbij nog wijzen op de merkwaardige en voor de practijk moeilijk te aanvaarden consequentie van 's Hofs opvatting, dat daarbij de kostgevers-werkvrij met de kostkopers worden gelijkgesteld, voorzover eerstgenoemden door hun "eenvoud" niet in staat zijn hun positie t.o. de Gasthuizen juist te beoordelen. Op hen zou daarom art. 15 N. O.V. niet kunnen worden toegepast, terwijl dit t.a.v. de meer ontwikkelden onder de kostgevers-werkvrij, die wel begrepen hebben hoe de vork in de steel zit, wel het geval zou zijn! Mij dunkt, dat zodoende de juiste toepassing van genoemd art. 15 wel zeer in het gedrang zou komen. Toch ligt juist in art. 15 het zwaartepunt in deze zaak en het komt mij reeds daarom niet juist voor, dat het Hof bij de beantwoording van de vraag of i.c. van toepassing van dat voorschrift sprake kon zijn, alleen heeft achtgeslagen op de subjectieve mening van een der partijen omtrent de betekenis van de tussen hen gesloten overeenkomst. Het gaat hier om toepassing van een administratief voorschrift, om een maatregel van sociale wetgeving. Wanneer nu moet worden beoordeeld of in de zin van een zodanig voorschrift de kosten van verzorging komen ten laste van de verzorger, dan zal bij de bepaling van de betekenis van de verhouding tussen verzorger en verzorgde niet een zo subjectieve maatstaf mogen worden aangelegd. De opvatting van het Hof, dat art. 15 "niet ten doel heeft de instelling tegemoet te komen in tegenvallers, voortkomende uit een te lage schatting van het te verstrekken onderhoud, doch veeleer om een eenvoudig verhaal mogelijk te maken op de inkomsten van hen, die van de instelling ondersteuning genieten", kan zeer wel worden aanvaard, maar dit betekent niet, dat wanneer de verzorgde wel iets betaalt, maar niet alles, daarbij ten onrechte in de mening verkerende dat hij wel volledig betaalt, hij niet als ondersteunde kan worden beschouwd. Nagegaan zal moeten worden of hetgeen word overeengekomen in feite betekent, dat de verzorging geheel of ten dele ten laste komt van de verzorger. Slechts wanneer blijkt, dat beide partijen bedoeld hebben, dat het door de verzorgde betaalde bedrag als volledige vergoeding voor de te verstrekken verzorging moet worden aangemerkt, zal, ook wanneer de kosten van de verzorging duidelijk meer bedragen dan het betaalde, mogen worden aangenomen, dat art. 15 N. O. V. niet moet worden toegepast. Wanneer echter in het onderhavige geval blijkt, dat partijen zijn overeengekomen, dat de Gasthuizen aan [verweerder] levenslang verzorging zullen verschaffen tegen betaling van een bedrag, waarvan vaststaat, dat het de kosten van die levenslange verzorging geenszins dekt, en voorts, dat de Gasthuizen bij het sluiten van de overeenkomst beoogden aan [verweerder] de hem toegezegde verzorging ten dele om niet te verschaffen, dan kan het enkele feit, dat [verweerder] in dwaling - zij het wellicht in een begrijpelijke en vergeeflijke dwaling - verkeerde omtrent de betekenis van de door hem aan de Gasthuizen gedane betaling, niet verhinderen, dat voor de toepassing van art. 15 moet worden aangenomen, dat de kosten van [verweerder]'s verzorging gedeeltelijk kwamen ten laste van de Gasthuizen. De vraag, of voor het totstandkomen van een overeenkomst, geheel of ten dele om niet, althans voor de beoordeling of een overeenkomst geheel of ten dele om niet is aangegaan, beslissend is, dat de bevoordeelde wist, dat de wederpartij hem wilde bevoordelen, is daarbij niet van betekenis. Door i.c. die vraag bevestigend te beantwoorden en aan dat antwoord voor de toepassing van art. 15 N.O.V. beslissende betekenis toe te kennen, heeft het Hof naar mij voorkomt dat voorschrift geschonden. Ten onrechte heeft het Hof dan ook het vonnis in eerste aanleg, waarbij naar een juiste maatstaf werd vastgesteld, dat [verweerder] voor de toepassing van art. 15 als ondersteunde was te beschouwen, vernietigd.

Het tweede middel draagt een duidelijk subsidiair karakter. Wanneer het eerste middel gegrond is, d.w.z. wanneer men aanneemt, dat de Gasthuizen gerechtigd waren de ouderdomsuitkering te ontvangen, dan kan de vraag of aan [verweerder] enige actie - en, zo ja, welke - toekomt, hetzij tegen de Raad van Arbeid, hetzij tegen de Gasthuizen, niet meer ter sprake komen. Waar het eerste middel gegrond is te achten moge ik met een beknopte bespreking van de stellingen van het tweede middel volstaan.

De overwegingen van het arrest, waartegen dit middel zich richt, luiden als volgt:

"10a Overwegende, dat [verweerder] in de tweede plaats vordert betaling aan hem van door de Gasthuizen op de aan deze uitbetaalde ouderdomsuitkering te zijnen name ingehouden bedragen, tezamen f. 1394,85 (ten rechte f. 1334,85); b. dat de Gasthuizen dit bedrag berekenen op f. 1272,37 en het Hof, waar [verweerder] zijn stelling niet nader adstrueert, dit laatste als juist aanneemt; c. dat uit het boven overwogene volgt, dat het verzoek door de Gasthuizen aan de Raad van Arbeid tot uitbetaling aan hen van de aan [verweerder] toekomende uitkering ten onrechte is gedaan en ingewilligd, en eveneens ten onrechte het ontvangene niet ten volle aan [verweerder] is uitgekeerd; d. dat hieruit echter nog niet volgt, dat [verweerder] nu van de Gasthuizen het hem onthoudene rechtstreeks kan invorderen; c. dat toch, indien een debiteur (in casu de Raad van Arbeid) een aan een crediteur ([verweerder]) verschuldigd bedrag ten onrechte aan een derde (de Gasthuizen) uitbetaalt, de crediteur dit bedrag alsnog van de debiteur kan vorderen en deze het als onverschuldigd betaald van de derde kan terugeisen, doch de wet een rechtstreekse actie van de debiteur tegen de derde niet kent; f. dat echter de stellingen van [verweerder] de elementen bevatten van een eis tot schadevergoeding wegens onrechtmatige daad; g. dat immers een verzoek aan de Raad van Arbeid tot uitbetaling van bedragen, die aan [verweerder] toekomen, buiten het in de wet voorziene geval, alsmede de inhouding van het aldus ten onrechte ontvangene, zijn onrechtmatig, en deze handelingen aan de Gasthuizen kunnen worden verweten - [verweerder] stelt bij pleidooi zelfs kwade trouw nu zij het onrechtmatig karakter moesten kennen, terwijl in de stellingen van [verweerder] voorts voldoende ligt opgesloten, dat hij door het niet ontvangen van deze bedragen schade heeft geleden; dat echter de schade tot het gevorderde bedrag niet vaststaat; i. dat immers, indien de Gasthuizen geen uitbetaling aan hen van de ouderdomsuitkering van [verweerder] hadden verzocht, de Raad van Arbeid met toepassing van artikel 6 lid 3 Noodwet Ouderdomsvoorziening de helft van het alsdan als inkomen te beschouwen bedrag, waarop de verzorging en verpleging zouden worden geschat, op de uitkering in mindering zou hebben gebracht; j. dat deze aftrek op de schade in mindering moet worden gebracht, doch het Hof over onvoldoende gegevens beschikt om uit temaken, hoeveel deze aftrek zou bedragen en of deze niet wellicht het gevorderde bedrag zou overtreffen; k. dat hot Hof tot opheldering hiervan een getuigenverhoor of een deskundigenonderzoek zou kunnen gelasten, doch het eenvoudiger voorkomt, partijen in staat te stellen, een verklaring van de Raad van Arbeid te Zwolle of van de Rijksverzekeringsbank over te leggen, waaruit blijkt, hoeveel over de ten processe bedoelde tijdvakken de aan de Gasthuizen betaalde uitkering ten behoeve van [verweerder] bedroeg, en hoeveel daarop in mindering zou zijn gebracht, indien de gehele verzorging en verpleging van [verweerder], huisvesting inbegrepen, als diens inkomen ware beschouwd".

Wat onderdeel a. van het middel betreft, heeft de geachte pleiter voor eiseresse in cassatie bij pleidooi de vraag opgeworpen, welke betekenis is toe te kennen aan de slotwoorden van r.o.v. 10c., dat "ten onrechte het ontvangene niet ten volle aan [verweerder] is uitgekeerd; ". Bedoelt het Hof hiermede, dat de Raad van Arbeid ten onrechte de ouderdomsuitkering niet ten volle aan [verweerder] heeft uitgekeerd, dan - zo meent pleiter - mist het middel feitelijke grondslag. Inderdaad zou dit laatste het geval zijn als de bedoeling van het Hof aldus moet worden weergegeven. Echter lijkt mij de bedoeling van het Hof duidelijk deze, dat de Gasthuizen ten onrechte het van de Raad van Arbeid ontvangene niet ten volle aan [verweerder] hebben uitgekeerd. Bij deze opvatting vindt onderdeel a. van het middel inderdaad feitelijke grondslag in het arrest.

De rechtsoverwegingen 10 d. en e. meen ik dan, in samenhang met r.o.v. 10 c. aldus te moeten lezen, dat het Hof van oordeel is, dat, hoewel de Gasthuizen het ontvangene aan [verweerder] hadden moeten uitkeren omdat de Raad van Arbeid ten onrechte aan de Gasthuizen had betaald, dit nog niet medebrengt, dat [verweerder] uit dien hoofde een actie tegen de Gasthuizen toekomt.

Terecht noemt het middel deze motivering tegenstrijdig en onbegrijpelijk. Wanneer immers de Gasthuizen verplicht waren het van de Raad van Arbeid ontvangene aan [verweerder] uit te keren, dan is, zonder nadere motivering, niet in te zien waarom aan [verweerder] geen actie tegen de Gasthuizen zou toekomen. Onjuist is echter het oordeel van het Hof, dat de Gasthuizen verplicht zouden zijn de van de Raad van Arbeid ontvangen uitkering aan [verweerder] uit te keren. Wie zonder schuldeiser te zijn van de schuldenaar de betaling van de schuld als voor hem zelf bestemd ontvangt is wel verplicht om het onverschuldigd ontvangene aan de schuldenaar terug te betalen, maar niet om het aan de werkelijke schuldeiser uit te keren, al zal hij, door de schuldenaar tot terugbetaling aan gesproken, zich er wellicht te zijner bevrijding met vrucht op kunnen beroepen, dat het aan de schuldeiser doorbetaalde.

Onderdeel a. van het middel komt mij derhalve gegrond voor. Onderdeel b. mist feitelijke grondslag. Ik kan in de rechtsoverwegingen 10 c., d. en c. niet lezen, dat het Hof zou hebben willen vaststellen, dat [verweerder] een vordering op de Raad van Arbeid had. Wellicht heeft het Hof te kennen willen geven, dat in het algemeen een schuldeiser, die in de positie van [verweerder] verkeert, een vordering tegen de schuldenaar, i.c. de Raad van Arbeid, toekomt, maar niet, dat [verweerder], toen hij de Gasthuizen dagvaardde, een vordering tegen de Raad van Arbeid had en die vordering niet, om welke reden dan ook was teniet gegaan. Van dit laatste nu gaat het middel uit.

Onderdeel c. van het middel komt mij daarentegen gegrond voor. In r.o.v. 10 a. heeft het Hof de betekenis van de door [verweerder] bij inleidende dagvaarding ingestelde vordering vastgesteld. Uit die vaststelling blijkt duidelijk dat ook naar 's Hofs oordeel door [verweerder] geen schadevergoeding, uitwelken hoofde dan ook, was gevorderd. Bovendien was door [verweerder] niet gesteld, dat door de Gasthuizen tegenover hem een onrechtmatige daad was gepleegd, noch ook, dat hij daardoor schade had geleden. Van een veroordeling van de Gasthuizen tot schadevergoeding kon onder die omstandigheden geen sprake zijn. De rechter kan aan art. 48 Rv. niet de bevoegdheid ontlenen de door partijen gestelde feiten aan te vullen, noch ook om een vordering toe te wijzen, die eiser wellicht zou hebben kunnen instellen doch niet heeft ingesteld. Ik moge hier overigens verwijzen naar de arresten van Uw Raad van 8 febr. 1935 (N. J. 425), 14 juni 1946 (N.J. 525), 28 jan. 1949 (N.J. 490), 25 juni 1954 (M.J. 534), 17 december 1954 (N.J. 1955 68) on 27 jan. 1956 N.J. 193).

Onderdeel d. mist in zoverre feitelijke grondslag, dat het Hof vaststelt, dat de Gasthuizen moesten weten dat de aan [verweerder] toekomende ouderdomsuitkering haar niet mocht worden uitbetaald, onder welke omstandigheden het Hof, ervan uitgaande, dat inderdaad de Raad van Arbeid tot uitbetaling aan de Gasthuizen niet gerechtigd was - en dit is, naar wij zagen, ook het uitgangspunt van het middel -, dit aanvaarden van voor een ander bestemde betaling onrechtmatig kon achten al verplichtte die aanvaarding de Gasthuizen enkel tot terugbetaling aan de Raad van Arbeid. Onjuist is echter ook hier 's Hofs beslissing, dat dit zou medebrengen, dat ook het niet uitkeren van de ontvangen bedragen door de Gasthuizen aan [verweerder] een onrechtmatige daad zou opleveren. In zoverre is ook dit onderdeel van het middel gegrond.

Onderdeel c. ten slotte moet afstuiten op de feitelijke beslissing van het Hof, dat de bedoelde handelingen aan de Gasthuizen konden worden verweten, terwijl deze feitelijke beslissing ook geen nadere motivering behoefde.

Verweerder in cassatie is tegen het arrest van het Hof incidenteel in cassatie gekomen, onder aanvoering van de volgende middelen:

"Schending en/of verkeerde toepassing van de artikelen 48, 59, 103, 104, 199, 200, 347, 348, 353 Rv., 1395, 1396, 1397, 1398, 1399, 1400, 1902, 1903 B.W., 12, 15, 19, 21 Noodwet Ouderdomsvoorziening, 20 R. O. , 175 G. W .; doordat het Hof in rechtsoverweging 10 heeft geoordeeld: "overwegende, dat [verweerder] in de tweede plaats vordert betaling aan hem van door de Gasthuizen op de aan deze uitbetaalde ouderdomsuitkering te zijnen name ingehouden bedragen, tezamen f. 1394, 85; (ten rechte f. 1334,85); dat de Gasthuizen dit bedrag berekenen op f. 1272,37, en het Hof, waar [verweerder] zijn stelling niet nader adstrueert, dit laatste als juist aanneemt; dat uit het boven overwogene volgt, dat het verzoek door de Gasthuizen aan de Raad van Arbeid tot uitbetaling aan hen van de aan [verweerder] toekomende uitkering ten onrechte is gedaan en ingewilligd, en eveneens ten onrechte het ontvangene niet ten volle aan [verweerder] is uitgekeerd; dat hieruit echter nog niet volgt, dat [verweerder] nu van de Gasthuizen het hem onthoudene rechtstreeks kan invorderen; dat toch, indien een debiteur (in casu de Raad van Arbeid) een aan een crediteur ([verweerder]) verschuldigd bedrag ten onrechte aan een derde (de Gasthuizen) uitbetaalt, de crediteur dit bedrag alsnog van de debiteur kan vorderen en deze het als onverschuldigd betaald van de derde kan terugvorderen, doch de wet een rechtstreekse actie van de debiteur tegen de derde niet kent;" en zoals in die rechtsoverweging verder is aangegeven, zulks ten onrechte omdat 1) het Hof niet mocht aannemen dat [verweerder] nog een vordering heeft op de Raad van Arbeid tot een bedrag van f. 1.272, 37 of althans tot een lager bedrag dat hem ten onrechte niet is uitgekeerd, nu a) de feitelijke grondslag daarvoor niet door een der partijen was gesteld en bewezen of anderszins ten processe was gebleken, waarbij nog komt dat voor het nog bestaan van zulk een vordering onder meer vereist is dat de termijnen zijn ingevorderd binnen een jaar na afloop van de kalendermaand waarin zij voor het eerst betaalbaar waren (hetgeen niet is geschied), en [verweerder] niet op straffe van verlies van zijn recht gehouden was dit in de dingtalen te stellen nu door de Gasthuizen niet was gesteld dat die vordering van [verweerder] op de Raad van Arbeid bestond; b) althans hot Hof een en ander had behoren te onderzoeken en in zoverre het arrest niet naar de eis der wet heeft gemotiveerd; 2) de Gasthuizen ongegrond zijn verrijkt ton koste van [verweerder] en deze daarom een vordering heeft op de Gasthuizen voor het bedrag dat aan [verweerder] door de Raad van Arbeid had moeten zijn uitgekeerd maar dat nu (met eventueel nog meer) is uitgekeerd aan de Gasthuizen, waarbij aangetekend wordt: primair, dat zulk een vorderingsrecht bestaat onafhankelijk van de vraag of [verweerder] alsnog een vordering terzake op de Raad van Arbeid heeft, subsidiair, dat althans [verweerder] een vordering op het hem door de Raad van Arbeid oorspronkelijk verschuldigde bedrag niet meer heeft, althans het Hof daarvan niet als tussen partijen vaststaande had mogen uitgaan."

Wanneer het eerste principaal middel gegrond wordt bevonden, heeft incidenteel eiser bij zijn middelen geen enkel belang meer en zullen die derhalve niet meer ter sprake komen. Ik moge daarom ook hier met een beknopte bespreking volstaan.

Het eerste middel mist in zijn beide onderdelen feitelijke grondslag nu het er van uitgaat, dat het Hof zou hebben beslist, dat [verweerder] nog een vordering had op de Raad van Arbeid. Zoals boven reeds werd uiteengezet is een zodanige beslissing in het arrest niet te lezen.

Het tweede middel betoogt, dat aan [verweerder] toekomt een vordering wegens ongegronde verrijking van de Gasthuizen te zijnen koste, nu ten onrechte door de Raad van Arbeid de voor hem, [verweerder], bestemde ouderdomsuitkering aan de Gasthuizen is uitbetaald en de Gasthuizen het uit dien hoofde ontvangene niet aan hem hebben doorgegeven. Voor zover het middel daaraan primair toevoegt, dat zodanig vorderingsrecht zou bestaan onafhankelijk van de vraag of [verweerder] alsnog een vordering op de Raad van Arbeid heeft, moet zijn standpunt worden afgewezen. Dat de actie uit ongegronde verrijking, zo zij al als een zelfstandige actie moet worden erkend, zou bestaan onafhankelijk van en naast andere de eiser eventueel toekomende acties, is niet aannemelijk en wordt, voorzover mij bekend door de schrijvers ook niet aangenomen. Ook de geachte pleiter voor incidenteel eiser heeft bij zijn pleidooi deze opvatting niet verdedigd. Wat de subsidiaire toevoeging betreft, nl. dat [verweerder] een vordering op het hem door de Raad van Arbeid oorspronkelijk verschuldigde bedrag niet meer heeft, althans het Hof daarvan niet als tussen partijen vaststaand had mogen uitgaan: dit betoog mist feitelijke grondslag. Het Hof heeft niet vastgesteld, dat [verweerder] een vordering tegen de Raad van Arbeid heeft, noch ook dat hij die niet heeft, en evenmin is het Hof daarvan als tussen partijen vaststaande uitgegaan. Beide incidentele middelen acht ik derhalve ongegrond.

Gezien de gegrondheid van het eerste principaal middel heb ik de eer te concluderen, dat Uw Raad het arrest, waarvan beroep in cassatie, zal vernietigen en het vonnis in eerste aanleg zal bekrachtigen, met veroordeling van principaal verweerder in de kosten op het beroep gevallen.

De Procureur Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden,

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?