21 JUNI 1957
DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
in de zaak (no.9092) van:
[eiser] , wonende te [woonplaats] , eiser tot cassatie van een door het Gerechtshof te 's-Gravenhage op 14 November 1956 tussen partijen gewezen arrest, vertegenwoordigd door Mr. G.A. Fijn van Draat, advocaat bij den Hogen Raad,
tegen
1. [verweerster 1] , echtgenote van en ten deze bijgestaan door [echtgenoot],beiden wonende te [woonplaats] ,
2. [verweerster 2] , douairière van [betrokkene 1] , wonende te [woonplaats] ,
3. [verweerder 3] , wonende te [woonplaats] ,
4. de naamloze vennootschap N.V. Beleggingsmaatschappij "Thubema", gevestigd te [woonplaats] ,
verweerders in cassatie, vertegenwoordigd door Mr.D. J. Veegens, mede advocaat bij den Hogen Raad.
Gehoord partijen;
Gehoord den Advocaat-Generaal Langemeijer, namens den Procureur-Generaal, in zijn conclusie strekkende tot vernietiging van het arrest, waarvan beroep en verwijzing van de zaak naar het Gerechtshof te [woonplaats] , teneinde haar met inachtneming van 's Hogen Raads arrest op het bestaande hoger beroep verder te behandelen en te beslissen onder veroordeling van verweerders in cassatie in de op het beroep gevallen kosten;
Gezien de stukken;
Overwegende dat uit het bestreden arrest blijkt: dat eiser tot cassatie - verder [eiser] te noemen - bij inleidende dagvaarding de verweerders sub 1 tot en met 3 - aan te duiden als de familiecrediteuren - alsmede verweerster sub 4 - Thubema - heeft gedaagd voor de Arrondissements-Rechtbank te [woonplaats] , onder meer stellende, dat op 30 April 1932 door de familiecrediteuren, Thubema en hem, [eiser] , een overeenkomst is gesloten, sedertdien herhaaldelijk gewijzigd en aangevuld, hierna te noemen het Thubema-contract; dat dit contract de uitsluitende bedoeling had hem, [eiser] , te helpen in de financiële moeilijkheden, waarin hij omstreeks dien tijd was geraakt, gelijk uit de considerans van dit contract, als in de dagvaarding woordelijk weergegeven, volgt; dat de impasse in [eiser] vermogenstoestand hem voor de noodzaak stelde grote aantallen hem toebehorende aandelen in familiemaatschappijen, waarin naast [eiser] de familiecrediteuren grote belangen hadden, te liquideren; dat partijen toen te rade zijn geworden maatregelen te treffen om te vermijden dat deze aandelen in vreemde handen zouden komen en tegen lage koersen zouden moeten worden verkocht; dat de familiecrediteuren tot dat doel in Maart 1932 Thubema hebben opgericht, in welke naamloze vennootschap ieder der familiecrediteuren deelnam voor een derde gedeelte van haar geplaatste aandelenkapitaal, uitmakende voor ieder hunner zes volgestorte aandelen à f 1.000,-, welke aandelen thans nog steeds eigendom van de familiecrediteuren zijn; dat het Thubema-contract, voor zover hier van belang, inhoudt dat Thubema [eiser] in 1932 bestaande schulden voldeed en sedertdien zijn belastingen en andere periodieke uitgaven betaalde en hem jaarlijks f 10.000,- uitkeerde, ter bestrijding van welke kosten de familiecrediteuren een groot bedrag aan Thubema hebben geleend, terwijl [eiser] aan Thubema verkocht al zijn effecten en vorderingen op derden tegen een gezamenlijken koopprijs van f 1.358.926,88,welke koopprijs door Thubema niet aan [eiser] is voldaan, doch in mindering waarvan de voor eiser betaalde schulden werden geboekt; dat zulks eveneens geschiedde en geschiedt met de verdere betalingen door Thubema voor [eiser] verricht voor zover de baten van [eiser] persoonlijk vermogen daarvoor niet toereikend zijn, welke baten hij daartoe aan Thubema moet afdragen; dat voorts [eiser] zijn gehele privé-vermogen aan Thubema in administratie zou geven, hetgeen is geschied; dat per 31 December 1952 Thubema aan [eiser] een bedrag van f 783.031,48 aan restant koopsom plus voordelig saldo over de jaren 1932 tot 1952 schuldig was; dat [eiser] het deel van deze vordering, dat uitmaakt meerbedoelde restant-koopsom, eerst mag opeisen, zodra de familiecrediteuren niets meer van Thubema te vorderen zullen hebben; dat hun vorderingen op Thubema bedragen voor ieder f 120.000,- wegens geldlening en f 86.000,- voor aan ieder competerend winstaandeel; dat Thubema verplicht is deze betalingen aan de familiecrediteuren zo spoedig mogelijk te doen plaats vinden, naarmate haar contante middelen dit toelaten; dat [eiser] tot zekerheid van de vorderingen der familiecrediteuren op Thubema zijn vordering op Thubema aan hen in pand heeft gegeven en verder tot een bedrag van f 648.000,- hypotheek heeft verleend op het hem in eigendom toebehorend hotel Kasteel Oud-Wassenaar met bijbehorende gronden en gebouwen te Wassenaar; dat [eiser] bovendien in een afzonderlijke acte aan Thubema last en volmacht heeft verleend tot alle daden van beheer en beschikking met betrekking tot het Kasteel Oud-Wassenaar, welke last en volmacht geldt totdat de familiecrediteuren niets meer van Thubema zullen hebben te vorderen; dat ten slotte de familiecrediteuren in het Thubema-contract de verplichting op zich hebben genomen elk hun zes aandelen in Thubema à pari aan [eiser] te verkopen en te leveren, zodra zij van Thubema niets meer te vorderen zullen hebben; dat uit deze regelingen duidelijk blijkt, dat [eiser] er het allergrootste belang bij heeft, dat de schulden, die Thubema jegens de familiecrediteuren heeft, worden voldaan; dat evenwel de familiecrediteuren niet van zins zijn het hun competerende van Thubema op te vorderen en Thubema zelf (in welke N.V.de familiecrediteuren het zeggenschap hebben) eigener beweging evenmin tot voldoening dier schulden wenst over te gaan; dat daarom [eiser] aan de familiecrediteuren heeft aangeboden hun voor en namens Thubema, en tot kwijting van deze, de voormelde hun door Thubema verschuldigde bedragen te voldoen en heeft aangemaand hun aandelen in Thubema aan hem [eiser] te verkopen en te leveren onder aanbieding van de koopsom, doch de familiecrediteuren geweigerd hebben betaling van de schulden van Thubema te accepteren, zich kennelijk ten doel stellende Thubema en het Thubema-contract tot aan het einde van [eiser] levensdagen in stand te houden; dat de familiecrediteuren dusdoende een ongebreidelde macht kunnen uitoefenen op alle vermogensbestanddelen en zakelijke belangen van [eiser] en hijzelf daaruit nimmer meer in handen kan krijgen dan de overeengekomen f 10.000,- per jaar; dat dit betekent een ondraaglijk misbruik van recht jegens [eiser] , waar immers het Thubema-contract geen andere bedoeling heeft dan [eiser] te helpen in finantiële moeilijkheden, die zich in 1932 aan hem voordeden; dat uitvoering dezer overeenkomst te goeder trouw aan de familiecrediteuren niet toestaat op den tweeëntwintig jaar geleden ingeslagen weg voort te gaan en [eiser] met deze Thubema- constructie te blijven "helpen", waar hij hulp niet meer van node heeft en, indien al, deze niet langer van de familiecrediteuren wenst te accepteren; dat [eiser] bij deurwaardersexploit het Thubema-contract heeft opgezegd onder herhaling van zijn aanbod tot betaling, doch de familiecrediteuren en Thubema deze opzegging naast zich neer hebben gelegd; dat het Thubema-contract eenzijdig opzegbaar is en, zo niet, in strijd zou zijn met de goede zeden; dat voor de levering van Thubema- aandelen ingevolge artikel 6 van haar statuten nodig is, dat Thubema met die overdracht instemt, ten blijke waarvan in een daartoe bijeen te roepen algemene vergadering van aandeelhouders goedkeuring aan zodanige overdracht moet worden gehecht;
dat [eiser] op deze gronden voor zover thans van belang heeft gevorderd de familiecrediteuren te veroordelen om tegen betaling door [eiser] aan ieder hunner van f 206.000,- namens Thubema en van f 6000,- uit eigen naam algehele kwijting aan Thubema te verlenen en ieder zes aandelen à f 1000,- nominaal in de N.V. Thubema aan [eiser] in vollen eigendom te leveren en voorts Thubema te veroordelen om de nakoming door haar medegedaagden van de verzochte veroordeling te gehengen en te gedogen;
dat de familiecrediteuren en Thubema bij antwoord onder meer hebben naar voren gebracht, dat [eiser] zich krachtens het Thubema-contract verplichtte zijn gehele vermogen - d.w.z. ook het gedeelte van zijn vermogen, dat door hem niet aan Thubema was verkocht - in administratie te geven aan en te laten bij Thubema totdat deze hare schuld aan de familiecrediteuren zou hebben afgelost, welke aflossing zo spoedig mogelijk geheel of bij gedeelten moest geschieden naarmate de contante middelen van Thubema zulks zouden toelaten; dat de contante middelen van Thubema, rekeninghoudende met reeds bestaande en in de naaste toekomst te verwachten verplichtingen, voorshands geen verdere afbetalingen
veroorloven; dat, nadat de hiervoren bedoelde hoofdsommen uit de contante middelen van Thubema geheel zullen zijn betaald, de eventueel door Thubema te maken winst jaarlijks ten goede komt van de familiecrediteuren, totdat ieder hunner uit die winst totaal f 86.000,- zal hebben ontvangen; dat eerst, nadat aan het in de vorige alinea bepaalde zal zijn voldaan, Thubema gerechtigd is dividend op hare aandelen uit te keren en [eiser] eerst alsdan gerechtigd is de 6 aandelen in Thubema, die ieder der familiecrediteuren bezit, van deze over te nemen tegen betaling der nominale waarde ad f 6.000, -; dat niet alleen naar de bewoordingen van het Thubema-contract, doch ook naar de bedoeling van partijen het recht voor [eiser] om de aandelen in Thubema te kopen eerst zou ontstaan na afloop van den tijd, nodig om aan het bovenstaande te voldoen; dat [eiser] in December 1953 ter kennis van gedaagden heeft gebracht, dat hij derden bereid had gevonden in de toekomst in de plaats der familiecrediteuren hem, [eiser] , te financieren, tengevolge waarvan hij aanbood onder meer namens Thubema aan de familiecrediteuren te betalen, hetgeen deze krachtens het Thubema-contract van Thubema te vorderen hadden; dat de familiecrediteuren en Thubema, die tot een en ander niet verplicht waren, geweigerd hebben - zulks met terzijdestelling van hun eigen belang - hun medewerking in deze te verlenen, nu dit zou zijn in strijd met de bewoordingen en den geest van het Thubema-contract;
dat de Rechtbank bij vonnis van 25 April 1955 aan [eiser] zijn vorderingen heeft ontzegd onder meer uit overweging, dat de strekking van het Thubema-contract was [eiser] in zijn eigen belang te houden uit handen van andere geldschieters; dat de Rechtbank misbruik van recht niet aanwezig acht; dat het ook niet in strijd is met de uitvoering van de overeenkomst te goeder trouw, dat de familiecrediteuren het aanbod van [eiser] om hun namens Thubema volledig te betalen niet hebben aanvaard; dat de strekking der overeenkomst zich verzet tegen eenzijdige opzegging door [eiser] ; dat [eiser] bij pleidooi heeft gesteld,
dat hij, ongeacht het hierboven overwogene, krachtens artikel 1418 van het Burgerlijk Wetboek het recht heeft de schuld van Thubema aan de familiecrediteuren te betalen; dat evenwel vaststaat, dat zowel de debiteur Thubema, als de crediteuren deze betaling niet wensen, en wel, zoals uit het hierboven overwogene volgt, om redenen die niet strijdig zijn met de goede trouw; dat derhalve [eiser] tegen hun wil den tussen debiteur en crediteuren bestaanden rechtsband niet mag slaken;
dat [eiser] in hoger beroep tegen dit vonnis onder meer de navolgende grieven heeft aangevoerd:
1. de Rechtbank overweegt ten onrechte, dat het Thubema-contract bedoelt [eiser] te houden uit handen van andere geldschieters;
2. ten onrechte heeft de Rechtbank [eiser] stelling dat de familiecrediteuren het Thubema-contract niet te goeder trouw zouden uitvoeren verworpen;
3. ten onrechte meent de Rechtbank dat de strekking van het Thubema-contract zich verzet tegen eenzijdige opzegging;
4. ..................
5........................
6. ten onrechte meent de Rechtbank, dat [eiser] zich niet op artikel 1418 van het Burgerlijk Wetboek kan beroepen, omdat het daarin neergelegde recht niet zou gelden, als debiteur en crediteur beiden de aflossing door een derde niet zouden wensen;
7. ten onrechte heeft de Rechtbank geheel buiten beschouwing gelaten, dat niet alleen de eerste alinea van artikel 1418 van het Burgerlijk Wetboek van toepassing is, waarbij de Rechtbank bijzonderlijk artikel 1248 van het Burgerlijk Wetboek over het hoofd heeft gezien;
8 .. ......
dat het Hof bij het bestreden arrest de navolgende feiten als tussen partijen vaststaande heeft vooropgesteld:
"A. [eiser] heeft van zijn in 1912 en 1922 overleden ouders geërfd een vermogen, hetwelk in die tijd ruim f 4.200.000,- waard was; B. in 1932 bevond [eiser] zich in financiële moeilijkheden; hij heeft niet ontkend, dat zijn schulden toen omstreeks f 1.200.000,- beliepen; C. de familiecrediteuren hebben toen in overleg met [eiser] de N.V. Thubema opgericht; D. vervolgens hebben [eiser] , de familiecrediteuren en Thubema een overeenkomst gesloten, van welke de op 30 April 1932 schriftelijk vastgelegde considerans luidt: "dat partij II (in casu [eiser] ) in een impasse is geraakt doordat zijn bankier hem niet langer crediet wil geven, doch integendeel een aanvang heeft gemaakt met de executie van in onderpand gegeven fondsen; dat verdere executie in de huidige omstandigheden niet anders dan op zeer nadelige wijze kan plaats vinden en waarschijnlijk zou leiden tot algehele vernietiging van zijn vermogen; dat partij I (in casu de familiecrediteuren) te rade is gegaan om in afwachting van gunstiger tijden de vermogenspositie van partij II (in casu [eiser] ) zoveel mogelijk te beschermen en tot dat doel heeft opgericht de N. V. Beleggings Maatschappij Thubema; " E. voorzover ten deze van belang hield deze overeenkomst het volgende in: [eiser] verkocht aan Thubema effecten geschat op f 1.309.386,88 en vorderingen geschat op f 10.000, -; Thubema betaalde in mindering op de koopsom de schuld van [eiser] aan zijn bankier, hierboven genoemd en voorts de ten laste van [eiser] komende periodieke renten, zakelijke belastingen en kosten tot een maximum van f 44.500,- per jaar, waarin was begrepen f 10.000,-per jaar voor persoonlijke uitgaven van [eiser] en diens gezin, doch slechts voorzover ter bestrijding van deze lasten en kosten niet mochten toereikend zijn de uit het vermogen van [eiser] komende baten, waaronder begrepen salarissen, welke hij terstond aan Thubema moest afdragen. Het restant der koopsom kon [eiser] eerst opvorderen wanneer de familiecrediteuren niets meer van Thubema te vorderen zouden hebben. [eiser] verbond zich het door hem niet aan Thubema verkochte deel van zijn vermogen aan deze in administratie te geven en te laten tot het in artikel 4 dier overeenkomst bedoelde tijdstip. De familiecrediteuren verschaften aan Thubema bijwijze van geldlening de gelden nodig voor de bovenbedoelde betalingen en wel ieder voor een derde deel, waarvoor hun 4% rente per jaar zou worden vergoed. Na algehele aflossing der vorderingen van de familiecrediteuren had [eiser] het recht van hen hun aandelen in Thubema à pari over te nemen en het nog onbetaald gebleven deel der voormelde koopsom op te eisen; F. bij schriftelijke overeenkomst tussen partijen van 14 Mei 1932 werd de totale koopprijs der effecten van [eiser] nader bepaald op f 1.298.926,88 en het totale bedrag van zijn lopende schulden op f 110.000,- in plaats van f 115.000, -; G. bij schriftelijke overeenkomst tussen partijen van 27 December 1938 werd bepaald, dat Thubema verplicht was naarmate haar contante middelen dit toelieten, de leningen der familiecrediteuren zo spoedig mogelijk terug te betalen en dat de drie familiecrediteuren in plaats van rente over hun vorderingen ieder een winstaandeel in Thubema zouden ontvangen van f 86.000,- nadat de door hen verstrekte geldleningen zouden zijn terug betaald; H. tot de effecten, welke [eiser] bij eerstgenoemde overeenkomst aan Thubema overdroeg behoorde het gehele aandelenkapitaal der N.V. Mij tot exploitatie van het Kasteel Oud Wassenaar, welke het gelijknamige hotel exploiteerde, hetwelk sindsdien door Thubema werd beheerd. Deze N.V.is met gebruikmaking van het liquidatiebesluit 1941 geliquideerd nadat [eiser] van Thubema het aandelenkapitaal dier N. V. had teruggekocht; I. bij schriftelijke overeenkomst van 8 September 1942 machtigde [eiser] Thubema onherroepelijk de bestanddelen, die door voormelde liquidatie aan zijn vermogen werden toegevoegd, voor hem te administreren en wel tot het tijdstip genoemd in artikel 4 van het Thubema-contract; J. in 1951 bleek aan de familiecrediteuren dat [eiser] van de toenmalige gérant van het toenmalige Kasteel Oud Wassenaar gelden had geleend, dat hij deswege met inbegrip van rente rond f 60.000,- schuldig was en niet in staat was op de door hem overeengekomen tijdstippen het verschuldigde aan zijn crediteur terug te betalen. Thubema heeft zich toen op verzoek van [eiser] bereid verklaard deze schuld ten laste en ten behoeve van hem te voldoen; K. [eiser] , die reeds bij het Thubema-contract aan de familiecrediteuren tot zekerheid van hun vorderingen op Thubema zijn vordering op die maatschappij in pand had gegeven, heeft toen bij notariële akten van 2 en 3 Maart 1951 meerdere zekerheid aan de familiecrediteuren verleend voor zijn niet met zijn vordering op Thubema te compenseren schuld aan deze maatschappij; L. voorts hebben bij schriftelijke overeenkomst van 13 en 16 Maart 1951 [eiser] en Thubema nogmaals uitdrukkelijk verklaard, dat de bevoegdheid tot het verrichten van alle daden van beheer en beschikking ten aanzien van de administratie van de in het hotel Kasteel Oud bod Wassenaar aanwezige activa en passiva in de ruimste zin met ingang van 8 September 1952 door [eiser] aan Thubema is overgedragen en heeft [eiser] zich nogmaals verplicht zich te onthouden van alle daden van beheer en beschikking nopens dit vermogensbestanddeel; M. de Maatschappij tot Financiering van het Nationaal Herstel heeft zich in het begin van 1953 bereid verklaard een geldlening van f 150.000,- te verstrekken aan Thubema teneinde verbetering van de accomodatie van het hotel Kasteel Oud Wassenaar mogelijk te maken; N. in verband daarmede verleende [eiser] bij akte van 22 April 1953 aan Thubema en de te Utrecht gevestigde N.V. Stichts Beheer last en volmacht tot het aangaan van verbintenissen met die geldgeefster; 0. tenslotte droeg [eiser] bij akte van 18 Juni 1953 nogmaals aan Thubema of een door haar aan te wijzen derde het beheer over het Kasteel Oud Wassenaar op, met bepaling, dat deze opdracht niet herroepbaar was dan nadat Thubema haar schuld aan de familiecrediteuren volledig zou hebben terugbetaald en wees bij die akte Thubema de N.V. Stichts Beheer als beheerster van dat hotel aan; P. in December 1953 heeft [eiser] aan de familiecrediteuren medegedeeld, dat hij anderen bereid gevonden had hem in hun plaats te financieren. [eiser] heeft hun toen aangeboden namens Thubema te betalen hetgeen zij van Thubema te vorderen hadden, n.l. per persoon f 120.000,- als hoofdsom en f 86.000,- als winstaandeel en hen tevens aangemaand hem hun aandelen in Thubema te verkopen, waartoe hij aan ieder hunner f 6.000,- aanbood voor overname à pari van de zes aandelen, die zij ieder hebben; Q. de familiecrediteuren en Thubema hebben echter geweigerd dit aanbod aan te nemen; [betrokkene 2] heeft daarop de familiecrediteuren en Thubema in kort geding voor de President der Haagse Rechtbank doen dagvaarden teneinde hen te doen veroordelen tot hetzelfde als hetgeen hij in de dagvaarding voor de Rechtbank heeft gevorderd, welke voorziening de President bij zijn vonnis van 6 Februari 1955 heeft geweigerd; [betrokkene 3] heeft vervolgens bij exploiten van 1 Maart 1954 aan de familiecrediteuren en Thubema het Thubema-contract en de voormelde overeenkomsten van 14 Mei 1932 en 27 December 1938 met onmiddellijke ingang opgezegd, hen gesommeerd tot hetzelfde waartoe hij hen in kort geding had gedagvaard en hun aangezegd, dat tengevolge van die opzegging vervallen waren, subsidiair werden ingetrokken, de bevoegdheid van Thubema tot beheer en beschikking over [eiser] vermogen, de opdracht en volmacht vervat in bovenvermelde overeenkomsten van 8 September 1942, en 13 en 16 Maart 1951 en in bovenvermelde akte van 18 Juni 1953 en de last en volmacht, vervat in bovenvermelde akte van 22 April 1953; T. de familiecrediteuren en Thubema hebben evenwel deze opzegging naast zich neergelegd en zich gesteld op het standpunt, dat [eiser] daarmede geen effect sorteren kan."
dat het Hof vervolgens, voor zover in cassatie van belang, heeft overwogen:
"dat naar 's Hofs oordeel het belangrijkste, zo al niet het beslissende, strijdpunt tussen partijen betreft de uitlegging en toepassing van artikel 1418 van het Burgerlijk Wetboek waartegen de grieven van [eiser] sub 6 en 7 zijn gericht;
"dat immers [eiser] daarin meent steun te vinden voor zijn recht om tot aflossing van de familiecrediteuren - met daaraan annex zijn recht te vorderen, dat die familiecrediteuren hun aandelen in Thubema zullen verkopen en leveren tegen betaling van aan ieder hunner f 6000,-, in totaal f 18.000,- - over te gaan wijl gezegd recht tot aflossing hem in de eerste plaats toekomt uit hoofde van zijn belang ingevolge artikel 1418 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek en voorts in ieder geval ingevolge artikel 1418,lid 2;
"dat, zelfs bijaldien aan de bepaling van lid 1 een verderstrekkende betekenis zoude zijn toe te kennen dan de overbodige erkenning, dat ook betaling door een derde de verbintenis doet te niet gaan, in dier voege, dat de schuldeiser gehouden zoude zijn betaling van een derde te aanvaarden en mitsdien in lid 1 zoude zijn nedergelegd het bij een derde bestaande recht de verbintenis door voldoening daarvan te doen te niet gaan, dan nog in ieder geval zodanige verplichting, onderscheidenlijk zodanig recht slechts zoude worden erkend in dat voorschrift, indien de derde die de kwijting dier verbintenis wenst, daarbij (dat wil zeggen bij die kwijting) een belang heeft;
"dat thans de vraag rijst in welk opzicht dat belang bij dien derde moet bestaan, in het bijzonder reeds dadelijk, of die derde niet bij het tenietgaan der verbintenis geïnteresseerd moet zijn in dier voege, dat hij, evenals de schuldenaar tot het doen der betaling is verplicht, gelijk immers uit de bijvoeging "gelijk een medeschuldenaar of een borg" zou zijn af te leiden;
"dat naar 's Hofs oordeel inderdaad aldus is te verstaan de in lid 1 van artikel 1418 gestelde eis, dat de derde, die de betaling verricht, daarbij "belang heeft";
"dat dit duidelijk naar voren komt uit het bepaalde in het tweede lid van het artikel, waarin, indien de betaling geschiedt door een derde, die daarbij geen belang heeft, de voorwaarde wordt gesteld dat deze handelt "in naam en tot kwijting van de schuldenaar", waarvan niet is sprake in lid 1;
"dat dit verschil slechts is verklaarbaar indien de werking en toepasselijkheid van het eerste lid wordt beperkt tot degenen op wie (naast de schuldenaar een verplichting tot betaling rust immers, indien lid 1 ook op het oog had anderen dan de mede tot betaling verbondenen, niet is begrijpelijk, waarom te hunnen aanzien niet evenzeer de eis zoude moeten worden gesteld, dat de betaling geschiedt tot kwijting van de schuldenaar;
"dat nu [eiser] nog met nadruk heeft gewezen op de omstandigheid, dat hij - hij moge dan al niet rechtstreeks en onmiddellijk de wettelijke verplichting hebben de schuld van Thubema aan de familiecrediteuren te voldoen - in zoverre bij die voldoening een door de wet erkend belang heeft, wijl hem toebehorende onroerend goed voor die schuld is verbonden, zulks in verband met en blijkens artikel 1248 van het Burgerlijk Wetboek;
"dat deze grief den Hove gegrond voorkomt, inzoverre, dat de Rechtbank aan die stelling van [eiser]
ten onrechte geheel is voorbijgegaan;
"dat zij evenwel overigens faalt;
"dat gemeld artikel 1248 van het Burgerlijk Wetboek aan de derde-bezitter het recht toekent om ingeval uitwinning van zijn onroerend goed onder hem plaats heeft, die uitwinning te doen ophouden door de kwijting van de ingeschreven schuld met de bevoorrechte renten en met de kosten, doch daaruit nog geenszins valt te lezen, dat ook indien zodanige uitwinning nog niet is ondernomen en zelfs niet blijkt - zelfs niet is gesteld - dat die uitwinning dreigt, de derde het recht toekomen zou tot betaling van de schuld over te gaan en de crediteur verplicht zoude zijn die betaling te aanvaarden;
"dat - voorzover [eiser] in eerste aanleg zijn vordering beoogd heeft mede te doen steunen op artikel 1418, lid 2, van het Burgerlijk Wetboek zoals zoude zijn te lezen in het dertigste "aangezien" der dagvaarding, waarin hij stelde de betaling te hebben aangeboden "voor en namens Thubema" - ook dat voorschrift geen grond geeft om [eiser] gerechtigd te achten van de familiecrediteuren te eisen, dat zij de hem door [eiser] aangeboden betaling accepteren, indien zowel die crediteuren zelf als de debiteur - in casu Thubema - zodanige betaling niet wensen;
"dat blijkens het vorenstaande de zesde en zevende door [eiser] aangevoerde grieven niet tot vernietiging van het vonnis vermogen te leiden;
"dat ingevolge het vorenstaande de eerste grief dient te worden verworpen, als zijnde niet terzake dienende;
"dat immers aan [eiser] weliswaar kan worden toegegeven, dat het z.g. Thubema-contract de considerans bevat:
"" dat [eiser] in een impasse is geraakt, doordat zijn bankier hem niet langer crediet geven wil maar integendeel een aanvang heeft gemaakt met executie van in onderpand gegeven fondsen en wijl verdere executie in de huidige omstandigheden niet anders dan op zeer nadelige wijze kan plaats vinden en waarschijnlijk zou leiden tot algehele vernietiging van zijn vermogen, weshalve hij te rade is gegaan om in afwachting van gunstigere tijden zijn vermogenspositie zoveel mogelijk te beschermen"" op grond waarvan met de andere contractanten wordt overeengekomen als in dat Thubema-contract nedergelegd, doch de enkele omstandigheid, dat derhalve hij, [eiser] , enigermate mogelijkerwijs het initiatief tot het aangaan dier overeenkomst heeft genomen in zijn eigen welbegrepen belang, nog niet medebrengt zijn recht de bij die overeenkomst geschapen toestand te beëindigen middels de door hem aan de z.g. familiecrediteuren aangeboden betaling van hetgeen Thubema aan hen nog is verschuldigd, immers dat pretense recht noch in het eerste noch in het tweede lid van artikel 1418 van het Burgerlijk Wetboek is vervat, gelijk hierboven werd overwogen;
"dat een zelfde lot beschoren is aan [eiser] tweede grief;
"dat toch de Rechtbank terecht heeft overwogen, welke overweging het Hof tot de hare maakt en als hier overgenomen beschouwt, "" dat misbruik van recht ten deze niet aanwezig is, wijl niet blijkt van het ontbreken van redelijk belang bij de familiecrediteuren en uitsluitende bedoeling tot benadeling van [eiser] "", waaraan het Hof nog toevoegt, dat blijkens de gedingstukken zowel de familiecrediteuren als Thubema zich stellen op het standpunt, dat juist het belang van [eiser] is de aangeboden betaling niet te aanvaarden en zelfs al zouden zij zich daarbij schuldig maken aan een onjuist inzicht in wat [eiser] belang wel dan niet medebrengt zij zelfs dan niet gezegd kunnen worden zijn belangen op niet verantwoorde en onbetamelijke wijze te willen benadelen;
"dat hierin reeds zijn weerlegging vindt hetgeen [eiser] in zijn tweede grief verder betoogt luidens hetwelk de Rechtbank ten onrechte een in de houding der familiecrediteuren en van Thubema gelegen strijd met de goede trouw niet aanwezig acht;
"dat mede te dien aanzien het Hof als hier overgenomen beschouwt de overweging der Rechtbank, dat zodanige strijd met de goede trouw ontbreekt, wijl zowel die crediteuren als Thubema waren en zijn van oordeel - zij het dan ook mogelijkerwijze ten onrechte - de belangen van [eiser] dusdoende te dienen en naar 's Hofs oordeel de Rechtbank die redengeving deugdelijk heeft geput uit het vaststaande feit, dat de niet betwiste brief van de accountants Oudshoff en Besançon van 23 November 1954 duidelijk uitwijst, dat de familiecrediteuren de belangrijke bedragen van in April 1932 - tijdstip van het afsluiten der Thubema-overeenkomst - circa f 228.000,- per hoofd en einde 1953 f 120.000,- per hoofd aan Thubema hadden geleend en bij algehele aflossing op laatstgemelde datum met inbegrip van een betaling van f 15.000,- in 1937 voor rente en van hun winstaandeel ad f 86.000,- gemiddeld een enkelvoudige rente van 2.45% zouden hebben genoten, weshalve zij zeker niet geacht kunnen worden zich bij het bepalen van hun houding in strijd met de goede trouw meer door hun eigen belang dan door dat van [eiser] te hebben doen leiden;
"dat ook [eiser] derde grief niet vermag te slagen;
"dat [eiser] toch daarin betoogt, dat de Rechtbank ten onrechte zich heeft gesteld op het standpunt, dat vaker bedoelde overeenkomst, bij gebreke van desbetreffende voorziening daarin, niet eenzijdig opzegbaar is, brengende [eiser] naar voren, dat omgekeerd die opzegbaarheid moet worden aangenomen, nu de overeenkomst haar niet uitsluit, omdat in beginsel elke verhouding, welke men wenst te slaken, opzegbaar behoort te zijn;
"dat het Hof oordeelt de juistheid van laatstbedoelde stelling in het midden te kunnen laten;
"dat toch zelfs indien zij juist zoude zijn, dit nog geenszins medebrengt, dat opzegging ook zal kunnen
geschieden door een ander dan de familiecrediteuren en/of door Thubema, in casu door [eiser] , met als gevolg, dat hij daardoor het recht zoude verkrijgen zelfs tegen de wil van die crediteuren en Thubema de schuld van de laatste aan de eersten door betaling te doen te niet gaan; "
dat het Hof na vervolgens ook nog overige grieven te hebben verworpen het vonnis van de Rechtbank heeft bekrachtigd;
Overwegende dat [eiser] tegen deze uitspraak de navolgende twee middelen van cassatie heeft voorgedragen:
"Schending, althans verkeerde toepassing van de artikelen 175 der Grondwet,20 der Wet op de Regterlijke Organisatie, 48,59 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, 1248,1252, 1418, 1438 van het Burgerlijk Wetboek door het vonnis van de Arrondissements-Rechtbank te 's-Gravenhage d.d. 25 April 1955 te bekrachtigen instede van de vorderingen van [eiser] toe te wijzen;
zulks op deze beslissing niet rechtvaardigende gronden als in het arrest vermeld en hier als herhaald te beschouwen, in het bijzonder door te overwegen, dat - buiten de eigenlijke schuldenaar - alleen die derde bij het teniet gaan der verbintenis belang heeft en recht deze heeft te kwijten indien hij evenals de schuldenaar tot het doen der betaling verplicht is, en voorts door te beslissen dat [eiser] - hoewel vaststaat dat hem toebehorend onroerend goed hypothecair verbonden is als zekerheid voor de vordering, welke de familiecrediteuren op Thubema kunnen doen gelden en welke vordering [eiser] had aangeboden te voldoen, geen recht toekomt deze schuld te voldoen en de familiecrediteuren gerechtigd waren de voldoening door [eiser] van deze schuld te weigeren, zulks op deze beslissing niet rechtvaardigende grond, dat de uitwinning van het verbonden goed nog niet was aangevangen en ook niet was gebleken of gesteld, dat deze uitwinning dreigde; hebbende tenslotte het Hof ten onrechte [eiser] niet gerechtigd geacht de betaling aangeboden "voor en namens Thubema" te doen, omdat zowel de schuldeisers als Thubema een betaling niet wensten, ook al vorderde [eiser] niet dat hij door de familiecrediteuren gesubrogeerd werd in hun rechten op Thubema;
II Schending, althans verkeerde toepassing van de artikelen 175 der Grondwet, 20 der Wet op de Regterlijke Organisatie, 48,59 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering en 1374 van het Burgerlijk Wetboek door de weigering van de familiecrediteuren en aflossing van het door Thubema aan hen schuldig zijnde bedrag door [eiser] te accepteren niet in strijd te achten met een uitvoering te goeder trouw van de in het arrest omschreven overeenkomst d.d. 30 April 1932, zoals deze later gewijzigd is, zulks hoewel in de overeenkomst zelve was overeengekomen, dat, na algehele aflossing der vorderingen van de familiecrediteuren, [eiser] het recht had van hen hun aandelen in Thubema à pari over te nemen en het nog onbetaald gebleven - geen rente dragend - deel der voormelde koopsom van Thubema op te eisen, in elk geval het aanwezig zijn van een redelijk belang bij de familiecrediteuren om te weigeren en het ontbreken bij hen en Thubema van een uitsluitende bedoeling om [eiser] te benadelen en zelfs het zich stellen door Thubema en de familiecrediteuren op het standpunt, dat het juist in het belang van [eiser] is de aangeboden betaling niet te aanvaarden, ook al zouden zij zich daarbij schuldig maken aan een onjuist inzicht, de evenvermelde weigering de uitvoering der overeenkomst zoals deze door de familiecrediteuren geschiedde, niet tot één volgens de goede trouw kon maken, te meer omdat [eiser] een hem toebehorend onroerend goed hypothecair als zekerheid voor de vordering van de familiecrediteuren op Thubema had verbonden en - ook al dreigde er nog geen uitwinning - in elk geval [eiser] terecht wilde overgaan tot aflossing, al was het alleen maar om uitwinningskosten te voorkomen en de aandelen Thubema over te nemen; "
Overwegende dat blijkens het bestreden arrest en de stukken van het geding, naar den inhoud waarvan het arrest verwijst, [eiser] met een beroep op het hem krachtens het Thubema-contract, waarbij hij partij is, jegens de familiecrediteuren toekomend recht om de aandelen in de N.V. Thubema van hen over te nemen zodra zij van Thubema niets meer te vorderen zullen hebben, na opzegging van dit contract en aanbod tot betaling van het door Thubema nog verschuldigde, heeft gevorderd de familiecrediteuren te veroordelen om, tegen betaling door hem, [eiser] , aan ieder hunner van f 166000,- namens Thubema en van f 6000,- uit eigen naam, algehele kwijting aan Thubema te verlenen en ieder zes aandelen à f 1000,- nominaal in de N.V. Thubema aan hem, [eiser] , in eigendom te leveren;
dat [eiser] - er van uitgaande dat het Thubema-contract, gelet op de door hem vermelde strekking daarvan, hem de vrijheid laat tot deze opzegging en om de schuld van Thubema aan de familiecrediteuren zelf af te lossen - onder meer met een beroep op het grote belang dat hij heeft bij de aflossing van bedoelde schuld teneinde door verwerving van het recht op de Thubema-aandelen de vrije beschikking over zijn vermogen te herkrijgen, heeft aangevoerd, dat de familiecrediteuren door de door hem aangeboden betaling te weigeren en aldus te verhinderen dat hij zijn financiële zelfstandigheid herwint misbruik maken van hun machtspositie en de overeenkomst niet te goeder trouw ten uitvoer brengen; dat [eiser] verder nog in den loop van het geding heeft naar voren gebracht, dat, ongeacht zijn beroep op het Thubema-contract, hij ook krachtens artikel 1418 van het Burgerlijk Wetboek het recht heeft de schuld van Thubema aan de familiecrediteuren te betalen;
dat de familiecrediteuren hiertegenover het standpunt hebben verdedigd dat het Thubemacontract naar zijn strekking, naar zijn bewoordingen en naar de bedoeling van partijen, althans naar hetgeen deze overeenkomst naar de eisen van redelijkheid en billijkheid meebrengt, zich verzet tegen de eenzijdige opzegging door Thuwkow en niet toelaat dat deze de schuld van Thubema aan hen met behulp van een nieuwen geldschieter aflost; dat, hiervan afgezien, artikel 1418, waarop [eiser] zich bovendien beroept, door hem verkeerd is uitgelegd;
Overwegende dat het Hof zijn afwijzing van de vordering zowel grondt op de overweging dat [eiser] voor deze vordering geen steun kan vinden in het bepaalde in artikel 1418 van het Burgerlijk Wetboek, als op die, dat de familiecrediteuren door de aflossing te weigeren niet - zoals [eiser] in de eerste plaats betoogd had - handelden in strijd met de goede trouw, waarmede de Thubema-overeenkomst moest worden uitgevoerd;
dat echter artikel 1418 van het Burgerlijk Wetboek niet geeft een regeling van dwingend recht, maar ene, welke slechts kan gelden, indien contractueel tussen de partijen bij de verbintenis en den derde niet iets anders is overeengekomen;
dat hieruit volgt, dat [eiser] geen belang heeft bij zijn bestrijding in het eerste middel van den door het Hof aan artikel 1418 van het Burgerlijk Wetboek gegeven uitleg;
dat toch, mocht de door het Hof in de tweede plaats gegeven overweging juist zijn en dus de overeenkomst aan de familiecrediteuren toestaan de aangeboden betaling te weigeren, de uitleg van genoemd artikel er niet aan af kan doen dat door deze overweging de afwijzing van de vordering ten volle is gerechtvaardigd, terwijl, indien de in het tweede middel vervatte, tegen den in deze overweging gegeven grond voor 's Hofs beslissing gerichte, klacht omtrent de onjuistheid van den door het Hof aangelegden maatstaf voor de goede trouw opgaat, het Hof na terugwijzing der zaak zal moeten onderzoeken, welk van de beide hierboven weergegeven standpunten van partijen betreffende de betekenis van het Thubema-contract het juiste is en van de uitkomst van dit onderzoek zal afhangen of [eiser] al dan niet het recht heeft onder de gegeven omstandigheden het contract op te zeggen en met behulp van een nieuwen geldschieter de schuld van Thubema aan de familiecrediteuren af te lossen;
dat eenzelfde gemis aan belang geldt voor wat betreft de in het eerste middel vervatte stelling omtrent artikel 1248 van het Burgerlijk Wetboek, vermits, daargelaten of deze bepaling moet worden uitgelegd als bij de toelichting van het middel verdedigd, zij niet kan meebrengen, dat de derde-bezitter van een met hypotheek bezwaard goed te allen tijde ook voordat de uitwinning is aangevangen de ingeschreven schuld mag voldoen, indien hij uit krachte van een overeenkomst met den hypothecairen schuldeiser aangegaan deze bevoegdheid mist;
Overwegende dat mitsdien het eerste middel buiten behandeling kan blijven;
Overwegende ten aanzien van het tweede middel: dat de beslissing, waartegen dit middel zich keert,
hierop neerkomt, dat het Hof de stelling van [eiser] dat de weigering door de familiecrediteuren om de betaling te aanvaarden in strijd was met een uitvoering der overeenkomst te goeder trouw, heeft terzijde gesteld zonder te onderzoeken wat in verband met den aard van deze overeenkomst en de omstandigheden de beginselen van redelijkheid en billijkheid aan partijen te dezen voorschreven, doch - lettende enkel op de innerlijke gezindheid van de familiecrediteuren - uit overweging dat de bedoeling om [eiser] te benadelen ontbrak en dat de familiecrediteuren te goeder trouw meenden, zij het ook mogelijkerwijs ten onrechte, in zijn belang te handelen;
dat dit middel daarom terecht erover klaagt, dat aldus het Hof het begrip goede trouw in artikel 1374, lid 3, van het Burgerlijk Wetboek heeft miskend en deze wetsbepaling verkeerd heeft toegepast;
Overwegende dat mitsdien het tweede middel gegrond is;
Vernietigt het bestreden arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage;
Verwijst het geding naar dit Hof teneinde de zaak met inachtneming van deze uitspraak verder te behandelen en te beslissen;
Veroordeelt verweerders in cassatie in de kosten der cassatie aan de zijde van den eiser gevallen, tot aan deze uitspraak begroot op vijf en vijftig gulden vijf en zeventig cent aan verschotten en op zevenhonderd vijftig gulden voor salaris.
Gedaan bij de Heren Donner, President, Smits, Boltjes, Hülsmann en Dubbink, Raden, en door den President voornoemd uitgesproken ter openbare terechtzitting van den een en twintigsten Juni 1900 zeven en vijftig, in tegenwoordigheid van den Advocaat-Generaal Langemeijer.