ECLI:NL:PHR:1957:7

ECLI:NL:PHR:1957:7, Parket bij de Hoge Raad, 10-05-1957, 9092

Instantie Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak 10-05-1957
Datum publicatie 20-01-2026
Zaaknummer 9092
Rechtsgebied Civiel recht
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:HR:1957:191

Samenvatting

Betaling door een derde. Uitlegging van art. 1418 en van art. 1248 B.W. Betekenis van den term „te goeder trouw" in art. 1374 B.W.

Uitspraak

vDr.

No.9092.

Zitting 10 mei 1957.

Mr. Langemeijer.

Conclusie inzake

[eiser]

tegen

[verweerders]

Edele Hoog Achtbare Heren,

Voor de weergave van de niet alledaagse feiten in deze zaak kan ik het best verwijzen naar de samenvatting, die het Hof daarvan geeft met de toevoeging, dat zij als onweersproken tussen partijen vaststaan. Deze samenvatting luidt: "[eiser] (waarmede bedoeld is eiser tot cassatie) heeft van zijn in 1912 en 1922 overleden ouders geërfd een vermogen, hetwelk in die tijd ruim f.4.200000. - waard was.

B. In 1932 bevond [eiser] zich in financiële moeilijkheden; hij heeft niet ontkend, dat zijn schulden toen omstreeks f.1.200.000 .- beliepen. Uit het hierna te bespreken Thubema- contract met bijlagen blijkt, dat deze schulden bestonden uit een schuld aan zijn bankier van ruim f.682.000 .- diverse andere schulden, waaronder belastingaanslagen ten bedrage van f. 115.000 .- en nog privé-schulden ten bedrage van f. 354.000. - en f.8.500 .- .

C. De gedaagden sub a t/m c, hierna te noemen de familiecrediteuren hebben toen in overleg met Thukow de gedaagde sub d, Thubema opgericht.

D. Vervolgens hebben [eiser], de familiecrediteuren en Thubema een overeenkomst gesloten, van welke de op 30 April 1932 schriftelijk vastgelegde overeenkomst luidt: " dat partij II (in vasu eiser [eiser]) in een impasse is geraakt doordat zijn bankier hem niet langer crediet wil geven, doch integendeel een aanvang heeft gemaakt met de executie van in onderpand gegeven fondsen; "dat verdere executie in de huidige omstandigheden niet anders dan op zeer nadelige wijze kan plaats vinden en waarschijnlijk zou leiden tot algehele vernietiging van zijn vermogen;

"dat partij I ( in casu de familiecrediteuren) te rade is gegaan om in afwachting van gunstiger tijden de vermogenspositie van partij II (in casu [eiser]) zoveel mogelijk te beschermen en tot dat doel heeft opgericht de N. V. Beleggings Maatschappij Thubema; "

E. Voorzover ten deze van belang hield deze overeenkomst het volgende in: eiser [eiser] verkocht aan Thubema effecten geschat op : F.1.309.386,88 en vorderingen geschat op F. 10.000. -; Thubema betaalde in mindering op de koopsom de schuld van eiser [eiser] aan zijn bankier, hierboven genoemd en voorts de ten laste van eiser [eiser] komende periodieke renten, zakelijke belastingen en kosten tot een maximum van F. 44.500 .- per jaar, waarin was begrepen F. 10.000 .- per jaar voor persoonlijke uitgaven van eiser [eiser] en diens gezin, doch slechts voorzover ter bestrijding van deze lasten en kosten niet mochten toereikend zijn de uit het vermogen van eiser komende baten, waaronder begrepen salarissen, welke hij terstond aan Thubema moest afdragen.

Het restant der koopsom kon eiser [eiser] eerst opvorderen wanneer de familiecrediteuren niets meer van Thubema te vorderen zouden hebben.

Eiser [eiser] verbond zich het door hem niet aan Thubema verkochte deel van zijn vermogen aan deze in administratie te geven en te laten tot het in artikel 4 dier overeenkomst bedoelde tijdstip. De familiecrediteuren verschaften aan Thubema bij wijze van geldlening de gelden nodig voor de bovenbedoelde betalingen en wel ieder voor een derde deel, waarvoor hun 4% rente per jaar zou worden vergoed. Na algehele aflossing der vorderingen van de familiecrediteuren had eiser [eiser] het recht van hen hun aandelen in Thubema a pari over te nemen en het nog onbetaald gebleven deel der voormelde koopsom op de eisen.

F. Bij schriftelijke overeenkomst tussen partijen van 14 Mei 1932 werd de totale koopprijs der effecten van eiser [eiser] nader bepaald op F. 1. 298. 926, 88 en het totale bedrag van zijn lopende schulden op F. 110. 000. - in plaats van F. 115.000 .-;

G. Bij schriftelijke overeenkomst tussen partijen van 27 December 1938 wed bepaald, dat Thubema verplicht was naarmate haar contante middelen dit toelieten, de leningen der familiecrediteuren zo spoedig mogelijk terug te betalen en dat de drie familiecrediteuren in plaats van rente over hun vorderingen ieder een winstaandeel in Thubema zouden ontvangen van F. 86. 000. - nadat de door het verstrekte geldleningen zouden zijn terug betaald .

H. Tot de effecten, welke eiser [eiser] bij eerstgenoemde overeenkomst aan Thubema overdroeg behoorde het gehele aandelenkapitaal der N.V. Mij. tot exploitatie van het Kasteel Oud Wassenaar, welke het gelijknamige hotel exploiteerde, hetwelk sindsdien door Thurbema werd beheerd, Deze N.V. is met gebruikmaking van het Liquidatiebesluit 1941 geliquideerd nadat eiser [eiser] van Thubema het aandelenkapitaal dier N.V. had terug gekocht

I. Bij schriftelijke overeenkomst van 8 September 1942 machtigde eiser [eiser] Thubema onherroepelijk de bestanddelen, die door voormelde liquidatie aan zijn vermogen werden toegevoegd, voor hem te administreren en wel tot het tijdstip genoemd in artikel 4 van het Thubema-contract.

J. In 1951 bleek aan de familiecrediteuren dat eiser van de toenmalige gerant van het toenmalige kasteel Oud Wassenaar gelden had geleend, dat hij deswege met inbegrip van rente rond F. 60. 000. - schuldig was en niet in staat was op de door hem overeengekomen tijdstippen het verschuldigde aan zijn crediteur terug te betalen. Thubema heeft zich toen op verzoek van eiser [eiser] bereid verklaard deze schuld ten laste en ten behoeve van hem te voldoen.

K. Eiser, die reeds bij het Thubemacontract aan de familiecrediteuren tot zekerheid van hun vorderingen op Thubema zijn vordering op die maatschappij in pand had gegeven, heeft toon bij notariële akten van 2 en 3 maart 1952 meerdere zekerheid aan die familiecrediteuren verleend voor zijn niet met zijn vordering op Thubema te compenseren schuld aan deze maatschappij.

L. Voorts hebben bij schriftelijke overeenkomst van 13 en 16 Maart 1951 eiser [eiser] en Thubema nogmaals uitdrukkelijk verklaard, dat de bevoegdheid tot het verrichten van alle daden van beheer en beschikking ten aanzien van de administratie van de in het hotel Kasteel Oud Wassenaar aanwezige activa en passiva in de ruimsten zin met ingang van 8 September 1952 door eiser aan Thubema is overgedragen en hoeft eiser zich nogmaals verplicht zich te onthouden van alle daden van beheer en beschikking nopens dit vermogensbestanddeel.

M. De Maatschappij tot Financiering van het Nationaal Herstel heeft zich in het begin van 1953 bereid verklaard een geldlening van F. 150.000 .- te verstrekken aan Thubema teneinde verbetering van de accomodatie van het hotel Kasteel Oud Wassenaar mogelijk te maken.

N. In verband daarmede verleende eiser [eiser] bij akte van 22 April 1953 aan Thubema en de te Utrecht gevestigde N.V. Stichts Beheer last en volmacht tot het aangaan van verbintenissen met die geldgeefster.

O. Tenslotte droeg eiser [eiser] bij akte van 18 juni 1952 nogmaals aan Thubema of een door haar aan te wijzen derde het beheer over het Kasteel Oud Wassenaar op, met bepaling, dat deze opdracht niet herroepbaar was dan nadat Thubema haar schuld aan de familiecrediteuren volledig zou hebben terugbetaald en wees bij die akte Thubema de N. V. Stichts Beheer als beheerster van dat hotel aan.

P. In December 1953 heeft eiser [eiser] aan de familiecrediteuren medegedeeld, dat hij anderen bereid gevonden had hem in hun plaats te financieren. Eiser heeft hun toen aangeboden namens Thubema te betalen hetgeen zij van Thubema te vorderen hadden, n. l. per persoon F.120.000 .- als hoofdsom en F.86.000 .- als winstaandeel en hen tevens aangemaand hem hun aandelen in Thubema te verkopen, waartoe hij aan ieder hunner F.6.000 .- aanbood voor overname a pari van de zes aandelen, die zij ieder hebben.

Q. De familiecrediteuren en Thubema hebben echter geweigerd dit aanbod aan te nemen.

R. Eiser [eiser] heeft daarop de gedaagden in kort geding voor de President der Haagsche Rechtbank doen dagvaarden teneinde hen te doen veroordelen tot hetzelfde als hetgeen hij in de dagvaarding voor de Rechtbank heeft gevorderd met uitzondering van het gevorderde tot het uitschrijven van een algemene vergadering van aandeelhouders der Thubema als boven aangegeven, welke voorziening de President bij zijn vonnis van 6 Februari 1955 heeft geweigerd.

S. Eiser [eiser] heeft vervolgens bij exploiten van 1 Maart 1954 aan de gedaagden het Thubema-contract en de voormelde overeenkomsten van 14 Mei 1932 en 27 December 1938 met onmiddellijke ingang opgezegd, gedaagden gesommeerd tot hetzelfde waartoe hij hen in kort geding had gedagvaard en hun aangezegd, dat tengevolge van die opzegging vervallen waren, subsidiair werden ingetrokken, de bevoegdheid van Thubema tot beheer van beschikking over eisers vermogen, de opdracht en volmacht vervat in bovenvermelde overeenkomsten van 8 September 1942, en 13 en 16 Maart 1951 en in bovenvermelde akte van 18 Juni 1953 en de last en volmacht, vervat in bovenvermelde akte van 22 April 1953.

T. Gedaagden hebben evenwel deze opzegging naast zich neergelegd en zich gesteld op het standpunt, dat eiser daarmede geen effect sorteren kan.".

In verband met deze feiten heeft eiser tot cassatie "Thubema c.s. doen dagvaarden voor gemelde Rechtbank, teneinde op de gronden in die dagvaarding en dienovereenkomstige conclusie van eis vervat de voornoemde gedaagden sub a, b en c te doen veroordelen om in hun hoedanigheid van familiecrediteuren tegen betaling door eiser aan ieder hunner van F.206.000 .- namens gedaagde sub d en van F.6.000 .- uit eigen naam algehele kwijting aan gedaagde sub d te verlenen en ieder zes aandelen à F. 1000 .- nominaal in de N.V. Beleggingsmaatschappij Thubema aan eiser in volle eigendom te leveren; in hun kwaliteit van enige aandeelhouders in de N. V. BeleggingsMij Thubema een daartoe bijeen te roepen aandeelhoudersvergadering bij te wonen en daaraan goedkeuring te hechten aan de voorvermelde overdracht hunner Thubema- aandelen en voorts de gedaagde sub d te doen veroordelen om een algemene vergadering harer aandeelhouders uit te schrijven met als punt van behandeling goedkeuring van de overdracht der aandelen als boven bedoeld; de nakoming door haar mede-gedaagden van de voorverzochte veroordeling te gehengen en te gedogen alles binnen veertien dagen na betekening van het vonnis en op verbeurte van een dwangsom van f.50.000 .- per dag voor elke der gedaagden die in gebreke mocht blijven deze veroordelingen na te komen; ".

De Rechtbank heeft deze vorderingen ontzegd en het Hof heeft deze beslissing bekrachtigd met een aanvulling van gronden, die gelegen is in de uitlegging van art. 1248 B. W. , die in het eerste cassatiemiddel ter sprake komt. Van de overwegingen, die het Hof gewijd heeft aan de acht grieven van appellant, worden in cassatie slechts bestreden die waarbij het Hof heeft geoordeeld, dat eiser tot cassatie noch aan artikel 1418 B.W. , hetzij nu lid 1 of lid 2, noch aan artikel 1248 het recht ontleent om de schuld van Thubema aan zijn familie tegen de zin van beide partijen af te lossen en die waarbij het Hof heeft uitgesproken, dat de familie door die aflossing te weigeren niet handelde in strijd met de goede trouw, waarmede de meer genoemde overeenkomst moest worden uitgevoerd.

Tegen deze oordeelvellingen zijn nu gericht de volgende cassatiemiddelen: "Schending, althans verkeerde toepassing van de artikelen 175 Grondwet, 20 Wet op de Regterlijke Organisatie, 48,59 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvorderingen, 1248, 1252, 1418, 1438 Burgerlijke Wetboek door het vonnis van de Arrondissements-Rechtbank te 's-Gravenhage dd, 25 april 1955 te bekrachtigen met aanvulling en verbetering instede van de vorderingen van eiser in cassatie toe te wijzen; zulks op deze beslissing niet rechtvaardigende gronden als in het arrest vermeld en hier als herhaald te beschouwen, in het bijzonder door te overwegen, dat - buiten de eigenlijke schuldenaar - alleen die derde bij het teniet gaan der verbintenis belang heeft en recht deze heeft te kwijten indien hij evenals de schuldenaar tot het doen der betaling verplicht is, en voorts door te beslissen dat eiser in cassatie - hoewel vaststaat dat hem toebehorend onroerend goed hypothecair verbonden is als zekerheid voor de vordering, welke verweerders in cassatie 1,2 en 3 op - verweerster in cassatie sub 4 - N.V. Thubema kunnen doen gelden en welke vordering eiser in cassatie had aangeboden te voldoen, geen recht toekomt deze schuld te voldoen en verweerders in cassatie sub 1,2 en 3 gerechtigd waren de voldoening door eiser in cassatie van deze schuld te weigeren, zulks op deze beslissing niet rechtvaardigende grond, dat de uitwinning van het verbonden goed nog niet was aangevangen en ook niet was gebleken of gesteld, dat deze uitwinning dreigde; hebbende tenslotte het Hof ten onrechte eiser in cassatie niet gerechtigd geacht de betaling aangeboden "voor en namens Thubema" te doen, omdat zowel de schuldeisers als N. V. Thubema een betaling niet wensten, ook al vorderde eiser in cassatie niet dat hij door verweerders in cassatie sub 1,2 en 3 gesubrogeerd werd in hun rechten op N.V. Thubema. II. Schending, althans verkeerde toepassing van de artikelen 175 Grondwet, 20 Wet op de Regterlijke Organisatie, 48,59 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering en 1374 Burgerlijk Wetboek door de weigering van verweerders in cassatie sub 1 2 en 3, om aflossing van het door N.V. Thubema aan hen schuldig zijnde bedrag door eiser in cassatie te accepteren, niet in strijd te achten met een uitvoering te goeder trouw van de in het arrest omschreven overeenkomst dd. 30 april 1932, zoals deze later gewijzigd is, zulks hoewel in de overeenkomst zelve was overeengekomen, dat, na algehele aflossing der vorderingen van de familiecrediteuren, eiser in cassatie [eiser] het recht had van hen hun aandelen in Thubema à pari over te nemen en het nog onbetaald gebleven - geen rente dragend - deel der voormelde koopsom van N. V. Thubema op te eisen, in elk geval het aanwezig zijn van een redelijk belang bij de familiecrediteuren om te weigeren en het ontbreken bij hen en N.V. Thubema van een uitsluitende bedoeling om eiser in cassatie te benadelen en zelfs het zich stellen door N. V. Thubema en de familiecrediteuren op het standpunt, dat het juist in het belang van eiser in cassatie is de aangeboden betaling niet te aanvaarden, ook al zouden zij zich daarbij schuldig maken aan een onjuist inzicht, de evenvermelde weigering de uitvoering der overeenkomst zoals deze door verweerders in cassatie geschiedde, niet tot een volgens de goede trouw kon maken, te meer omdat eiser in cassatie een hem toebehorend onroerend goed hypothecair als zekerheid voor de vordering van de familiecrediteuren op N. V. Thubema had verbonden en - ook al dreigde er nog geen uitwinning - in elk geval eiser in cassatie terecht wilde overgaan tot aflossing, al was het alleen maar om uitwinningskosten te voorkomen en de aandelen N.V. Thubema over te nemen.".

Aan de eigenlijke beoordeling van het. middel meen ik de volgende beschouwingen te moeten doen voorafgaan. Het Hof overweegt, dat het belangrijkste, zoal niet het beslissende, strijdpunt tussen partijen betreft de toepassing van artikel 1418 B.W. Deze beschouwingswijze kan mij niet bevredigen en wel reeds aanstonds hierom niet, omdat het hier een geval betreft, waarin van allesoverheersende betekenis is een overeenkomst van verre strekking en met complexe gevolgen tussen de crediteuren van de schuld waarom het gaat en de derde, die haar wenst te betalen. Dit is een geval, dat zover ligt buiten de kring van hetgeen de wetgever bij het vaststellen van de regeling van artikel 1418 redelijkerwijze zou hebben kunnen voorzien, dat toepassing van dit voorschrift - gesteld al zij zou enig houvast geven - niet veel beter dan een toevalseffect zou kunnen teweegbrengen. Te minder is er nu reden om de oplossing allereerst in zodanige toepassing te zoeken, nu het toch aan partijen ongetwijfeld vrij stond overeen te komen zowel dat eiser tot cassatie zou mogen aflossen buiten de gevallen in artikel 1418 voorzien als dat hem dit binnen die gevallen niet of niet zonder meer zou vrijstaan. Naar mijn mening had het dus de voorkeur verdiend eerst te onderzoeken, of niet uit de overeenkomst regeling van dit punt voortvloeide. Het Hof is ook in verschillende passages van zijn arrest er niet ver van af geweest dit te doen. Toch meen ik niet, dat men in één van die passages de beslissing kan lezen: dat de overeenkomst naar haar bepalingen, naar wet, gewoonte, billijkheid of goede trouw aflossing in het gegeven geval zou beletten, ook indien men zou aannemen dat artikel 1418 ruimer moet worden uitgelegd dan het Hof doet. Het laat zich als uiterst waarschijnlijk aanzien, dat het Hof, voor deze vraag gesteld, haar ten nadele van eiser tot cassatie zou hebben beantwoord. Uit de beslissing echter: dat de goede trouw de familie niet verplichtte in casu aan eiser tot cassatie toe te staan wat (volgens het Hof) de wet hem niet toestaat, mag men niet mede de beslissing afleiden: dat, indien zou moeten worden geoordeeld dat de wet aflossing wel toestaat, niettemin goede trouw die in casu verbiedt.

Niet alleen echter dat het zoeken van de oplossing in artikel 1418 naar mijn mening aan de eigenaardigheden van dit concrete geval niet goed recht zou doen wedervaren, ik meen ook dat dit zoeken zelfs geen zekerheid zou opleveren. Wat toch is het geval ? Artikel 1418 in zijn beide leden is een voorschrift, dat tot verschillende hoogst onzekere vragen aanleiding geeft. Zoveel echter is zeker, dat het onderscheid dat het voorschrift tussen "belanghebbenden" en andere derden maakt, in ieder geval slechts ten hoogste twee punten betreft: vooreerst dat de eersten niet op naam en tot kwijting van de schuldenaar behoeven te handelen en ten tweede dat bij de laatsten van belang is (overigens op ook al weder omstreden wijze), of zij worden gesubrogeerd of wensen gesubrogeerd te worden, dan wel niet. De onderscheiding die het Hof maakt echter is een geheel andere. Het Hof gaat er kennelijk van uit, dat eiser tot cassatie ook tegen de zin van schuldenaar en schuldeiser beiden zou mogen betalen, indien hij belanghebbende was, doch niet tegen hun verenigde wensen in, nu hij dat niet is. Dit laatste is een stelling, die verdedigd is door Asser-Losecaat Vermeer, blz. 305 en die mij op zichzelf juist zou voorkomen. Het is echter een stelling, die naast artikel 1418 staat, waarvoor de gronden niet ontleend kunnen worden aan dit artikel, maar veeleer, wat ook Losecaat-Vermeer doet (zowel voor de regel als voor de door hem erkende uitzonderingen, zij het dat die toevallig met art. 1418 lid 1 en 1248 samenvallen), aan het karakter der verbintenis in het algemeen. Wel is aannemelijk, dat men ook in het verband van deze leer de mogelijkheid zal moeten erkennen, dat bepaalde personen bij betaling van eens anders schuld zodanig belang hebben, dat zelfs schuldeiser en schuldenaar te zamen hun dat niet behoren te beletten, maar er is geen reden om deze groep te laten samenvallen met de groep van hen, die de bijzondere positie van artikel 1418,lid 1 voor zich kunnen inroepen. Zoals ik reeds meer in het algemeen opmerkte: het is denkbaar dat hij het aangaan van een schuld met borgtocht of hoofdelijkheid bepaald zou kunnen worden, dat de borg of een of meer medeschuldenaren niet eigenmachtig zullen mogen aflossen, en ik kan mij anderzijds voorstellen, dat bij een meer-partijen-overeenkomst aan een bepaalde partij de onaantastbare bevoegdheid zou worden toegekend om de schuld van een der andere partijen te betalen. En wat kan worden bedongen kan ook voortvloeien uit de goede trouw, nu toch de wet, met name artikel 1418 niets inhoudt over de vraag, of een derde, die geen belanghebbende is, maar ook geen subrogatie wenst of zal verkrijgen, soms voor de schuldenaar betalen kan ook tegen de wens van schuldenaar en schuldeiser beiden, Het verschil tussen een uitdrukkelijk beding en de werking der goede trouw zal hier slechts dit zijn, dat een beding zal gelden behoudens wellicht heel bijzondere omstandigheden, terwijl waar alles aan de goede trouw is overgelaten, alle bijzonderheden van het geval in volle omvang tot de beslissing kunnen mee werken. Een geval als hetgeen ons bezighoudt illustreert het belang hiervan. Het Hof heeft, zij het als gezegd in het kader van een andere vraag, beredeneerd waarom in dit geval de weigering om de betaling aan te nemen niet in strijd met de goede trouw was. De daarvoor aangevoerde gronden echter zijn zodanige, dat men zich zeer wel een textueel gelijke overeenkomst kan voorstellen, waarbij de omstandigheden met stelligheid tot de tegengestelde conclusie zouden leiden.

Wat vloeit hieruit nu voort ten aanzien van het middel I? Naar het mij voorkomt deszelfs gegrondheid voor wat aangaat de klacht: dat het of ten onrechte het ontbreken van eisers recht op betaling heeft afgeleid uit het samengaan van twee omstandigheden: het ontbreken van " belang" ( hetgeen hier niet anders kan worden begrepen dan als "belang" in de zin van artikel 1418 lid 1) en het handelen tegen de verenigde wil van schuldenaar en schuldeiser. Gelijk ik betoogde toch is de eerste omstandigheid in dit verband niet beslissend, terwijl de laatste ook naar mijn mening wel in het algemeen een beletsel tegen betaling door een derde is, maar toch niet een beletsel, dat niet doorkruist zou kunnen worden door de uitgesproken of geïmpliceerde gevolgen van een tussen partijen en die derde bestaande overeenkomst.

Voor niet gegrond daarentegen zou ik het door het middel mede gedane beroep op artikel 1248 houder. De woorden van dit artikel vormen naar mijn mening een sterke grond voor de uitlegging van het Hof. Scholten, Zakenrecht 8 dr. blz. 529 interpoleert bij zijn weergave van het artikel het woord "voorkómen", maar zelfs bij hem blijkt niet dat hij daarmede zou bedoelen, dat de derde-eigenaar op ieder ogenblik, ook wanneer de mogelijkheid van executie nog slechts in haar wettelijke kiem bestaat, de hypothecaire schuld zou kunnen aflossen. Dit zou inderdaad kwalijk te verenigen zijn zowel met het karakter van geldbelegging, dat hypothecaire vorderingen veelal dragen, als met de omstandigheid, dat men tenslotte geen eigenaar van een verhypothekeerd goed wordt zonder zijn wil of althans die van zijn rechtsvoorgangers onder algemene titel.

Het tweede middel schijnt mij stellig ongegrond. Het Hof heeft onderzocht, wat bij de gegeven bijzondere staat van zaken (en bij de uitlegging van artikel 1418,die het huldigde) de goede trouw van partijen eiste en het blijkt geenszins, dat het daarbij onjuiste maatstaven heeft aangelegd. Zulk een oordeel is in cassatie onaantastbaar.

Vernietiging op de door mij ondersteunde grond zal moeten leiden tot terugwijzing. Immers verweerders hebben bij hun verweer, zowel tegen de actie in eerste aanleg als tegen de grieven, terdege gesteld, dat de overeenkomst hun toestond de betaling af te wijzen. Of dit standpunt juist is, ook wanneer - los van de overeenkomst - artikel 1418 lid 1 ten gunste van eiser tot cassatie zou gelden, een vraag, die minstens voor een deel feitelijk is, zal dus nog moeten worden onderzocht.

Ik concludeer dat Uw Raad het arrest, waarvan beroep, vernietige en de zaak verwijzen naar het Gerechtshof te 's-Gravenhage teneinde haar met inachtneming van het door Uw Raad te wijzen arrest op het bestaande hoger beroep verder te behandelen en te beslissen onder veroordeling van verweerders in cassatie in de op het beroep gevallen kosten.

De Procureur Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden,

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?