ECLI:NL:HR:1960:153

ECLI:NL:HR:1960:153, Hoge Raad, 15-01-1960, 9335

Instantie Hoge Raad
Datum uitspraak 15-01-1960
Datum publicatie 09-01-2026
Zaaknummer 9335
Rechtsgebied Civiel recht
Procedure Cassatie
Zittingsplaats Den Haag
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:PHR:1959:4
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Aangehaald door 5 zaken

Aangehaald door

Samenvatting

Panhon Libco. Collectieve actie tot werkweigering. Wanpraestatie van werknemers? Onrechtmatige daad van vakorganisaties?

Uitspraak

Januari 1960.

DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

in de zaak (no.9335) van:

1. De rechtspersoonlijkheid bezittende vereniging "Scheepvaartvereniging Zuid" (vereniging

van werkgevers in de vervoer- en havenbedrijven), gevestigd te Rotterdam,

2. de naamloze vennootschappen:

a. N.V. Centrale Graanfactorij, gevestigd te Rotterdam,

b. N. V. [eiseres 2b], gevestigd te Rotterdam,

c. Graan Elevator-Maatschappij (G.E.M. ) N.V., gevestigd te Rotterdam,

d. Havenbedrijf "Vlaardingen Oost" N.V., gevestigd te Vlaardingen,

e. [eiseres 2e] N.V., gevestigd te Rotterdam,

f. N.V. [eiseres 2f], gevestigd te Rotterdam,

g. [eiseres 2g] N.V., gevestigd te Rotterdam,

eisers tot cassatie van een op 17 April 1959 door het Gerechtshof te 's-Gravenhage tussen partijen gewezen arrest, vertegenwoordigd door Mr. C.R. C. Wijckerheld Bisdom, advocaat bij den Hogen Raad,

tegen

1. De rechtspersoonlijkheid bezittende vereniging "Nederlandse Bond van Vervoerspersoneel",

gevestigd te Utrecht,

2. De rechtspersoonlijkheid bezittende vereniging "Katholieke Bond van werknemers in het transportbedrijf "Sint Bonifacius", gevestigd te Utrecht,

verweerders in cassatie, vertegenwoordigd door Mr. G. J. Scholten. mede advocaat bij den Hogen Raad; Gehoord partijen;

Gehoord den Advocaat-Generaal Loeff, namens den Procureur-Generaal in zijn conclusie strekkende tot vernietiging van het bestreden arrest en van het daarbij bekrachtigde vonnis alsmede tot veroordeling van verweerders in de kosten van alle instanties;

Gezien de stukken;

Overwegende dat uit het bestreden arrest blijkt:

dat eisers in cassatie - nader te noemen de werkgevers, of, voorzover afzonderlijk vermeld, de Scheepvaartvereniging Zuid en de stuwadoorsbedrijven - verweerders in cassatie - nader te noemen de Bonden of, voorzover afzonderlijk vermeld de Nederlandse Bond van Vervoerspersoneel en St. Bonifacius - in kort geding hebben gedagvaard voor den President van de Arrondissements-Rechtbank te Rotterdam en onder meer hebben gevorderd:

I. de Bonden te bevelen om, binnen 24 uur na het te wijzen vonnis, de aan hun leden en andere havenarbeiders gedane stakingsaanzegging, althans de gedane opwekking tot staken, als in de dagvaarding omschreven, in te trekken op dezelfde wijze als de aanzegging althans opwekking is geschied, respectievelijk - te weten zo het werk reeds is gestaakt - hun leden en andere havenarbeiders als bovenbedoeld aan te zeggen, dat het werk moet worden hervat;

II. de Bonden te bevelen, binnen 24 uur na het ten deze te wijzen vonnis, hun leden mede te delen. dat het aanbod, de volledige financiële consequenties van deze actie te dragen, is ingetrokken en voorts zich te onthouden van elke financiële steun aan hun leden en andere havenarbeiders als bovenbedoeld terzake van bovenomschreven staking;

zulks op grond:

dat de Nederlandse Bond van Vervoerspersoneel als lid is aangesloten bij de te Londen (Groot- Brittannië) gevestigde Internationale Transportarbeiders Federatie, nader te noemen I.T.F. ; dat de I.T.F., althans de gemeenschappelijke vergadering van zeelieden en havenarbeiders gehouden tijdens een congres der I.T.F. in of omstreeks Augustus 1958 te Amsterdam, de volgende resolutie heeft aanvaard:

"De gemeenschappelijke vergadering van de zeelieden en havenarbeiders, gehouden tijdens het 25ste I.T.F. - congres,

spreekt zich uit over de voortzetting van de actie tegen de Panhonlibcoschepen en maakt verder bekend, dat een algemene boycot van deze schepen beoogd wordt, waarbij het tijdstip en andere bijzonderheden van zo'n actie door het International Fair Practices Committee zullen worden bepaald.

De vergadering verklaart verder, dat maatregelen zullen worden genomen tegen alle soortgelijke schepen waarvoor geen, door de I.T.F. erkende, collectieve arbeidsovereenkomst is afgesloten, waar dit ook zal mogen zijn.

De vergadering van havenarbeiders en zeelieden doet een beroep op het I.V.V.V. deze maatregelen door het inlichten van alle aangesloten organisaties en het nemen van geëigende stappen te ondersteunen".

dat het door of vanwege de I.T.F. ingestelde International Fair Practices Committee in zijn op of omstreeks 14 November 1958 te Hamburg gehouden vergadering heeft besloten de in voormelde resolutie aangekondigde boycotactie door te zetten en ter uitvoering van dit besluit de over de gehele wereld bij de I.T.F. aangesloten bonden van vervoerspersoneel, alsmede de niet aangesloten vakverenigingen, met welke bonden en vakverenigingen reeds tevoren overleg was gepleegd, heeft verzocht of doen verzoeken hun leden aan te zeggen op 1, 2, 3 en 4 December 1958 geen laad- en lossingswerkzaamheden te verrichten aan schepen, varende onder de vlaggen van respectievelijk Panama, Honduras, Liberia en Costa Rica (de zogenaamde Panhonlibcoschepen), voorzover de opvarenden op deze schepen niet een rechtspositie hebben, vastgelegd in een C.A.O., afgesloten door de I.T.F .;

dat de Nederlandse Bond van Vervoerspersoneel, gevolg gevende aan het verzoek als vervat in genoemde resolutie, op 10 November 1958 aan haar ledenhavenarbeiders, werkende te Rotterdam, een aanzegging in algemene zin, als bedoeld in de voor-vorige alinea, heeft doen uitgaan, in welke aanzegging een nadere aanzegging, houdende precisering van het tijdvak, waarin geen laad- en lossingswerkzaamheden van voormelde schepen dienen te worden verricht, wordt aangekondigd;

dat in evenbedoelde aanzegging in algemene zin de Nederlandse Bond van Vervoerspersoneel bovendien tegenover haar ledenhavenarbeiders heeft verklaard de volledige financiële consequenties van bovenomschreven actie te aanvaarden;

dat blijkens persberichten vóór 1 December 1958 is bekend gemaakt. dat de dagen waarop geen laad- en lossingswerkzaamheden dienen te worden verricht, zijn: 1, 2, 3 en 4 December 1958;

dat St.Bonifacius, gevolg gevende aan meergemeld verzoek, een gelijksoortige aanzegging vóór 1 December zal doen uitgaan;

dat een groot aantal van vorenbedoelde ledenhavenarbeiders, evenals andere havenarbeiders, bij de Scheepvaartvereniging Zuid in dienst zijn, teneinde te werk te worden gesteld bij door deze vereniging .aan te wijzen ondernemingen, waaronder de stuwadoorsbedrijven, respectievelijk een direct dienstverband met de stuwadoorsbedrijven hebben;

dat het door de leden van de Bonden en door andere havenarbeiders deelnemen aan deze boycotactie tegenover hun werkgevers, is een staking en deze staking behalve een wanprestatie tegenover de werkgevers tevens een onrechtmatige daad oplevert;

dat de door de Bonden gedane aanzegging, althans de opwekking tot staken als bovenomschreven, jegens de werkgevers oplevert een onrechtmatige daad, immers het aanzetten tot het door de individuele arbeiders plegen van contractbreuk, althans van onrechtmatige daden, waardoor de Bonden jegens de werkgevers tot schadevergoeding verplicht zijn;

dat bovenomschreven - dreigende - werkstaking aan de stuwadoorsbedrijven aanzienlijke schade zal berokkenen. terwijl in dat geval de materiële schade voor de Scheepvaartvereniging Zuid zal bestaan uit het derven van de per werknemer en afhankelijk van het aantal gewerkte dagen door de bedrijven aan de Scheepvaartvereniging Zuid te betalen bijdrage ter bestrijding van haar administratiekosten, en de - veel grotere - immateriële schade uit het onrechtmatig belemmeren van de werkzaamheden van de Scheepvaartvereniging Zuid ten behoeve van de Rotterdamse haven;

dat toch met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid gedurende de stakingsdagen een of meer van de bovenbedoelde "Panhonlibco"-schepen door de stuwadoorsbedrijven, althans één van hen, zal moeten worden gelost en of geladen;

dat de werkgevers er recht op en groot belang bij hebben, dat het uitgegeven stakingsparool, het- welk tot bovenomschreven staking zal leiden, onverwijld wordt ingetrokken;

dat deze zaak derhalve spoedeisend is en de werkgevers bij een onverwijlde voorziening een onmiddellijk en dadelijk belang hebben';

dat na bestrijding van deze vordering door de Bonden de President aan de werkgevers hun vordering heeft ontzegd, na, voorzover hier van belang, te hebben overwogen:

"dat de door de werkgevers ingestelde vordering steunt op de stelling, dat de aangekondigde boycotactie wanpraestatie van de havenarbeiders tegenover hun werkgevers oplevert;

dat deze actie met zich brengt, dat de havenarbeiders zullen weigeren bepaalde aan hen opgedragen werkzaamheden te verrichten;

dat zulks in de regel als wanpraestatie kan worden aangemerkt, doch er omstandigheden denkbaar

zijn, waarin van de arbeider niet kan worden gevergd, dat hij zijn arbeid zal verrichten;

dat naar ons aanvankelijk oordeel een dergelijke omstandigheid in casu aanwezig is;

dat namens de Bonden uitvoerig en wel gedocumenteerd op het misbruik van de zogenaamde "goedkope vlaggen" is gewezen, een misbruik, waardoor ook de belangen van de schepelingen, werkzaam aan boord van de onder die vlaggen varende schepen, worden bedreigd, en welk misbruik door de werkgevers niet wordt betwist;

dat, nu door werknemersorganisaties in internationaal verband een grootscheepse actie is opgezet om dit misbruik te signaleren en te bestrijden, van de arbeidersleden van deze organisatie niet kan worden gevergd, dat zij door het verrichten van bepaalde arbeid deze actie zouden tegenwerken, mits de voormelde actie op redelijke en verantwoorde wijze wordt uitgevoerd en daarbij zoveel mogelijk wordt voorkomen. dat schade wordt toegebracht aan derden, tegen wie deze actie niet is gericht, zoals de werkgevers;

dat nu de aangekondigde boycotactie van beperkte duur is, geruime tijd vooraf is aangekondigd en wordt geleid door organisaties, die zich van haar verantwoordelijkheid bewust blijken te zijn en eventueel verhaal bieden voor de mogelijke gevolgen van haar daden, deze actie als redelijk en verantwoord is te beschouwen;

dat deze actie aan de werkgevers ongetwijfeld vele moeilijkheden berokkent, doch deze moeilijkheden niet noodzakelijkerwijze tot de gestelde aanzienlijke schade behoeven te leiden;

dat de werkgevers in de gegeven omstandigheden deze moeilijkheden zullen hebben te dragen, c.q. op te lossen en verplicht zijn hunnerzijds alles in het werk te stellen om onnodige schade te voorkomen;

dat, indien niettemin door de voorgenomen actie onafwendbaar aanzienlijke schade zal worden toegebracht aan derden, tegen wie deze actie niet is gericht, de voormelde organisaties in beginsel verplicht, en naar Onze overtuiging ook bereid zullen zijn, in redelijkheid die nadere maatregelen te treffen, waardoor deze niet beoogde gevolgen van haar actie worden gekeerd;

dat bij onverhoopte moeilijkheden dienaangaande het Kort Geding uitkomst kan bieden;

dat uit het voorgaande volgt, dat ten deze niet van wanpraestatie, noch van een onrechtmatige daad van de havenarbeiders kan worden gesproken en reeds daarom niet van enige onrechtmatige daad van de Bonden jegens de werkgevers, weshalve de door de werkgevers ingestelde vordering dient te worden ontzegd;"

dat op het door de werkgevers ingestelde hoger beroep het Gerechtshof bij het bestreden arrest het vonnis van den President heeft bekrachtigd;

dat het Hof daarbij heeft vooropgesteld:

"dat de werkgevers in hoger beroep haar aanvankelijke vorderingen strekkende tot onmiddellijke voorzieningen niet hebben gehandhaafd, doch uitsluitend een beslissing hebben gevraagd omtrent de juistheid der gronden, waarop de President de vorderingen heeft afgewezen, benevens omtrent de uitspraak over de proceskosten;

dat, nu geen voorlopige voorziening meer wordt gevorderd, uitsluitend de uitspraak over de kosten aan de orde kan komen, aangezien in kort geding behalve over de kosten geen andere beslissingen kunnen worden gevraagd, dan die welke strekken tot het geven van een onverwijlde voorziening;

dat uiteraard de beslissing omtrent de kosten geheel afhankelijk is van de vraag of de President terecht de werkgevers in het ongelijk heeft gesteld, zodat de grieven voorzover daartegen gericht behoren te worden onderzocht, doch daarbij, zoals de Bonden terecht hebben betoogd buiten beschouwing moeten blijven feiten, welke wel in hoger beroep zijn gesteld, doch niet voor de President zijn aangevoerd, aangezien de juistheid van de beslissing van de President uitsluitend wordt bepaald door de voor hem aangevoerde feiten;"

dat het Hof vervolgens, voorzover thans nog van belang heeft overwogen:

"Bij grief II betogen de werkgevers op verschillende gronden dat de President ten onrechte heeft beslist, dat, nu door werknemersorganisaties in internationaal verband een grootscheepse actie is opgezet om dit zogenaamde misbruik te signaleren en te bestrijden, van de arbeidersleden van deze organisatie niet kan worden gevergd, dat zij door het verrichten van bepaalde arbeid deze actie zouden tegenwerken.

Indien de President inderdaad zou hebben beslist, dat onder alle omstandigheden een dergelijke grootscheepse internationale actie zou meebrengen, dat van de arbeiders niet kan worden gevergd bepaalde arbeid te verrichten, zou deze grief, afgezien van de toelichting, gegrond kunnen zijn. Echter is een dergelijke beslissing in de desbetreffende overweging van de President naar het oordeel van het Hof niet te lezen. Immers niet alleen gaat de desbetreffende overweging voort met een door het door de President onderstreepte woord mits ingeleide bijzin, welke de door de werkgevers geciteerde zin beperkt, doch bovendien wordt deze overweging door enige overwegingen betreffende de omstandigheden, welke de President kennelijk hebben geleid tot zijn oordeel, dat in casu niet van de betrokken arbeiders kon worden gevergd door het verrichten van bepaalde arbeid de internationale actie tegen te werken.

Ten einde de juistheid van dit oordeel te toetsen, behoort te worden nagegaan of de boycotactie en haar eventuele nadelige gevolgen in redelijke verhouding staan tot de reden der actie.

Immers evenals de staking, moet ook de weigering van een gedeelte van de normale arbeid als wanprestatie tegenover de werkgever worden beschouwd, indien deze weigering en hare gevolgen niet in redelijke verhouding staan tot het doel of de reden der actie.

Bij het afwegen van deze verhouding nu, moet enerzijds worden overwogen, dat door de Internationale Transportarbeiders Federatie besloten was teneinde de noodzakelijk geachte aandacht van de regeringen en redersverenigingen te vestigen op de dreiging van het bestaan voor en de aantasting van de sociale positie van de zeelieden, een actie te voeren tegen zogenaamde Panhonlibcoschepen, waarvoor geen collectieve arbeidsovereenkomst was afgesloten, door gedurende enkele - later is bepaald 4 - dagen te weigeren deze schepen te lossen en te laden.

Het is duidelijk, dat wanneer de Bonden en hun leden zich aan deze actie zouden onttrekken, de solidariteit der Nederlandse arbeiders ten aanzien van het doel dezer actie door de Bonden zou worden geschonden, waarmee de kracht der actie - zeker indien bonden in andere landen het voorbeeld van de Bonden zouden volgen, wat in verband met de concurrentie tussen de verschillende havens was te verwachten - ernstig zou worden geschaad.

De Bonden gevoelden zich derhalve kennelijk zedelijk verplicht de op voormeld doel gerichte actie te steunen. Onder deze omstandigheden konden alleen grote nadelige gevolgen voor derden aan de actie van de Bonden en de arbeidsweigering verbonden, tengevolge hebben. dat die actie als onrechtmatig en de arbeidsweigering als wanpraestatie zouden moeten worden beschouwd.

Naar het aanvankelijk oordeel van het Hof zijn zulke grote nadelige gevolgen niet door de werkgevers aannemelijk gemaakt. Immers staat vast, dat slechts tot een boycot gedurende vier dagen werd opgewekt en dat deze boycot slechts een gering aantal schepen zou betreffen. Omtrent dit aantal hebben de werkgevers bij inleidende dagvaarding gesteld, dat met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid gedurende de bedoelde dagen een of meer van de bedoelde Panhonlibcoschepen door een der werkgevers zou moeten worden gelost en/of geladen.

Bij de behandeling voor de President is blijkens de aan het Hof overgelegde "Pleitnota in Kort Geding" van de werkgevers gesteld, dat gedurende de dagen van de voorgenomen actie ll schepen onder een der Panhonlibco-vlaggen werden verwacht.

Blijkens de pleitnota van de Bonden is harerzijds in kort geding aangevoerd, dat men de betrokken werknemers gedurende die dagen aan andere schepen zou kunnen laten werken dan die welke onder de boycot vallen, welke andere schepen zeker 90% van het totale aantal schepen zouden vormen en gedurende die vier dagen voorrang zouden kunnen krijgen. De werkgevers hebben dit niet gemotiveerd weersproken. Hoewel door dit alles de werkgevers ongetwijfeld moeilijkheden en dus ook schade zouden ondervinden, is toch zeker niet aangetoond, dat deze schade zo omvangrijk zou zijn als de werkgevers hebben betoogd, noch zo groot, dat het doel der actie niet meer in redelijke verhouding tot die schade zou staan.

Terecht is hierover bovendien door de President overwogen dat, indien ondanks maatregelen om onnodige schade te voorkomen niettemin onverhoopt aanzienlijke schade zou worden toegebracht, de Bonden verplicht zouden zijn in redelijkheid nadere maatregelen te treffen, waardoor deze gevolgen van haar actie zouden worden gekeerd, waarbij bij moeilijkheden dienaangaande het Kort Geding (bedoeld is kennelijk een nieuw aanhangig te maken kort geding) uitkomst zou kunnen bieden.

De werkgevers hebben zich er nog op beroepen dat de naam van de Rotterdamse haven, en hierdoor ook de werkgevers grote schade zouden lijden door de voorgenomen actie. De werkgevers zien daarbij evenwel over het hoofd, dat de actie blijkens de aanzegging van de Nederlandse Bond van Vervoerspersoneel in de inleidende dagvaarding genoemd en blijkens het door de werkgevers overgelegde perscommuniqué afkomstig van St.Bonifacius geheel gevoerd werd in het kader van een internationale actie, welke dus tegelijkertijd in de met Rotterdam concurrerende havens zou plaats vinden. Het is duidelijk, dat een dergelijke in de verschillende havens tegelijkertijd ondernomen actie de naam van de Rotterdamse haven niet kan schaden.

Dit zou geheel anders liggen - en wellicht zou dan de beslissing ook anders hebben moeten luiden - indien voor de President door de werkgevers was gesteld en aannemelijk gemaakt, dat de Bonden ondanks dat te verwachten was, dat elders de boycot niet zou plaats hebben, toch voornemens waren deze te Rotterdam door te zetten en indien gevorderd was, de actie te verbieden, ingeval zou blijken, dat deze elders niet zou plaats vinden.

Wel hebben de werkgevers bij hun vierde grief enkele feiten genoemd, omtrent gebeurtenissen in andere landen, doch noch uit de inleidende dagvaarding, noch uit het vonnis, noch uit de door appellanten overgelegde "Pleitnota in kort geding" en "Notities voor repliek" valt af te leiden, dat deze feiten reeds voor de President zijn aangevoerd, zodat de President met deze feiten, die volgens de Bonden ten tijde der behandeling in eerste aanleg nog onbekend 1 waren, en die volgens haar dus niet konden worden aangevoerd geen rekening heeft kunnen houden.

De werkgevers hebben bij grief II onder 1e en 3e aangevoerd, dat het niet de taak van een werknemersorganisatie is zich te occuperen met zaken, die buiten het kader van de arbeidsovereenkomst liggen en dat de bezwaren tegen het varen onder de Panhonlibco-vlaggen de Rotterdamse havenarbeiders niet persoonlijk treffen, zeker niet in die mate, dat zij zich zedelijk gedwongen zouden moeten voelen het laad- en loswerk ten aanzien van dergelijke schepen te weigeren. Het kan evenwel op de weg van werknemersorganisaties en haar leden liggen op deze wijze acties ten bate van andere werknemers te voeren. Zelfs zijn acties ten bate van anderen ondernomen zedelijk hoger te waarderen dan acties, waarbij uitsluitend eigen positieverbetering wordt beoogd.

Hiermede is tevens weerlegd, hetgeen de werkgevers te dezer zake onder de vierde grief sub 2e betogen.

Onder 2e voeren de werkgevers bij de tweede grief aan, dat niet is aangetoond, dat alle andere wettelijke mogelijkheden om tot het doel te geraken uitgeput waren. De werkgevers geven echter niet aan welke andere middelen door de Bonden doeltreffend zouden kunnen worden toegepast. Vast staat, dat reeds getracht is iets te bereiken door resoluties van het I.L.O., waaraan regeringsafgevaardigden, naast vertegenwoordigers van werknemers- en werkgeversorganisaties hebben meegewerkt.

Uit hetgeen hierboven is overwogen, volgt, dat van een doorbreken van de Nederlandse rechtsorde, waartegen de werkgevers onder 4e opkomen, en van een vrijheid voor werknemers om de overeengekomen arbeid niet dan wel slechts gedeeltelijk te verrichten welke de werkgevers onder 5e bestrijden, in casu niet kan worden gesproken.

De Nederlandse rechtsorde is door het vonnis van de President niet doorbroken, noch is aan de arbeiders (absolute) vrijheid toegekend. Wel kan, als boven overwogen, de door de Bonden gevoelde solidariteit van veel gewicht zijn bij de beoordeling van de bovenvermelde vraag of de boycot en de gevolgen daarvan in redelijke verhouding staan tot het doel van de boycot.

Bij de derde grief betogen de werkgevers, dat een onrechtmatige actie niet rechtmatig wordt door het redelijk en verantwoord uitvoeren er van. Deze juiste stelling tast echter de overwegingen van de President niet aan. De bedoeling van de President is kennelijk te overwegen, dat een op zichzelf

rechtmatige actie onrechtmatig zou worden, als zij niet op redelijke, verantwoorde en zoveel mogelijk

schade-voorkomende wijze zou worden uitgevoerd.

In de tweede plaats betogen de werkgevers bij deze grief dat de beoordeling of de actie op redelijke en verantwoorde wijze wordt uitgevoerd, zich aan de beoordeling door de Nederlandse rechter zou onttrekken, doch dit betoog is reeds hierom geheel irrelevant, omdat nimmer door de werkgevers is gesteld, dat de Bonden voornemens zouden zijn geweest de actie niet op redelijke en verantwoorde wijze uit te voeren.

Bij de vierde grief betogen de werkgevers dat de President de belangen van beide partijen op onjuiste wijze heeft afgewogen.

Wat bij deze grief over de schade wordt aangevoerd, alsmede over het geen of zeer zijdelings belang hebben van de Bonden en haar leden bij de actie vindt in het bij de andere grieven overwogene reeds weerlegging.

Overigens voeren de werkgevers bij deze grief aan, dat bij andere organisaties in binnen- en buitenland de internationale solidariteit niet bestond. De werkgevers beroepen zich daarbij onder andere op het feit, dat de schepelingen om wie de actie begonnen was, deze niet steunden, waarmee kennelijk bedoeld is, dat deze schepelingen niet voornemens waren zelf te staken. Een staking (dienstweigering) door schepelingen moet echter geheel anders beoordeeld worden dan een gewone staking of boycotactie. Overigens hebben de Bonden bij de mondelinge behandeling een groot aantal feiten onweersproken genoemd, waaruit zou blijken dat bedoelde internationale solidariteit wel zou bestaan. Wat hiervan echter zij, de vraag of er onder de werknemers en hun organisatie elders internationale solidariteit bestaat, is hier niet van belang, nu in elk geval onbetwist is, dat de Bonden uit een gevoel van solidariteit meenden zich niet aan een internationale actie te mogen onttrekken. Nimmer is immers door de werkgevers betoogd, dat door de Bonden uit andere motieven zou zijn gehandeld.

Waar geen der grieven tot vernietiging van het vonnis kan leiden, behoort dit te worden bekrachtigd."

Overwegende dat de werkgevers 's Hofs arrest bestrijden met het navolgende middel van cassatie:

"Schending en of verkeerde toepassing van de artikelen 175 der Grondwet, 20 der Wet op de Rechterlijke Organisatie, 1279, 1280, 1281, 1374, 1375, 1401, 1402, 1403, 1637 a, 1639, 1639d. 1639e, 1639g, 1639h, 16391, 16390, 1639q, 1639r, 1639s van het Burgerlijk Wetboek, 48,59 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, 1,8 Wet op de collectieve arbeidsovereenkomst, 1,6 Besluit Buitengewone Arbeidsverhoudingen 1945, doordien het Hof op de in het arrest opgenomen overwegingen, waarnaar hier wordt verwezen, heeft bekrachtigd het vonnis van de President der Arrondissements- Rechtbank te Rotterdam, voor zover daartegen beroep was ingesteld, met name ten aanzien van de veroordeling van de werkgevers - nu eisers in cassatie- in de proceskosten, een en ander ten onrechte en in strijd met de aangehaalde wetsartikelen, omdat de weigering door de werknemers tot het verrichten van werkzaamheden als die, waartoe zij krachtens de voor hen geldende arbeidsovereenkomst zijn gehouden, oplevert een wanprestatie van die werknemers, en de organisatie van deze weigering - boycot - en het verlenen van financiële steun terzake door de Bonden - nu verweerders in cassatie - zoals nader in het arrest, en de daarin als overgenomen vermelde stukken beschreven, als een onrechtmatige daad moet worden aangemerkt, en dit niet anders wordt, al zou, zoals het Hof aanneemt, in internationaal verband een grootscheepse actie zijn opgezet om het "misbruik van de goedkope vlaggen" te signaleren en te bestrijden en al zou, indien de Bonden en hun leden zich aan deze actie zouden onttrekken de solidariteit der nederlandse arbeiders - wat het Hof hieronder ook mag hebben verstaan - ten aanzien van het doel dezer actie door de Bonden worden geschonden waarmee de kracht der actie ernstig zou worden geschaad, en al gevoelden de Bonden zich zedelijk verplicht deze actie te steunen, welke omstandigheden het onrechtmatige karakter aan het optreden van de Bonden niet vermogen te ontnemen, waarbij in het bijzonder de aandacht verdient, dat, naar ten processe vaststaat, althans door de werkgevers is gesteld en niet weersproken:

de actie niet onmiddellijk was gericht tegen en niet wanprestatie inhield jegens de reders, wier schepen onder de zogenaamde goedkope vlaggen voeren, doch wel tegen en jegens de werkgevers, die met het beweerde misbruik van de goedkope vlaggen niets van doen hebben, en

de schepelingen om wie de actie was begonnen deze niet steunden en niet voornemens waren zelf te staken, terwijl het Hof, in het midden latende of er onder de werknemers en hun organisatie elders internationale solidariteit bestaat, van - beslissend - belang acht, dat de Bonden zich uit een gevoel van solidariteit meenden niet aan een internationale actie te mogen onttrekken, en niet uit andere motieven hebben gehandeld, welk motief (namelijk het gevoel van solidariteit) en zeker indien de internationale solidariteit niet bestaat, niet het onrechtmatig karakter aan het optreden van de Bonden kan ontnemen, en

de actie, wel verre van zich te richten tegen alle schepen, varende onder de zogenaamde goedkope vlaggen, uitsluitend betrekking had op die schepen waarvoor geen collectieve arbeidsovereenkomst was afgesloten, ook al waren de arbeidsvoorwaarden aan boord van die schepen niet minder dan die, zoals deze in collectieve arbeidsovereenkomsten plegen te worden vastgesteld, zodat de strekking van de actie was de reders van de betrokken schepen te dwingen tot het sluiten van collectieve arbeidsovereenkomsten (met de aan de Bonden gelieerde bonden), en niets meer of anders."

Overwegende dienaangaande:

dat in dit geding aan de orde zijn de vragen, of bij een collectieve actie tot werkweigering - werkstaking of gedeeltelijke werkweigering -, ondernomen op het initiatief van een vakorganisatie, de werknemers die daaraan deelnemen, zich tegenover hun werkgevers schuldig maken aan wanprestatie en die vakorganisatie een onrechtmatige daad pleegt;

dat bij de beantwoording daarvan voorop moet worden gesteld dat de omstandigheid dat zulk een actie in collectief verband wordt ondernomen, niet wegneemt dat voor de beoordeling daarvan naar burgerlijk recht zowel ten aanzien van de vraag of de daaraan deelnemende werknemer wanprestatie pleegt als ten aanzien van de vraag of de vakbond een onrechtmatige daad verrichtte, uitgangspunt moet blijven de arbeidsovereenkomst tussen den werkgever en den individuelen werknemer, waarin de staking of de boycot ingrijpt, behoudens de mogelijkheid dat een collectieve arbeidsovereenkomst op dit stuk een bijzondere regeling inhoudt;

dat dit uitgangspunt ten aanzien van eerstgenoemde vraag meebrengt dat ook bij werkweigering in collectief verband in beginsel zal moeten gelden dat de weigering van den werknemer om de arbeidsprestatie te verrichten, waartoe hij tegenover den werkgever op grond van de arbeidsovereenkomst is gehouden, een wanprestatie van dezen tegenover genen oplevert;

dat nochtans mogelijk is dat de omstandigheden waaronder zulk een werkweigering plaats vindt, van dien aard zijn dat naar de heersende rechtsovertuiging in redelijkheid van de werknemers niet kan worden gevergd den arbeid voort te zetten of bepaalde werkzaamheden te verrichten, en in zodanig geval van wanprestatie van de zijde van de werknemers niet kan worden gesproken;

dat bij de beoordeling daarvan onderscheid moet worden gemaakt tussen acties, waarbij een doel wordt beoogd dat de verhouding tussen de betrokken werknemers er hun werkgevers betreft, en acties, welke op een buiten die verhouding gelegen doel zijn gericht;

dat op de omstandigheden, waaronder bij acties van eerstbedoelden aard aan een collectieve werkweigering als middel voor de werknemers om in een belangengeschil met de werkgevers aan bepaalde verlangens op het gebied der arbeidsvoorwaarden kracht bij te zetten, het karakter van wanprestatie kan worden ontnomen, hier niet behoeft te worden ingegaan, aangezien bij de onderhavige actie een doel, dat de verhouding tussen de betrokken werknemers en hun werkgevers betrof, niet werd beoogd;

dat zich hier evenmin voordoet het geval waarin de arbeiders op grond van overwegingen van solidariteit weigeren om werkzaamheden te verrichten, waardoor een elders uitgebroken staking zou kunnen worden tegengewerkt, zodat ook in de beoordeling van dezen grond voor werkweigering hier niet behoeft te worden getreden;

dat blijkens hetgeen het Hof feitelijk heeft vastgesteld de onderhavige actie gericht was ""tegen de zogenaamde Panhonlibcoschepen, waarvoor geen collectieve arbeidsovereenkomst was afgesloten" en de Internationale Transportarbeiders Federatie tot deze actie had besloten "teneinde de noodzakelijk geachte aandacht van de regeringen en redersverenigingen te vestigen op de dreiging van het bestaan voor en de aantasting van de sociale positie van de zeelieden (op die schepen)";

dat het Hof de vraag of het deelnemen aan deze actie door de betrokken werknemers als wanprestatie tegenover hun werkgevers - de Rotterdamse havenbedrijven - moet worden beschouwd, beantwoord heeft naar het criterium of de werkweigering en haar gevolgen al dan niet "in redelijke verhouding staan tot het doel of de reden van de actie" en daarbij heeft afgewogen enerzijds het belang van het hierboven reeds omschreven doel van de actie alsmede van de solidariteit van de Nederlandse havenarbeiders met betrekking tot dat doel en anderzijds de mogelijke nadelige gevolgen aan de actie verbonden, waarbij het Hof heeft overwogen "dat alleen grote nadelige gevolgen voor derden aan de actie van de Bonden en de arbeidsweigering verbonden, tengevolge hebben dat die actie als onrechtmatig en de arbeidsweigering als wanprestatie zouden moeten worden beschouwd" en voorts op grond dat " zulke grote nadelige gevolgen" niet door de werkgevers aannemelijk zijn gemaakt, tot zijn in cassatie bestreden beslissing is gekomen;

dat bij dit door het Hof gebezigde criterium uit het oog wordt verloren dat een gedraging, welke in beginsel wanprestatie oplevert, dat karakter niet verliest, indien de schade welke daaruit voortvloeit voor de partij, tegenover wie de wanprestatie wordt gepleegd, "in redelijke verhouding" staat tot het doel, waarop deze was gericht, en daarbij in het bijzonder ten aanzien van de arbeidsovereenkomst wordt miskend dat de weigering om de overeengekomen prestatie te verrichten slechts dan geen wanprestatie is, indien zij plaats vond onder zodanige omstandigheden dat de voortzetting van den arbeid of de verrichting van bepaalden arbeid van de werknemers niet kan worden gevergd;

dat hiervan bij acties als de onderhavige welke een doel beogen, dat buiten de verhouding van de werknemers tot hun werkgever ligt en haar aanleiding vinden in omstandigheden, welke die werkgevers niet hadden opgeroepen en ook niet kunnen beinvloeden, slechts kan worden gesproken, indien bij het doel der actie algemene belangen of zedelijke beginselen in zodanige mate zijn betrokken en met het oog daarop die actie zò dringend is geboden, dat tegenover die werkgevers de doorbreking van het beginsel der contractuele gebondenheid daardoor kan worden gerechtvaardigd;

dat niet kan worden volgehouden dat dit het geval is met het doel van de onderhavige actie, ook al legt men daar bij overeenkomstig de van dat doel door het Hof gegeven omschrijving den nadruk op het belang dat de bedreiging van de sociale positie van de zeelieden op de Panhonlibcoschepen onder de aandacht van regeringen en redersverenigingen werd gebracht en niet - gelijk het middel doet - op het dwingen van de reders van die schepen tot het sluiten van collectieve arbeidsovereenkomsten met de Internationale Transport arbeiders Federatie;

dat tegenover het vorenstaande niet kan afdoen het beroep op de solidariteit van de werknemers die hen zou moeten leiden tot gehoorgeving aan den oproep van de Internationale Transport-arbeiders Federatie, omdat zodanig beroep hun op het Nederlandse recht berustende verplichting niet kan doorbreken;

dat het Hof derhalve ten aanzien van de werkweigering, welke de onderhavige actie meebracht, in het genoemde doel en in de solidariteit van de Nederlandse arbeiders met betrekking tot dat doel ten onrechte een rechtvaardigingsgrond heeft gezien welke aan die werkweigering het karakter van wanprestatie kon ontnemen;

Overwegende thans met betrekking tot de positie van de Bonden, dat deze, naast de betwisting van de stelling, dat de deelneming aan de actie wanprestatie van de werknemers tegenover de werkgevers uitmaakte, als verweer tegen de vordering van de werkgevers hebben aangevoerd dat ook indien dit wel het geval is, het oproepen tot en de organisatie van de actie hun niet als een onrechtmatige daad kan worden toegerekend;

dat dit verweer echter moet worden verworpen;

dat toch, indien een vakbond aanspoort tot een staking of een gedeeltelijke werkweigering ter wille van een doel, dat de niet-nakoming door de werknemers van hun contractuele verplichtingen tegen hun werkgever niet kan rechtvaardigen, deze zich, door het maken van inbreuk op de contractuele rechten van den werkgever uit te lokken, aan een onrechtmatige daad tegenover dien werkgever schuldig maakt;

Overwegende dat niettemin de Hoge Raad niet ten principale kan rechtdoen;

dat immers de Bonden zich ter rechtvaardiging van hun actie nog hebben beroepen op den inhoud van een tussen hen en de werkgevers geldende collectieve arbeidsovereenkomst, welke zou meebrengen dat een actie als de onderhavige geoorloofd is;

dat het Hof aan de beoordeling van dit verweer niet is toegekomen en dat, aangezien de beoordeling ervan afhankelijk kan zijn van feitelijke omstandigheden, verwijzing moet volgen;

dat tenslotte nog opmerking verdient, dat de vraag kan rijzen of in het onderhavig arbeidsconflict, daargelaten de al dan niet rechtmatigheid van de gevoerde actie, het ingrijpen van den President wel geboden was, doch deze vraag, waarvan niet blijkt, dat zij voor den President aan de orde is geweest, in hoger beroep, nu daarin nog slechts werd gestreden over de kosten van het geding op den grondslag van de door den President gegeven beslissing, niet meer aan de orde kon komen;

Vernietigt het bestreden arrest;

Verwijst de zaak naar het Gerechtshof te 's-Gravenhage ter verdere behandeling en beslissing met

inachtneming van dit arrest;

Verwijst verweerders in de kosten op de voorziening in cassatie gevallen tot op de uitspraak van dit arrest begroot op vier en vijftig gulden en vijftien cent aan verschotten en twaalf honderd gulden voor salaris.

Gedaan bij de Heren Donner, President, de Jong, Wiarda, Houwing en Petit, Raden, en door den President voornoemd uitgesproken ter openbare terechtzitting van den vijftienden Januari 1900 zestig, in tegenwoordigheid van den Procureur-Generaal.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl NJ 1960/84 met annotatie van L.E.H. Rutten
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?