MZ .
No.9335
Zitting van 5 november 1959
Mr. Loeff
Conclusie inzake:
Scheepvaartvereniging Zuid c.s.
contra
Nederlandse Bond van Vervoerspersoneel c. s.
Edele Hoog Achtbare Heren,
Bij de beslissing van de onderhavige zaak wordt Uw Raad, dunkt mij, voor een zware taak gesteld niet alleen omdat het onderhavige geschil moeilijke juridische problemen opwerpt, welke overigens het voorwerp van Uw dagelijkse arbeid zijn, maar mede omdat daarbij betrokken zijn vraagstukken van sociaal-economische aard, welke plegen te worden opgelost door andere staatsorganen, die daartoe in ruimere mate beschikken over de voor het peilen van de maatschappelijke behoeften ten deze onmisbare gegevens. Ik zal mij dan ook zoveel mogelijk beperken tot het zuiver juridisch terrein en in het bijzonder dat van het burgerlijk recht al opent dit in zijn huidige ontwikkeling tal van uitstapjes op het gebied van het ongeschreven recht. Deze methode kan ook, lijkt mij, een zekere waarborg bieden voor een behandeling van het onderhavige vraagstuk sine studio - naar welke zijde ook.
Bij de bespreking van deze zaak stel ik mij voor de opzet van het middel van cassatie in verband met het bestreden arrest te volgen en mitsdien eerst te behandelen de vraag of de weigering door de werknemers tot het verrichten van werkzaamheden als die waartoe zij krachtens de voor hen geldende arbeidsovereenkomsten waren gehouden oplevert een wanprestatie van die werknemers en vervolgens die of de organisatie van deze weigering door de bonden - het verlenen van financiële steun daaronder begrepen - als een onrechtmatige daad van dezen tegenover de werkgevers, de stuwadoors, moet worden beschouwd.
In casu mag worden aangenomen, dat door vorenbedoelde weigering de arbeidsovereenkomst niet is beëindigd doch haar uitvoering slechts is onderbroken. Het bestreden arrest gaat blijkbaar van deze opvatting uit, waar het de weigering der werknemers uitsluitend uit een oogpunt van tijdelijke, intermitterende wanprestatie beziet (o. i.r. 5 al. 1.o. en p. in het bij pleidooi verschafte afschrift van eiseressen); aan opzet van partijen om de arbeidsovereenkomst te beëindigen kan inderdaad niet worden gedacht nu de massale onderbreking slechts als een protestactie en wel voor slechts vier dagen was aangekondigd (over het element opzet in dit verband vgl. A. Spruit, Stakingsrecht, 1955, blz. 42 e. v. en de aldaar vermelde opinies i.h.b. op blz. 45 noot 2 die van Meijers in de "Arbeidsovereenkomst" 1924, blz. 53 e. v.). Voorts wordt werkstaking naar de meerderheid der auteurs in beginsel als individuele wanprestatie beschouwd (vgl. Spruit a. w. blz. 57 e. v., 79 e. v. waar verdere literatuur; voorts: Molenaar, Arbeidsrecht II blz. 1123, F. J.E.M. van der Ven Bedrijfsleven en Democratie, blz. 80 e. v. en Mannoury, Sociaal Maandblad Arbeid 1959, blz. 36 e. v. ).
De onderhavige vraag kan dus worden gereduceerd tot deze of er naar ons recht een rechtvaardigingsgrond bestond voor de tijdelijke arbeidsweigering in een overigens gecontinueerde arbeidsovereenkomst.
Ik moge met U nagaan welke rechtsmiddelen daarvoor eventueel in aanmerking komen.
Het Hof heeft blijkbaar zijn beslissing doen afhangen van de vraag, of de weigering en haar gevolgen in redelijke verhouding staan tot het doel of de reden der actie (o.i.r. 5 l.). Het College heeft dan de rechtvaardiging van de arbeidsonderbreking gevonden in de zedelijke plicht der arbeiders in het betrokken vak hun aandeel te leveren in een internationaal-solidaire actie ten doel hebbende de noodzakelijk geachte aandacht van de regeringen en redersverenigingen te vestigen op de dreiging van het bestaan voor en de aantasting van de sociale positie van de zeelieden als gevolg van het euvel der goedkope-vlag-schepen (o.i.r. 5 m). Bij deze formulering tast men in het duister of het Hof een van de zo juist bedoelde in aanmerking komende rechtsmiddelen op het oog heeft en zo ja welk middel. Ondanks die onbepaaldheid en onzekerheid zal m.i. toch onderzocht moeten worden of 's Hofs motivering aan een van die middelen beantwoordt; immers indien deze vraag bevestigend wordt beantwoord kan het arrest geen schending van enig wetsvoorschrift worden verweten, Een dergelijk onderzoek wordt, dunkt mij, ook door het cassatiemiddel gedekt omdat het aanvalt 's Hofs beslissing dat door de werknemers geen wanprestatie is gepleegd en behalve de voorschriften omtrent wanprestatie ook die waarin vorenbedoelde rechtvaardigingsgronden vervat zijn, aanwijst.
Vooreerst komt dan als rechtvaardigingsgrond in aanmerking een beroep op overmacht (1281 B.W. ) . Nu wil het mij voorkomen, dat dit begrip, indien het onderhavige geval daaronder wordt gebracht, wel zeer oneigenlijk zou worden uitgebreid; het is immers moeilijk te begrijpen, waarom de werknemers gedurende een reeks van aan de schorsing voorafgaande arbeidsdagen, ondanks het bestaan van hun grieven betreffende de goedkope-vlag-schepen, hun arbeid normaal hebben verricht doch juist gedurende de vier ten processe bedoelde dagen zouden hebben gemeend verhinderd te zijn deze uit hoofde van vorenbedoelde bezwaren voort te zetten om na afloop daarvan weder regelmatig aan het werk te gaan zonder dat ook maar iets in de arbeidsverhouding is veranderd. Zulks werd overigens met de arbeidsschorsing ook niet beoogd; zij had niet ten doel verbetering van eigen arbeidsvoorwaarden of arbeidsomstandigheden. Daaruit blijkt wel zeer duidelijk, dat van een echte verhindering, hoe men dit begrip juridisch ook opvat, in casu in werkelijkheid geen sprake was; het stempelt de onderhavige staking louter als een protest-staking ten behoeve van derden ondernomen.
Een tweede rechtsmiddel zou kunnen opleveren de goede trouw (art. 1374 derde lid B.W. ) . Het beroep daarop zou dan gecondenseerd kunnen worden tot de stelling, dat van de arbeiders in de gegeven omstandigheden niet geëist kon worden dat zij de overeengekomen prestatie uitvoerden. Doch ook hier geldt wat zojuist bij de toetsing aan het overmachtsbegrip is opgemerkt: onaannemelijk is, dat er voor de arbeiders ernstige bezwaren bestonden de in de bestaande concrete arbeidsverhouding gevorderde arbeid te verrichten.
Onder een zelfde gezichtspunt zal als derde middel moeten worden bezien een beroep op art. 1375 B. W. ; de arbeiders hadden immers ten opzichte van hun arbeidsovereenkomst blijkbaar geen enkele kenbaar gemaakte concrete eis en er was dus voor aanvulling van deze overeenkomst door de billijkheid of het gebruik geen plaats.
Een vierde middel, de exceptio non adimpleti contractus, zou evenmin succes kunnen boeken: immers aangenomen dat een zodanig algemeen verweer in ons recht bestaat zou het bij gebreke van een speciaal wetsvoorschrift waarschijnlijk op art. 1374, derde lid B. W. moeten worden gebaseerd (vgl. Asser-Rutten III, 2, blz. 376 e.v .; Spruit a.w. blz.60); in ieder geval kan den stuwadoors in casu een enigzins concrete wanprestatie ten opzichte van hun werknemers niet worden verweten en uit de gehele opzet der arbeidsschorsing blijkt, dat het ook niet de bedoeling was van de arbeiders een zodanig verwijt te doen.
Ten slotte kan nog worden gedacht aan art . 1639 q lid 1 B.W. bepalende dat voor de arbeider als dringende redenen in de zin van art. 1639 o worden beschouwd zodanige omstandigheden, die ten gevolge hebben, dat van de arbeiders redelijkerwijze niet kan gevergd worden de dienstbetrekking te laten voortduren; volgens Meijers, De Arbeidsovereenkomst, 1924, blz.55, voorlaatste alinea, geldt dit behalve voor beëindiging ook voor schorsing van de uitvoering der overeenkomst; hij ziet hierin blijkbaar mede een bijzonder geval van de exceptio non adimpleti contractus. Doch ook hier vallen we wederom terug op het boven omtrent de andere rechtsmiddelen opgemerkte: de betrokken arbeiders hadden tegen hun werkgevers geen werkelijke bezwaren ten aanzien van de uitvoering van hun arbeidsovereenkomst of de omstandigheden waaronder de arbeid werd verricht. In dit verband wordt ook nog verwezen naar art. 1639 q lid 2 sub 9º B.W., dat een dringende reden voor beëindiging aanwezig acht "wanneer de voortduring der dienstbetrekking voor de arbeider verbonden zoude zijn met ernstige gevaren voor leven, gezondheid, zedelijkheid of goede naam, welke niet blijkbaar waren ten tijde van het sluiten der overeenkomst"; van gevaren voor de zedelijkheid of goede naam van de individuele arbeider laat staan voorleven of gezondheid kan in casu bepaaldelijk niet worden gesproken. Het is voorts interessant te constateren, dat de wetgever daarbij overigens eist dat vorenbedoelde omstandigheden niet "blijkbaar" waren ten tijde van het sluiten der overeenkomst; in casu zal een groot aantal, zo niet alle arbeiders, de arbeidsvoorwaarden hebben aangegaan met de wetenschap van het euvel der goedkope-vlag-schepen. Merkwaardig is voorts art. 1639 s B.W. in zijn nieuwe redactie, waarvan het derde lid, aanhef en sub 2 , bepaalt, dat beëindiging van de dienstbetrekking - hetgeen in het systeem Meijers en in dat van de exceptio non adimpleti contractus dus ook geldt voor schorsing - kennelijk onredelijk geacht zal kunnen worden wanneer de gevolgen der beëindiging ( of schorsing) voor de werkgever te ernstig zijn in vergelijking met het belang van de arbeider bij de beëindiging (schorsing). In het onderhavige geval hebben de arbeiders ten opzichte van hun eigen, nationale arbeidsverhouding geen enkel onmiddellijk belang bij de schorsing van de uitvoering der overeenkomst. Over enige der vorenbedoelde middelen vergelijke men ook Prof.Mr P. Borst, Vaagheden van en om het stakingsrecht, Sociaal Maandblad Arbeid, no. 7/8 van 25 aug. 1959 blz. 481 e.v., overdruk blz.7 e.v., die voorts nog bespreekt of de gelding van een collectieve arbeidsovereenkomst aan het stakingsrecht een beperking kan opleggen (t.a.p. blz. 485 resp. blz. 11). Uitvoerige vermelding van jurisprudentie omtrent staking en schorsing vermeldt van der Grinten, Arbeidsovereenkomstenrecht, 4de druk, blz. 158 e. v.
Uit al het bovenstaande volgt m.i., dat de in het bestreden arrest aangenomen rechtvaardiging van de wanprestatie als niet op de wet gegrond, althans als ondeugdelijk dient te worden beschouwd.
Vervolgens komt aan de orde de vraag of het uitlokken dezer wanprestatie door de bonden ( thans verweerders) als een onrechtmatige daad tegenover de stuwadoors moet worden beschouwd.
Men behoeft, dunkt mij, daartoe geen beroep te doen op het befaamde Kolynos-arrest als eerste schrede op dit pad. Veeleer levert het nog befaamder arrest van 31 januari 1919 daarvoor reeds een deugdelijke basis, te meer waar de toen behandelde casuspositie dichter bij de onderhavige lag immers toen, eveneens in het kader van een arbeidsovereenkomst, betrof het uitlokken van het door een bediende van een concurrerende drukker verstrekken van gegevens, welke voor derden rechtens geheim behoorden te blijven; dìt verstrekken was contractbreuk zelfs implicitè bij art. 1639 d en explicitè bij art. 1639 p sub 9 B.W. verboden. Over de onrechtmatigheid van het uitlokken tot contractbreuk in het algemeen vergelijke men Wolfsbergen, Onrechtmatige Daad, blz. 107 en Hofmann - Drion - Wiersma, Verbintenissenrecht II, blz. 192;
Men zou hoogstens opnieuw en ditmaal ten aanzien van de bonden de vraag kunnen stellen of er wellicht een civiliter aanvaardbare rechtvaardigingsgrond voor hun gedrag te vinden is. Het Hof heeft deze kennelijk gezocht in de stelling, dat, wanneer de bonden zich aan bedoelde actie zouden onttrekken de solidariteit der Nederlandse arbeiders (met hun buitenlandse vakgenoten) ten aanzien van het doel dezer actie door de bonden zou worden geschonden en zij dus de zedelijke plicht hadden deze te steunen (o. i.r. 5 al.n. en c. ). Zo juist heb ik reeds betoogd, waarom deze rechtvaardiging ten aanzien van de individuele arbeiders niet kan gelden; niet is in te zien waarom ten aanzien van de bonden een andere opvatting aanvaard zou moeten worden: de staking had niet ten doel enige verbetering van de arbeidsvoorwaarden der betrokken Nederlandse arbeiders; dat de bonden geen onmiddellijk voordeel uit de actie hadden is m.i. irrelevant; vast staat, dat zij wèl schade aan de stuwadoors toebracht en uiteraard niet alleen aan hen maar ook aan tallozen die in kettingverband op onvertraagde uitlevering der ongeloste ladingen waren ingesteld.
In de literatuur wordt door sommigen weliswaar de opvatting aangehangen, dat de staking zelve inderdaad wanprestatie maar niet onrechtmatig is en dat daarom de uitlokking tot staking niet onrechtmatig is (vgl. o.m. Levenbach, Onrechtmatige Daad en Werkstaking, blz. 28 e.v. no. 3 11 e.v. en Spruit, a.w. blz. 84 e. v. ). Volgens bedoelde schrijvers zou het organiseren van een werkstaking door een vakorganisatie niet gezien moeten worden als een deloyale daad, als het opzettelijk verijdelen zonder redelijk motief, van het door het arbeidscontract beoogde doel, noch als een opzettelijk uitlokken, zonder redelijke grond, van contractbreuk van de individuele werknemers. Ik moge hierbij slechts herhalen, dat de schorsing van de arbeid in casu niet is begonnen om verbetering van de arbeidsverhoudingen van de onmiddellijk betrokken arbeiders immers deze blijkbaar het redelijkerwijze te verkrijgen optimum op dit punt reeds hadden verkregen; een redelijk motief of een redelijke grond voor schorsing in die arbeidsverhoudingen was dus niet aanwezig. In andere zin leren dan ook Mannoury, Sociaal Maandblad Arbeid 1958, blz. 741 en 1959, blz. 32 en, zij het enigzins aarzelend, F.J.H.M. van der Ven, Bedrijfsleven en Democratie blz. 86; vgl. ook Hofmann - Drion - Wiersma t. a. p.
Al is de onderhavige schorsing en derzelver organisatie dus naar burgerlijk recht als onrechtmatig te beschouwen, dit houdt geenszins in - het worde met nadruk verklaard - dat solidariteit onder vakgenoten op zich zelve ook maar enigzins afkeurenswaardig zou zijn. Het gaat in het onderhavige geval enkel om de wijze, waarop daaraan uiting is gegeven, een wijze die m.i. nu eenmaal door het concrete recht in casu niet geduld wordt. Het staat den vakgenoten en hun organisaties vrij op alle manieren van die solidariteit te doen blijken, mits de werkgevers in strijd met het recht daarvan niet de dupe worden. Evenmin houdt de boven ontwikkelde opvatting een miskenning in van het stakingsrecht in het algemeen. Ik meen juist in ons burgerlijk recht verschillende voorschriften te hebben kunnen aanwijzen, waarop een zodanig recht naar omstandigheden gebaseerd zou kunnen worden, met name indien de arbeidsvoorwaarden of arbeidsomstandigheden van dien aard zijn, dat van de arbeiders redelijkerwijs ze niet gevergd kan worden de arbeid voort te zetten; voorts lijkt van veel belang art. 1375 B. W. : de aanvulling der overeenkomst door de billijkheid of eventueel het gebruik ingeval van stakingen of schorsingen met een redelijk doel; deze methode van rechterlijke aanvulling lijkt voorkeur te verdienen boven de ook wel in de literatuur vertegenwoordigde van het stilzwijgend beding van dezelfde strekking; dit is immers een onwaarachtig middel dat hoogstens door het doel geheiligd zou kunnen worden; in ieder geval heeft het Hof in casu zijn beslissing niet op zodanig beding gebaseerd.
Een subjectief publiekrecht tot staking ( in de zin van een grondrecht, vrijheidsrecht of mensenrecht) is in onze wetgeving nog niet geïntroduceerd.
De wet van 1872 tot opheffing van het zgn. coalitieverbod zal kunnen worden begrepen als het openen van de mogelijkheid van civielrechtelijke geoorloofde stakingen of arbeidsschorsingen: de strafrechtelijke functie verviel toen doch de beoordeling naar burgerlijk recht bleef onverlet, al dient men daarbij te bedenken dat van wanprestatie toen nauwelijks sprake kon zijn omdat volgens het toen geldende recht de voor onbepaalde tijd geëngageerde arbeider zonder enige termijn van opzegging de arbeidsovereenkomst rechtmatig kon beëindigen (zie daarover Prof. Borst aangehaald artikel, blz. 484 e.v. en 478 e.v. resp. blz. 10 e. v. en 3 e. v. ).
In de tijd waarin wij thans leven en waarin een geheel volk zich tot het uiterste moet inspannen om voor zich een dragelijke levensstandaard te behouden kan men, dunkt mij, zich afvragen of niet van allen verwacht mag worden slechts in ernstige nood het arbeidsproces te verstoren.
De onderlinge afhankelijkheid van een volk op dit punt is op schone wijze vertolkt door Shakespeare in een passage van zijn treurspel Coriolanus, overigens ontleend aan de levensbeschrijving van die held door Ploutarchos. Ik bedoel de beroemde rede van Menenius Agrippa uitgesproken te midden van de muitende burgers van Rome.
Shakespeare introduceert hem aldus bij zijn hoorders (in de voortreffelijke vertaling van W. Courteaux) : Eerste Burger: Stil eens! Wie komt daar?
Tweede Burger: De brave Menenius Agrippa: een man die altijd van het volk gehouden heeft.
En dan spreekt Agrippa zijn kalmerende rede uit:
Eens kwamen alle ledematen tegen
De buik in opstand, en verweten hem,
Dat hij gelijk een draaikolk daar maar ligt
In 't midden van het lijf, nietsdoend en lui,
En 't voedsel opschrokt, zonder ooit zijn deel
Van't werk te doen; terwijl al de and're organen
Maar hoorden, zagen, spraken, dachten, voelden
En, steeds elkander steunend, zwoegden om
Aan de eisen en behoeften te voldoen
Van 't hele lichaam. Daarop zei de buik,- Let wel, mijn goede vriend,
Uw hoogst verstand'ge buik was zeer bedachtzaam,
Niet ras als zijn beschuld'gers, en sprak zo:
Wààr is 't, mijn ingelijfde vrienden, zei hij,
Dat ik de hele voeding 't eerst opneem,
Waar gij van leeft; en ja, zo hoort het ook,
Omdat ik de opslagplaats en 't werktuig ben
Van 't hele lichaam. Doch bedenkt het goed,
Door de rivieren van uw bloed zend ik het,
Tot aan het hof, -het hart, -de troon, -de hersens -;
En door de kronkelgangen van het lichaam
Ontvangt de sterkste spier, de nietigste ader
Van mij wat elk volgens zijn aard behoeft
Om van te leven.
Schoon gij elk terstond
Niet zien kunt wat ik u verschaf, ben ik
In staat u voor te reek'nen dat gij allen
Van mij de zuiv're bloem ontvangt, en mij
Niets dan de zeem'len laat.
Naar de geschiedenis verder verhaalt heeft de opstand van het volk geleid tot de benoeming van nieuwe tribuni plebis; onze democratie beschikt sedert een aantal decenniën over tal van bekwame en toegewijde volkstribunen om haar belangen te bepleiten en te verdedigen.
Wel doen de woorden van Agrippa de gedachte rijzen of er wellicht naast internationale solidariteit nog niet plaats is voor een andere solidariteit, en dan dichter bij huis.
Ik meen te moeten concluderen - gezien de in hoger beroep beperkte eis - tot vernietiging van het bestreden arrest en het daarbij bekrachtigde vonnis alsmede tot veroordeling van verweerders in de kosten van alle instanties.
De Procureur Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden,