ECLI:NL:HR:1961:AG2059

ECLI:NL:HR:1961:AG2059, Hoge Raad, 27-01-1961, 9421

Instantie Hoge Raad
Datum uitspraak 27-01-1961
Datum publicatie 09-01-2026
Zaaknummer 9421
Rechtsgebied Bestuursrecht; Belastingrecht
Procedure Cassatie
Zittingsplaats Den Haag
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:PHR:1961:AG2059
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Verwijst naar 1 zaken
Aangehaald door 11 zaken

Verwijst naar

Samenvatting

Niet uitbetalen pensioen. Algemeen ouderdomspensioen.

Uitspraak

27 Januari 1961.

v.H.

DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

in de zaak (no. 9421) van:

[eiser] , wonende [woonplaats], eiser tot cassatie van een door de Arrondissements-Rechtbank te 's-Gravenhage op 23 Februari 1960 tussen partijen gewezen vonnis, vertegenwoordigd door Mr. W. Blackstone, advocaat bij den Hogen Raad,

tegen

den Staat der Nederlanden, wiens zetel is gevestigd te 's-Gravenhage, verweerder in cassatie, vertegenwoordigd door Jhr. Mr. G. W. van der Does, mede advocaat bij den Hogen Raad;

Gehoord partijen;

Gehoord den Advocaat-Generaal Eijssen namens den Procureur-Generaal in zijn conclusie strekkende tot verwerping van het beroep onder veroordeling van eiser tot cassatie in de daarop gevallen kosten;

Gezien de stukken;

Overwegende dat uit het bestreden vonnis blijkt:

dat eiser, nader te noemen [eiser], verweerder, nader te noemen de Staat, heeft gedaagd voor den Kantonrechter te 's-Gravenhage en heeft gesteld:

dat, [eiser], als gewezen lid van de Tweede Kamer der Staten-Generaal tegenover den Staat recht heeft op pensioen; dat van het in dier voege hem toekomende pensioen over het jaar 1957 aan [eiser] niet is uitbetaald een bedrag groot f 214, 81, door den Staat aangeduid als korting wegens het genot van algemeen ouderdomspensioen; dat wegens het niet uitbetalen van dit bedrag de Staat jegens [eiser] in gebreke is, daar de Staat ondanks aanmaning door [eiser] de betaling van dit in voege als voormeld gekorte bedrag blijft weigeren; dat de Staat zijn weigering tot betaling grond op een stuk, als "wet van 31 Januari 1957" in Staatsblad 30 van het jaar 1957 opgenomen, welk stuk echter niet is tot stand gekomen op de wijze door de Grondwet voorgeschreven en mitsdien niet is een delen wet, zodat het iedere rechtskracht mist; dat de vordering van [eiser] opeisbaar is;

op welke gronden [eiser] de veroordeling van den Staat heeft gevorderd tot betaling aan hem van een bedrag van f. 214, 81;

dat de Staat deze vordering heeft bestreden en de Kantonrechter bij vonnis van 23 Augustus 1958 [eiser] in zijn vordering niet ontvankelijk heeft verklaard, na voorzover thans nog van belang, te hebben overwogen: "dat door [eiser] niet is betwist dat "krachtens artikel 2 der Regeling in Staatsblad 1957 no. 30, wegens het bestaan van een aanspraak van [eiser] op een pensioen als gewezen kamerlid zowel als op een ouderdomspensioen, de uitbetaling van [eiser]'s kamerlid-pensioen is beperkt (en wel op de voet van het bepaalde in het tweede lid van genoemd artikel 2);

"dat [eiser] deze beperking in de uitbetaling aanmerkt als een wijziging in het bedrag van het pensioen aangezien - gelijk door den Staat niet wordt weersproken - deze beperking blijvend is;

"dat hij zich op het standpunt stelt, dat de Staat tot deze wijziging niet gerechtigd is, omdat zodanige wijziging krachtens artikel IV alinea 4 der Additionele Artikelen van de Grondwet moet geschieden door een wet waarvan het ontwerp is aangenomen met de stemmen van ten minste twee derden van het aantal leden waaruit elk der kamers bestaat en hij van mening is, dat niet vaststaat dat dit is geschied;

"dat Wij deze zienswijze echter niet kunnen delen;

"dat de door [eiser] bestreden regeling voorschrijft dat de uitbetaling van het pensioen wordt beperkt, en dus niet voorschrijft dat het bedrag van het pensioen wordt gewijzigd;

dat derhalve naar de letter de regeling niet is een regeling als bedoeld in artikel IV alinea 4 der Additionele Artikelen;

"dat dit ook naar de strekking niet het geval is. Een regeling over de uitbetaling van iets wat verschuldigd is, is zeer wel denkbaar zonder dat daarbij het bedrag van het verschuldigde wordt gewijzigd. Is dit laatste de bedoeling dan zal zulks duidelijk moeten blijken. In het onderhavige geval is het kennelijk de bedoeling van den wetgever geweest voor diverse groepen van gepensioneerden - en bij de onderhavige regeling voor die van [eiser] - het ouderdomspensioen op een lager bedrag te stellen en de regeling komt dan ook neer op een wijziging van het bedrag van het ouderdomspensioen in den vorm van een betalingsregeling ten aanzien van zijn pensioen - waarvan het bedrag niet wordt gewijzigd;

"dat, nu bij de bestreden wet van 31 januari 1957 (Staatsblad no. 30) het bedrag van het pensioen niet wordt gewijzigd en derhalve daarvoor niet geldt het vereiste dat de wet waarbij dit geschiedt met een meerderheid van 2/3 van het aantal leden, waaruit elk der Kamers bestaat, wordt aangenomen, niet valt in te zien dat door den in de dagvaarding gestelden gang van zaken aan [eiser] iets is tekort gedaan - zodat Wij hem met zijne vordering niet kunnen ontvangen;

"dat voorts, te allen overvloede, dat [eiser] nog heeft betoogd - uitgaande van de bovenweerlegde stelling dat de regeling in Staatsblad 1957 no. 30 inhoudt een wijziging van het bedrag van het pensioen - dat zodanige wijziging ingevolge artikel IV lid 4 Additionele Artikelen der Grondwet slechts mogelijk is bij een wet, aangenomen met de stemmen van twee derden van het aantal leden der Kamers, dat niet vaststaat dat dit is geschied, dat de regeling dus niet kracht van Wet heeft en dat Wij, uitoefenend het recht en de verplichting tot formele toetsing, de regeling krachteloos zullen dienen te achten en de inhouding als ten onrechte geschied zullen aanmerken;

"dat Wij echter menen de vraag of dit toetsingsrecht bestaat - aan welke vraag partijen uitvoerige berekeningen hebben gewijd - buiten beschouwing te kunnen laten;

"dat toch, indien zij ontkennend zou moeten worden beantwoord, de regeling zonder meer als Wet zou zijn te aanvaarden, nu zij in den voorgeschreven vorm en op de voorgeschreven wijze is afgekondigd;

"dat, indien zij bevestigend zou zijn te beantwoorden dit [eiser] geen baat zou kunnen brengen omdat dit toetsingsrecht, beter gezegd die toetsingsplicht, dan toch, naar Onze mening waarschijnlijk slechts toepassing zou vinden in gevallen waarin redelijkerwijze aanleiding bestaat rekening te houden met aperte schending of verwaarlozing van den voorgeschreven gang van zaken en hiervan in het onderhavige geval geen sprake is, nu het wetsontwerp in een gewone zitting onder normale omstandigheden zonder hoofdelijke stemming is aangenomen, zodat er slechts plaats is voor een theoretische twijfel of, bij ontbreken van een uitdrukkelijke constatering van het vereiste aantal stemmen, dit aantal kan geacht worden te zijn uitgebracht;

" dat [eiser] van dit vonnis hoger beroep heeft ingesteld bij de Rechtbank;

dat de Rechtbank bij vonnis van 23 Februari 1960 het vonnis van den Kantonrechter heeft bevestigd na te hebben overwogen:

"dat de eerste grief van [eiser] zich richtende tegen de overweging van de Kantonrechter, dat de Wet van 31 januari 1957, Staatsblad 30, houdende, voorzover hier van belang, beperking van de uitbetaling van de pensioenen van gewezen leden van de Tweede Kamer der Staten-Generaal, geen wijziging inhoudt in de zin van het vierde lid van artikel IV der additionele artikelen der Grondwet, naar het oordeel van de Rechtbank gegrond is;

"dat genoemde Wet weliswaar vanuit het oogpunt van, pensioenwetgevingstechniek geen wijziging van de pensioensmaatstaven moge zijn, maar dit niet wegneemt, dat door deze Wet voor de rechtstreeks betrokkene het bedrag, dat hij als pensioen ontvangt, wordt verminderd, dus gewijzigd en als zodanig valt onder de strekking van het vierde lid van artikel IV der additionele artikelen;

"dat dan ook het, volgens den Staat slordig geredigeerde, artikel 8 van de Wet van 20 december 1956, houdende beperking van de uitbetaling van een overheidspensioen bij gelijktijdige aanspraak op een pensioen krachtens de Algemene Ouderdomswet, Staatsblad 616, naar de mening van de Rechtbank terecht spreekt van het in mindering brengen van bedragen op het pensioen, hetgeen ook op een wijziging in materiële zin duidt;

"dat nu de eerste grief naar de mening van de Rechtbank gegrond is, de overweging, die de Kantonrechter als te allen overvloede heeft aangeduid, maar, die kennelijk is bedoeld als subsidiaire overweging, waar tegen de tweede grief zich richt, aan de orde komt;

"dat de Rechtbank meent, dat een bespreking van deze grief, aangezien deze niet kan leiden tot het door [eiser] beoogde resultaat, achterwege kan blijven;

"dat de Rechtbank, namelijk de rechtsgronden ambtshalve aanvullende, van oordeel is op grond van de tekst van het tegenwoordige artikel 131 der Grondwet, gezien in het licht van de wijze van tot standkoming van deze bepaling, dat de Rechter de bevoegdheid mist de Wet naar inhoud aan de Grondwet te toetsen;

"dat tekst en strekking van deze grondwettelijke bepaling zich naar de mening van de Rechtbank eveneens verzetten tegen het in casu aan de additionele bepaling IV, sub 4 der Grondwet toetsen of de Wet van 31 januari 1957 Staatsblad 30 op de juiste wijze zou zijn tot stand gekomen;

"dat het voorgaande met zich brengt, dat het vonnis van de Kantonrechter, met verbetering van gronden als voormeld, dient te worden bevestigd; "

dat [eiser] tegen dit vonnis het navolgende middel van cassatie heeft voorgedragen:

"Schending of verkeerde toepassing van de artikelen 55, 56, 57, 80, 81, 86, 88, 89, 91, 92, 99, 115, 116, 117, 119, 120, 121, 123, 124, 130, 131, 163, 167, 175, 179 der Grondwet, IV van de Additionele Artikelen der Grondwet, 2 en 20 van de Wet op de Rechterlijke Organisatie, 1, 2, 11 der Wet houdende algemene bepalingen der wetgeving van het Koninkrijk, 48 en 59 van het Wetboek van burgerlijke rechtsvordering, 7, 60, 62, 63, 86, 87, 89, 91, 102 van het Reglement van Orde voor de Tweede Kamer der Staten-Generaal, 5, 12, 14, 31, 33, 34 van het Reglement van Orde van de Eerste Kamer der Staten-Generaal, 1, 2, en 9 van de "Wet van 31 januari 1957" (Staatsblad 1957 no. 30),

doordien de Rechtbank het vonnis van den kantonrechter, met verbetering en aanvulling der gronden, heeft bevestigd, cum annexis, zulks op de gronden in het beroepenappèlvonnis vermeld, ten onrechte, omdat tekst en strekking van artikel 131 der Grondwet zich geenszins verzetten tegen het in casu aan de additionele bepaling IV, sub 4 der Grondwet toetsen of de "wet ten van 31 januari 1957"Staatsblad 30 op de juiste wijze zou zijn tot standgekomen, en integendeel de rechter bevoegd (en zelfs verplicht) is, oordelende - gelijk de Rechtbank gedaan heeft - dat de "wet van 31 januari 1957" Staatsblad 30 een wijziging van het pensioen beoogt in den zin van artikel IV lid 4 der Additionele Artikelen, ( terwijl te dien tijde een wet, als bedoeld in de eerste volzin van het derde lid van artikel 99 der Grondwet nog niet in werking was getreden), zich ervan te vergewissen, of het ontwerp der betreffende "wet" is aangenomen zó als het, krachtens artikel IV lid 4 der Additionele Artikelen, in de gegeven omstandigheden, uitsluitend aangenomen kòn worden, te weten (niet dan) met de stemmen van twee derden van het aantal leden, waaruit elk der Kamers bestaat. "

Overwegende aangaande het middel:

dat blijkens de geschiedenis van zijn totstandkoming het tweede lid van het tegenwoordige artikel 131 van de Grondwet bedoelt uit te drukken dat, zoals het voorlopig verslag van de 2e Kamer dit destijds omschreef, "zolang de wetgeving niet tussen beide treedt, de geldigheid der wetten boven alle bedenking verheven moet zijn en dus ook geen andere macht in den Staat de bevoegdheid heeft om een bestaande wet op grond van vermeende strijdigheid met de Grondwet of iets dergelijks aan te randen";

dat hieruit volgt dat de grondwetgever het oordeel over de vraag, met welke bepalingen van de Grondwet bij het tot stand brengen der wetten moet worden rekening gehouden en hoe die bepalingen moeten worden uitgelegd en toegepast, uitsluitend heeft willen doen toekomen aan den wetgever zelf en dus aan de beoordeling door den rechter heeft willen onttrekken;

dat daarbij geen reden bestaat verschil te maken tussen de vraag of de inhoud ener wet in overeenstemming is met de Grondwet, en die of bij de totstandkoming der wet de door de Grondwet voor de wetsvorming voorgeschreven procedure in acht is genomen, daar het antwoord op beide vragen afhankelijk is van de beoordeling van de wijze waarop bij den wetgevenden arbeid de bepalingen van de Grondwet zijn uitgelegd en toegepast door de organen, aan welke de wetgevende macht door den grondwetgever is toevertrouwd;

dat uit het bovenstaande volgt dat de rechter, gesteld voor de vraag, of enig zich blijkens de wijze van afkondiging als wet aandienend voorschrift inderdaad in den zin van het eerste lid van artikel 131 kracht van wet heeft doordat de in dat artikel bedoelde aanneming door de Staten-Generaal en goedkeuring door den Koning hebben plaats gevonden, bij de beantwoording van deze vraag het standpunt, dat ten aanzien van die aanneming blijkens de voor zijn kennisneming vatbare stukken door de Staten-Generaal zelf is ingenomen, zal hebben te eerbiedigen;

dat met betrekking tot de in Staatsblad 30 gepubliceerde wet van 31 Januari 1957, waarvan [eiser] de aanneming door de Staten-Generaal betwist, uit de Handelingen van de Staten-Generaal ondubbelzinnig volgt dat naar het oordeel van elk van de beide Kamers van de Staten-Generaal het ontwerp van die wet door die Kamer - uiteraard met inachtneming van de volgens haar toepasselijke bepalingen van de Grondwet - is aangenomen;

dat op grond van dit oordeel, dat niet ter toetsing staat van den rechter, het desbetreffende voorstel van wet voor aangenomen moet worden gehouden, zodat, nu het blijkens de wijze waarop het door de Koningin is afgekondigd, mede de Koninklijke goedkeuring verworven heeft, dat voorstel in den zin van het eerste lid van artikel 131 van de Grondwet kracht van wet heeft gekregen en door de afkondiging verbindend is geworden;

dat het middel de beslissing van de Rechtbank dus tevergeefs bestrijdt;

Verwerpt het beroep.

Veroordeelt eiser in de kosten aan de zijde van verweerder op het beroep in cassatie gevallen, tot op deze uitspraak begroot op vijftig gulden voor verschotten en zeven honderd en vijftig gulden voor salaris.

Gedaan bij de Heren de Jong, waarnemend President, Wiarda, Houwing, Hulsmann en Petit, Raden, en door den waarnemenden President voornoemd uitgesproken ter openbare terechtzitting van den zeven en twintigsten Januari 1900 één en zestig, in tegenwoordigheid van den Advocaat-Generaal van Oosten.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl NJ 1963, 248 met annotatie van D.J. Veegens
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?