ECLI:NL:HR:1963:81

ECLI:NL:HR:1963:81, Hoge Raad, 10-05-1963, 9582

Instantie Hoge Raad
Datum uitspraak 10-05-1963
Datum publicatie 09-01-2026
Zaaknummer 9582
Rechtsgebied Civiel recht
Procedure Cassatie
Zittingsplaats Den Haag
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:PHR:1963:4
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Aangehaald door 7 zaken

Aangehaald door

Samenvatting

Vouwapparaat. Koop en verkoop, waarbij de verkoper de afwezigheid van een verborgen gebrek heeft gegarandeerd. Toepasselijkheid van de artt. 1540 e.v. B. W. of van de regels van wanprestatie?

Uitspraak

JP

10 Mei 1963

DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

in de zaak, nummer 9582, van

[eiser] , wonende te [woonplaats] , eiser tot cassatie van een op 29 November 1961 door het Gerechtshof te Arnhem tussen partijen gewezen arrest, vertegenwoordigd door Mr.C.R.C. Wijckerheld Bisdom, advocaat bij den Hogen Raad,

tegen

[verweerder] , wonende te [woonplaats] , verweerder in cassatie, vertegenwoordigd door Mr. A. G.Maris, mede advocaat bij den Hogen Raad;

Gehoord partijen;

Gehoord den Procureur-Generaal, concluderend dat de Hoge Raad het arrest, waarvan beroep, vernietige en de zaak verwijze naar het Gerechtshof te Arnhem, ten einde haar met inachtneming van het door den Hogen Raad te wijzen arrest op het bestaande hoger beroep verder te behandelen en te beslissen;

Gezien de stukken;

Overwegende dat uit het bestreden arrest blijkt:

dat eiser tot cassatie, [eiser] , verweerder in cassatie, [verweerder] , heeft gedaagd voor de Arrondissements- Rechtbank te Almelo tot betaling van f. 2.175,30 met rente en kosten, daartoe stellende in het kort:

dat [eiser] op of omstreeks 3 Juni 1954 van [verweerder] heeft gekocht en ontvangen een vouwapparaat; dat [verweerder] verzekerd had, dat dit vouwapparaat paste achter de reeds door [verweerder] aan [eiser] verkochte en geleverde gebruikte snelpers van het fabrikaat Koenig en Bauer; dat gebleken is, dat dit vouwapparaat niet paste achter de genoemde snelpers en evenmin passend te maken is, tengevolge waarvan [eiser] aan zijn koper de koopsom ad f. 1.500, -- heeft moeten terugbetalen; dat [eiser] bovendien voor reparatie en montage van het betreffende apparaat heeft moeten uitgeven een bedrag van f. 675,30; dat [eiser] hierdoor schade lijdt in voege en tot bedragen als voren omschreven, die [verweerder] hem moet vergoeden, waartoe deze niet bereid is;

dat [verweerder] deze vordering heeft bestreden, daarbij onder meer ontkennend dat hij zou hebben verzekerd, dat het vouwapparaat paste achter de snelpers;

dat de Rechtbank te Almelo bij vonnis van 26 Oktober 1960 aan [eiser] heeft opgedragen door getuigen te bewijzen dat [verweerder] hem voor het tot stand komen van de koopovereenkomst van het vouwapparaat telefonisch heeft op verzekerd dat dit paste bij de reeds verkochte drukpers van het merk Koenig en Bauer en voorts hem bewijs van de door hem gestelde schade heeft opgelegd;

dat op het door [verweerder] ingestelde hoger beroep het Gerechtshof te Arnhem bij het bestreden arrest dat vonnis heeft vernietigd en [eiser] niet-ontvankelijk heeft verklaard in zijn vordering na omtrent de zesde appelgrief te hebben overwogen:

"dat [verweerder] blijkens de verwijzing in zijn memorie van grieven naar het arrest van dit Hof van 15 December 1953, N.J. 1954 nr. 419 en de toelichting bij pleidooi deze grief onder meer grondt op de stelling, dat het gebrek van het vouwapparaat, waarop [eiser] zijn actie grondt, is een verborgen gebrek in de zin van de artikelen 1540 en volgende van het Burgerlijk Wetboek, zodat hij, door eerst circa 5 jaren na de ontdekking van het gebrek te dagvaarden, de in artikel 1547 van het Burgerlijk Wetboek gestelde vervaltermijn heeft laten verlopen en derhalve in zijn eis niet-ontvankelijk is;

"dat deze stelling juist is;

"dat immers [eiser] heeft gesteld, dat hij het vouwapparaat heeft gekocht ten gebruike bij de eveneens door hem gekochte drukpers, wat [verweerder] zou hebben geweten en dat het vouwapparaat voor dit gebruik ongeschikt is gebleken, immers niet op de drukpers paste noch passend te maken was;

"dat derhalve volgens deze stellingen het apparaat ongeschikt was voor het gebruik waartoe het bestemd was, welk gebrek verborgen was, immers [eiser] bij de koop onbekend; terwijl tevens vaststaat, dat dit gebrek niet op eenvoudige wijze vast te stellen was, nu bij de koop het apparaat en de pers niet bijeen stonden;

"dat voor een actie op grond van een dergelijk gebrek de artikelen 1540 en volgende van het Burgerlijke Wetboek een bijzondere regeling geven, die de koper niet de vrijheid laat de daarin vervatte beperkingen van de algemene regeling van de uit wanprestatie van de verkoper voortvloeiende aanspraken ter zijde te stellen;

"dat hieraan niet afdoet, dat, gelijk [eiser] mede stelt, [verweerder] hem de afwezigheid van het gebrek zou hebben gegarandeerd;

"dat immers in wezen geen verschil bestaat tussen niet nakoming van de verplichting van de verkoper om in te staan voor niet genoemde gebreken en die om een uitdrukkelijke garantie van bepaalde eigenschappen na te komen, daar in beide gevallen de verkoper in wezen dezelfde verplichting, voortvloeiende uit de overeenkomst, niet nakomt; dat door een uitdrukkelijke garantie weliswaar de verkoper op zich neemt, de koper ook bij goede trouw aan zijn, verkopers, zijde volledig schadeloos te stellen, doch niet valt in te zien, dat de verkoper daarmede heeft bedoeld de termijn van artikel 1547 van het Burgerlijk Wetboek buiten werking te stellen, nog daargelaten, of dit bij een fatale termijn mogelijk is;

"dat wel een gevolg van een dergelijke garantie kan zijn, dat de koper het instellen van een onderzoek naar de deugdelijkheid van het gekochte, voor zover dit anders op zijn weg zou liggen, kan nalaten en de termijn, voorgeschreven in artikel 1547 van het Burgerlijk Wetboek, dan eerst aanvangt na de ontdekking van het gebrek, doch in het onderhavige geval onbetwist is, dat de koop en levering hebben plaatsgehad in of omstreeks Juni 1954, dat op of omstreeks 27 September 1955 "na maandenlang gedokter" het vouwapparaat is gedemonteerd en sindsdien ter beschikking van [verweerder] staat (conclusie van repliek blz. 3), en dat eerst op 4 Mei 1959 is gedagvaard;

"dat derhalve de "korte tijd", genoemd in artikel 1547 van het Burgerlijk Wetboek, aanmerkelijk is overschreden;

"dat derhalve tengevolge van de gegrondheid van deze grief het vonnis, waarvan beroep, moet worden vernietigd en [eiser] alsnog in zijn vordering niet-ontvankelijk verklaard, zodat de overige grieven geen behandeling behoeven;

Overwegende dat [eiser] het volgende middel van cassatie voorstelt:

"Schending althans verkeerde toepassing van de artikelen 175 van de Grondwet, 20 der Wet op de Rechterlijke Organisatie, 1269, 1270, 1271, 1272, 1273, 1274, 1275, 1276, 1277, 1278, 1279, 1280, 1281, 1282, 1283, 1284, 1285, 1286, 1287, 1288, 1352, 1374, 1375, 1493, 1509, 1510, 1527, 1540, 1541, 1542, 1543, 1544, 1545, 1546 en 1647 van het Burgerlijk Wetboek en 48 en 59 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering,

doordat het Hof, met vernietiging van het vonnis waarvan beroep, [eiser] niet-ontvankelijk heeft verklaard op de gronden en overwegingen in het arrest vermeld, waarnaar hier wordt verwezen, ten onrechte,

aangezien het Hof heeft miskend, dat, indien [eiser] 's stelling, dat [verweerder] hem de afwezigheid van het gebrek, waarop [eiser] zijn eis mede heeft gegrond, heeft gegarandeerd, in rechte zou komen vast te staan, een onbeperkt verhaalsrecht aan hem, [eiser] , zou toekomen, althans artikel 1547 van het Burgerlijk Wetboek niet van toepassing zou zijn, zijnde 's Hofs overweging, dat in wezen geen verschil bestaat tussen niet nakoming van de verplichting van de verkoper om in te staan voor niet genoemde gebreken en die om een uitdrukkelijke garantie van bepaalde eigenschappen na te komen, niet juist, aangezien immers de eerst genoemde verplichting des verkopers voortvloeit uit de wet, terwijl de tweede genoemde haar grondslag vindt, althans mede vindt in een daartoe strekkend beding, zijnde bovendien niet juist 's Hofs oordeel, dat de verkoper niet geacht kan worden door een uitdrukkelijke garantie de termijn van artikel 1547 van het Burgerlijk Wetboek buiten werking te hebben gesteld, immers voor de beantwoording van de vraag of artikel 1547 van het Burgerlijk Wetboek ten deze van toepassing is, niet relevant, zodat het Hof [eiser] ontvankelijk had behoren te verklaren; "

Overwegende omtrent dit middel:

dat de wet in de artikelen 1540 en volgende van het Burgerlijk Wetboek den verkoper, ook zonder dat partijen daaromtrent iets zijn overeengekomen, verplicht den koper te vrijwaren wegens gebreken van de verkochte zaak, doch uitsluitend in dier voege dat, indien de zaak een verborgen gebrek heeft als in die artikelen omschreven, de koper jegens den verkoper in de daar genoemde gevallen de daar omschreven rechten heeft;

dat partijen bij een overeenkomst, gelijk in het algemeen ten aanzien van enig feit, zo ook bij den koop ten aanzien van een eigenschap van de verkochte zaak uitdrukkelijk of stilzwijgend kunnen overeenkomen, dat de enkele afwezigheid van die eigenschap steeds wanprestatie van den verkoper zal opleveren en den koper de rechten zal geven, die in het algemeen uit wanprestatie voortvloeien; dat zij dit evenzeer vermogen te doen ten aanzien van een eigenschap, waarvan het ontbreken een verborgen gebrek in den zin van vorengenoemde artikelen zou zijn, en zij daarmede dan een andere aansprakelijkheid voor zodanig gebrek overeenkomen dan uit die artikelen zou voortvloeien;

dat alsdan de rechten van de ene partij berusten op hetgeen partijen daaromtrent zijn overeengekomen;

dat dit ook geldt voor het geval dat het ontbreken een verborgen gebrek zou zijn, en ook dan de aansprakelijkheid van den verkoper voortvloeit uit het tussen partijen daaromtrent overeengekomene en dus niet uit de artikelen 1540 en volgende, zodat deze artikelen dan toepassing missen;

dat de vraag of in een gegeven geval partijen de hiervoor bedoelde onbeperkte aansprakelijkheid van den verkoper voor de aanwezigheid van zekere eigenschap zijn overeengekomen, door uitlegging van hun wilsverklaringen beantwoord moet worden;

dat de enkele mededeling van den verkoper aan den koper, dat de zaak zekere eigenschap heeft, een overeenkomst als hier bedoeld nog niet behoeft in te houden en mitsdien nog niet de toepasselijkheid van de artikelen 1540 en volgende behoeft uit te sluiten;

dat evenwel het Hof ten onrechte heeft beslist dat die artikelen ook dan nog toepasselijk zouden zijn als de verkoper den koper de afwezigheid van het gebrek zou hebben gegarandeerd;

dat het hiertegen gerichte middel dus gegrond is en 's Hofs beslissing derhalve niet in stand kan blijven; dat verwijzing moet volgen;

Vernietigt het bestreden arrest van het Gerechtshof te Arnhem;

Verwijst het geding naar dat Hof ten einde met inachtneming van 's Hogen Raads uitspraak de zaak verder te behandelen en te beslissen;

Veroordeelt verweerder in cassatie in de op het beroep in cassatie gevallen kosten, tot op deze uitspraak aan de zijde van eiser tot cassatie begroot op vijf en zeventig gulden en vijf en zeventig cent aan verschotten en éénduizend tweehonderd gulden voor salaris.

Aldus gedaan door de Heren Mrs. Smits , President, Wiarda, Houwing, Hülsmann en Petit, Raden, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van den tienden Mei 1900 drie en zestig bij monde van den President voornoemd, in tegenwoordigheid van den Procureur-Generaal.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl NJ 1963/288 met annotatie van J.H. Beekhuis
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?