ECLI:NL:HR:1963:86

ECLI:NL:HR:1963:86, Hoge Raad, 10-05-1963, 9636

Instantie Hoge Raad
Datum uitspraak 10-05-1963
Datum publicatie 09-01-2026
Zaaknummer 9636
Rechtsgebied Civiel recht
Procedure Cassatie
Zittingsplaats Den Haag
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:PHR:1963:3

Samenvatting

Botsing van een zich op de wal bevindende kraan met een te water stilliggend schip. Art. 536 K. van overeenkomstige toepassing krachtens art. 544a, eerste lid K.?

Uitspraak

JP

10 Mei 1963

DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

in de zaak (nr. 9636) van:

de naamloze vennootschap N.V. Overslagbedrijf "Amsterdam", gevestigd te Amsterdam, eiseres tot cassatie van een arrest, door het Gerechtshof te Amsterdam op 29 Maart 1962 tussen partijen gewezen, vertegenwoordigd door Mr. A. G. Maris, advocaat bij den Hogen Raad,

tegen

1. de vennootschap naar Panamees recht Compania Naviera Palma S.A. , gevestigd te Panama,

2. [verweerder 2], wonende te [woonplaats] in Griekenland, verweerders in cassatie, vertegenwoordigd door Mr. L. D. Pels Rijcken, mede advocaat bij den Hogen Raad;

Gehoord partijen;

Gehoord den Advocaat-Generaal van Oosten, namens den Procureur-Generaal, concluderende dat de Hoge Raad de bestreden uitspraak vernietige, de zaak verwijze op den voet en op de wijze, bij artikel 422 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering bepaald, en de verweerders veroordele in de kosten, aan de zijde van de eiseres op het cassatieberoep gevallen;

Gezien de stukken;

Overwegende dat uit het bestreden arrest, voor zover thans van belang, blijkt:

dat het onder de vlag van Costa Rica varende zeeschip "Palmita", in eigendom toebehorende aan en gereed door de eerste verweerster - hierna te noemen Palma - en waarop stuurman was de tweede verweerder -[verweerder 2]- krachtens charter-partij van 22 Juli 1957 was vervracht aan Hüttenwerk Oberhausen A.G. te Oberhausen - hierna te noemen Hüttenwerk - tot het vervoer van een lading erts van Mormugao naar Antwerpen of Amsterdam onder beding (clausule 17), dat de lossing zou geschieden door de stuwadoors van de ontvangers buiten kosten van het schip ("Discharging to be effected by Receiver's stevedores free of expense to the vessel") ; dat de "Palmita" - na ter uitvoering van bedoelde bevrachtingsovereenkomst een lading erts van Mormugao naar Amsterdam te hebben vervoerd - op 19 November 1957 in de Westhaven te Amsterdam langs de kade gemeerd lag tot lossing van deze partij erts, waarvan Hüttenwerk voornoemd ook de ontvanger was; dat de eiseres tot cassatie - hierna te noemen "Amsterdam" - als stuwadoor krachtens een door haar met Hüttenwerk gesloten overeenkomst deze lossing had aangenomen en ter uitvoering van deze opdracht op genoemden dag door haar personeel en met behulp van haar in eigendom toebehorende en door haar geëxploiteerde kranen (laadbruggen) de lossingswerkzaamheden deed verrichten; dat tijdens het verrichten van deze werkzaamheden op genoemden dag te omstreeks 11.25 uur één van deze kranen, nadat daarmede een grijper met erts uit ruim 2 van de "Palmita" boven den wal was gebracht, plotseling langs de kade is gaan rijden in de richting van ruim 1 van de "Palmita" en ondanks het indrukken van een schakelaar om den motor stroomloos te doen zijn is blijven rijden en daarbij in aanraking is gekomen met den voormast van de "Palmita", waarop die mast met de daaraan gebrachte laadbomen tengevolge van die aanraking is omgebogen en op het voordek van dit schip is gevallen, alwaar [verweerder 2] als stuurman werkzaam was en door dit vallend gerei aan het hoofd werd getroffen en dientengevolge letsel bekwam; dat Palma en [verweerder 2] "Amsterdam" hebben gedaagd voor de Arrondissements-Rechtbank te Amsterdam, en nevens de voorschreven feiten hebben gesteld dat Palma tengevolge van de voormelde aanraking aan schade heeft geleden cascoschade, overligschade, onderscheiden verschotten en kosten, tezamen £. 4.741.9.9, voorts dat ter zake van het door [verweerder 2] opgelopen letsel verpleeg-, verblijf-, vervoer- en andere daarmede samenhangende kosten zijn gemaakt, in het geheel bedragende £. 396.7.10, waarvan Palma krachtens subrogatie ingevolge de Arbeidswet van Costa Rica vergoeding kan vorderen, vervolgens dat [verweerder 2] wegens geleden pijn en gederfde levensvreugde jegens "Amsterdam" aanspraak heeft op vergoeding van £. 500 .- , uit welken hoofde Palma van "Amsterdam" de betaling heeft gevorderd van £ 5.137.17.7, bij vermeerdering van eis aangevuld met £ 13.6.0, en [verweerder 2] de betaling van £. 500 .-;

dat Palma en [verweerder 2] tot grondslag van deze vorderingen hebben gesteld dat voorschreven aanraking is te wijten aan schuld van de onder beheer van "Amsterdam" staande kraan, welke verkeerd heeft gereden door een oorzaak, in de kraan zelf gevonden, dat deze schaden bovendien zijn te wijten aan een onrechtmatige daad van een in dienst van "Amsterdam" staanden althans door "Amsterdam" voor de waarneming van haar zaken aangestelden monteur, die in September 1957 op de kraan ten behoeve van de kraan arbeid heeft verricht en daarbij in strijd met de zorgvuldigheid, welke in het maatschappelijk verkeer ten aanzien van eens anders goed betaamt, heeft verzuimd een door hem bij het zoeken naar de oorzaak van een storing in het stuur-stroomcontactencircuit van de kraan tijdelijk aangebrachte verbinding na de opheffing van die storing te verwijderen, tengevolge waarvan door het indrukken van den noodschakelaar de hoofdschakelaar niet is uitgevallen en de kraan niet spanningsloos is geworden, en voorts aan een onrechtmatige daad van "Amsterdam" zelf, die in strijd met de zorgvuldigheid, welke haar in het maatschappelijk verkeer ten aanzien van eens anders goed betaamt, onvoldoende toezicht op de goede en veilige werking van de kraan heeft uitgeoefend en te dien einde geen, althans onvoldoende instructies heeft gegeven, immers de werkzaamheden aan de "Palmita" heeft laten verrichten met een kraan, waarvan de secundaire wikkeling van den stuurstroomtransformator niet was geaard en een stroomafsluiter defect was, zodat deze defecte stroomafsluiter kortsluiting met den stuurstroom kon veroorzaken en de kraan plotseling kon gaan rijden, en waarvan de noodschakelaar niet functioneerde, terwijl "Amsterdam" bovendien heeft verzuimd aan de monteurs die tijdelijke verbindingen op de kraan aanbrachten opdracht te geven hiervan aantekening te houden en deze verbindingen na voltooiing van hun werkzaamheden op te heffen en heeft nagelaten de kraan, die ten tijde van het ongeval niet behoefde te rijden, door bouten op de rails te blokkeren;

dat de Rechtbank te Amsterdam bij vonnis van 22 Februari 1961 heeft overwogen:

"Palma stelt als eerste grond, waarop "Amsterdam" aansprakelijk zou zijn, dat vorenomschreven aanraking te wijten is aan de schuld van de onder beheer van Amsterdam staande kraan, welke verkeerd heeft gereden door een oorzaak, welke in de kraan zelf is gevonden.

"Palma heeft hierbij in het bijzonder het oog op het bepaalde in artikel 544a, lid 2, van het Wetboek van Koophandel, hebbende "Amsterdam" echter de toepasselijkheid van deze bepaling bestreden.

"De rechtbank stelt voorop dat gemeld artikel in beginsel ook toepassing vindt wanneer het schip verhaal zoekt op de eigenaar van het voorwerp, waarmede het in botsing of aanraking is gekomen.

"Voorts ligt in de stellingen van de eis (een kraan maakt een niet bedoelde beweging en raakt de mast van een gelost wordend schip) opgesloten dat het schip geen schuld, in welke mate ook, treft, hebbende "Amsterdam" bij pleidooi de onschuld van de Palmita uitdrukkelijk erkend.

"De vraag blijft dan echter nog over of er van een botsing of aanraking in de zin van artikel 544a, lid 2, sprake kan zijn, wanneer, zoals in casu, het schip niet voer, maar stillag.

"Naar het oordeel van de rechtbank vloeit uit de wet een onderscheid als hier bedoeld niet voort, te minder nu het schip normaal werd gebruikt, immers met lading is aangekomen ten einde gelost te worden, waarna het na de lossing zijn reis zou vervolgen.

"Het vorenstaande brengt mede dat, nu de oorzaak van het ongeluk is terug te voeren tot de kraan zelve, "Amsterdam" in beginsel aansprakelijk is zonder dat enige nalatigheid aan haar zijde behoeft vast te staan, tenzij "Amsterdam" een beroep zou kunnen doen op het bepaalde in artikel 535 van het Wetboek van Koophandel. Dit is echter niet het geval vermits, indien als juist zou worden aanvaard hetgeen door "Amsterdam", in aansluiting aan het rapport van de door haar geraadpleegde deskundige, is aangevoerd als oorzaak of oorzaken, welke tengevolge hadden dat de laadbrug onbedoeld is gaan rijden en daarna, ondanks het indrukken van de noodschakelaar, is blijven rijden, dan ligt daarin opgesloten dat de gebreken niet door enige inwerking, die van buiten de lossingsinstallatie kwam, en toeval of overmacht in de zin van gemeld artikel opleverde, zijn ontstaan. ";

dat de Rechtbank bij dit vonnis Palma heeft toegelaten door getuigen te bewijzen dat zij tengevolge van het op 19 November 1957 plaats gehad hebbende ongeluk een stilligschade heeft geleden van £. 250 .- per dag van 19 November 1957 tot 29 November 1957, en de vordering van [verweerder 2] ten bedrage van £. 500 .- heeft toegewezen;

dat "Amsterdam" hoger beroep tegen dit vonnis heeft ingesteld en daartegen als vierde grief heeft ingebracht dat de Rechtbank ten onrechte heeft beslist dat de botsing tussen de rijdende laadbrug en de "Palmita" is gelijk te stellen met een aanvaring en dat ter zake van deze botsing op "Amsterdam" een aansprakelijkheid rust, ook al is de schade het gevolg van een verborgen en redelijkerwijs niet te ontdekken gebrek;

dat het Gerechtshof te Amsterdam bij het bestreden arrest het vonnis waarvan beroep heeft bekrachtigd, na ten aanzien van de vierde grief te hebben overwogen:

18) "dat vaststaat, dat de onderhavige botsing heeft plaatsgevonden tussen de meergenoemde zich op de wal bevindende en aldaar in beweging geraakte kraan en de te water stilliggende "Palmita", een zeeschip in de zin van artikel 309 van het Wetboek van Koophandel, hetwelk overeenkomstig de normale bestemming van een schip zich nabij die kraan bevond tot lossing van de door dit schip over zee naar Amsterdam vervoerde goederen;

19) "dat op een dergelijke botsing krachtens artikel 544a, lid 1, van het Wetboek van Koophandel de bepalingen van de zesde titel van het tweede boek van dit Wetboek overeenkomstige toepassing vinden;

20) "dat dientengevolge "Amsterdam" als gebruiker van meerbedoelde kraan aansprakelijk is voor de door die botsing veroorzaakte schade krachtens het in artikel 536 van het Wetboek van Koophandel bepaalde, daar de botsing is veroorzaakt door een verkeerde beweging van de kraan tengevolge van gebreken van die kraan, welke gebreken niet zijn ontstaan door enige inwerking, die van buiten de kraan kwam en toeval of overmacht in de zin van artikel 535 van het Wetboek van Koophandel opleverde, maar waren gelegen bij de kraan zelve;

21) "dat hieraan niet afdoet, dat "Amsterdam" niet gelijk een reder van een schip beroep kan doen op de beperkte aansprakelijkheid, omschreven in artikel 541 van het Wetboek van Koophandel, daar de wetgever blijkens de geschiedenis van de totstandkoming van dit artikel een beperkte aansprakelijkheid slechts in het leven heeft willen roepen voor de bedrijfsrisico's van de reder, die met de zeevaart samenhingen, en dus een beperkte aansprakelijkheid van de eigenaar of gebruiker van het in artikel 544a van het Wetboek van Koophandel bedoelde voorwerp niet heeft beoogd, zodat in een geval als het onderhavige artikel 541 van het Wetboek van Koophandel niet van overeenkomstige toepassing is;

22) "dat derhalve de vierde grief ongegrond is;"

Overwegende dat "Amsterdam" tegen dit arrest opkomt met het navolgende middel van cassatie:

"Schending en/of verkeerde toepassing van de artikelen 625, 626, 627, 1401, 1402, 1403, 1902 en 1903 van het Burgerlijk Wetboek, 1, 309, 310, 320, 320a, 321, 534, 535, 536, 536a, 537, 541, 544 en 544a van het Wetboek van Koophandel, 48, 59, 339, 343, 345, 347 en 353 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, 20 en 69 van de Wet op de Zamenstelling der Regterlijke Magt en het Beleid der Justitie, 175 van de Grondwet,

door te overwegen en op grond daarvan recht te doen, gelijk in voormeld arrest is omschreven,

ten onrechte,

(1) omdat van botsing of aanraking van schepen met andere roerende of onroerende voorwerpen in de zin van artikel 544a van het Wetboek van Koophandel niet gesproken kan worden, indien het schip, waarmee het voorwerp in botsing of aanraking kwam, gelijk in casu, stil ligt,

(2) omdat ten deze niet van een botsing of aanraking van schepen met andere roerende of onroerende voorwerpen in de zin van artikel 544a van bedoeld wetboek kan worden ge- sproken, omdat de botsing of aanraking heeft plaatsgevonden niet in de scheepvaart doch bij het lossen van het schip,

(3) omdat artikel 544a, eerste lid, van het Wetboek van Koophandel en de daarin bedoelde overeenkomstige toepasselijk verklaring slechts betrekking hebben op het geval dat het schip en/of de eigenaar en/of de reder van het schip, dat in botsing of aanraking is gekomen met een roerend of onroerend voorwerp, aansprakelijk wordt gesteld voor de schade toegebracht door het schip aan het roerend of onroerend voorwerp, en/of daarbij behorende zaken of personen, met welk voorwerp het schip in botsing of aanraking is gekomen,

althans niet op het onderhavige geval, waarin Palma en [verweerder 2] respectievelijk als eigenaar en/of reder van de "Palmita" en als stuurman van dat schip vergoeding vorderen van schade, die is toegebracht respectievelijk aan het te water stilliggende zeeschip "Palmita" en zijn zich aan boord bevindende stuurman door de zich op de wal bevindende en aldaar in beweging geraakte kraan van "Amsterdam", waar- van, terecht, niet door Palma en [verweerder 2] gesteld laat staan bewezen is, dat zij een schip in de zin van de zesde titel van het tweede boek en/of artikel 309 van het Wetboek van Koophandel zou zijn, doordat door een beweging van de genoemde kraan een botsing of aanraking is ontstaan met het te water stilliggend schip "Palmita";

(4) omdat, zo juist mocht zijn, gelijk het Hof oordeelt, dat "Amsterdam" niet gelijk een reder van een schip beroep kan doen op de beperkte aansprakelijkheid omschreven in artikel 541 van het Wetboek van Koophandel, zulks meebrengt, gelet op hun samenhang met artikel 541 en de geschiedenis van de betreffende wetsartikelen, dat de artikelen 535 en 536 van dat wetboek evenmin van overeenkomstige toepassing zijn;

(5) omdat althans, zo een of meer van de voorgaande stellingen onjuist mochten zijn, ook bedoeld artikel 541 ten deze van overeenkomstige toepassing is, nu artikel 544a, lid 1, van het Wetboek van Koophandel te dien aanzien geen uitzondering maakt; "

Overwegende wat het middel betreft:

dat het Hof, evenals de Rechtbank, heeft geoordeeld dat in het geval van een botsing als de onderhavige, van een zich op den wal bevindende en daar in beweging geraakte kraan tegen een te water stilliggend schip, de gebruiker van dat voorwerp krachtens artikel 544a, eerste lid, van het Wetboek van Koophandel aansprakelijk is op den voet als in artikel 536 van dit Wetboek met betrekking tot den reder van een schip is bepaald;

dat het middel in zijn derde onderdeel dit oordeel terecht bestrijdt;

dat toch genoemd artikel 544a, eerste lid, evenals de bepalingen van denzelfden titel, welke het van overeenkomstige toepassing verklaart, slechts strekt tot regeling van de aansprakelijkheid van den reder van een schip voor de schade, tengevolge van schuld van dat schip door botsing of aanraking toegebracht ;

dat het oorspronkelijke ontwerp van een nieuwen zesden titel van het tweede boek van het Wetboek van Koophandel (zitting 1919-1920, 448, nr. 2), nevens de aansprakelijkheid voor de botsing en aanraking van schepen met elkander, die voor botsing of aanraking met andere voorwerpen tezamen in artikel 534 had vervat onder een gelijke regeling, welke, evenals die van de tegenwoordige artikelen 536 tot en met 543, zich er toe bepaalde voor de schade, door botsing of aanraking toegebracht, aansprakelijk te stellen den reder van het schip, door welks schuld de botsing of aanraking was veroorzaakt ;

dat nader, in aansluiting bij het op 23 September 1910 te Brussel gesloten tractaat tot het vaststellen van enige eenvormige regelen betreffende de aanvaring, de in de artikelen 534 en volgende vervatte regeling van de aansprakelijkheid van den reder voor botsing of aanraking van schepen werd beperkt tot de gevallen van botsing of aanraking van schepen met elkander, en voor de, niet in het aanvaringstractaat voorziene, gevallen van botsing of aanraking van schepen met andere roerende of onroerende voorwerpen afzonderlijk in artikel 544a, eerste lid, werd bepaald dat op zodanige botsing of aanraking de bepalingen van dezen titel overeenkomstige toepassing vinden;

dat tot deze splitsing, welke de Bijzondere Commissie uit de Tweede Kamer, met het oog op de aansluiting bij het Tractaat, voorstond, doch de Regering overbodig oordeelde, in het mondeling overleg werd besloten op geen anderen grond dan ten einde den aanhef van den zesden titel "van aanvaring" zoveel mogelijk met artikel 1 van het aanvaringstractaat in overeenstemming te brengen (zitting 1923- 1924, 68, nr. 1, bl. 62, 63);

dat ook overigens niets in de geschiedenis van de totstandkoming van deze bepalingen er op wijst dat artikel 544a, sprekende van "overeenkomstige toepassing", zou doelen op een aansprakelijkheid van den gebruiker van het met een schip in botsing of aanraking gekomen voorwerp op gelijken voet als in artikel 536 bepaald is met betrekking tot den reder van een schip, door welks schuld een botsing of aanraking is veroorzaakt ;

Overwegende dat de gegrondbevinding van het derde onderdeel medebrengt dat het bestreden arrest op voorschreven grond moet worden vernietigd en de andere onderdelen van het middel geen behandeling meer behoeven;

Vernietigt het bestreden arrest;

Verwijst de zaak naar het Gerechtshof te Amsterdam, ten einde haar met inachtneming van 's Hogen Raads arrest verder te behandelen en te beslissen;

Veroordeelt de verweerders in de op het beroep in cassatie gevallen kosten, tot deze uitspraak aan de zijde van de eiseres tot cassatie begroot op negen en negentig gulden aan verschotten en éénduizend tweehonderd gulden voor salaris.

Aldus gedaan door de Heren Mrs. Smits, President, de Jong, Wiarda, Hülsmann en Petit, Raden, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van den tienden Mei 1900 drie en zestig door den President voornoemd, in tegenwoordigheid van den Procureur-Generaal.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl NJ 1963/277 met annotatie van J.H. Beekhuis
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?