S.
No . 9636.
Zitting 28 maart 1963.
Mr. Van Oosten.
Conclusie inzake:
N.V. OVERSLAGBEDRIJF "AMSTERDAM"
contra
1. N. V. NAAR PANAMEES RECHT COMPANIA NAVIERA PALMA
2. [verweerder 2].
Edelhoogachtbare Heren,
In het bestreden arrest wordt vastgesteld, dat de onderhavige botsing heeft plaatsgevonden tussen een zich op de wal bevindende, aldaar in beweging geraakte, kraan en het te water stilliggende zeeschip "Palmita", hetwelk, overeenkomstig de normale bestemming van een schip, zich nabij die kraan bevond tot lossing van door dit schip over zee naar Amsterdam vervoerde goederen (r.o. 18), zomede, dat de botsing is veroorzaakt door een verkeerde beweging van de kraan tengevolge van bij die kraan zelve gelegen gebreken (r.o.20).
Het Hof heeft op een dergelijke botsing art. 544a, eerste lid, K. toepasselijk geoordeeld, welk oordeel is geimpliceerd in r.o. 19, inhoudende , dat op een dergelijke botsing de bepalingen van de zesde titel van het tweede boek van het Wetboek van Koophandel toepassing vinden, terwijl het Hof, uitgaande van de toepasselijkheid van het bepaalde in de zesde titel, en met name van art. 536 K, op de onderhavige botsing, de eiseres tot cassatie aansprakelijk heeft geacht voor de door de botsing veroorzaakte schade.
In de tekst van het eerste lid van art. 544a K. is echter sprake van "botsing of aanraking van schepen met andere roerende of onroerende voorwerpen". Het voorzetsel "van" duidt hier, in de aangehaalde woorden van de tekst van dit artikel, de subjectieve tweede naamval aan, zodat de zelfstandigheden, in de tweede naamval "van schepen" genoemd, zelfstandigheden zijn, waarvan de werking uitgaat, die met de woorden "botsing" of "aanraking" wordt uitgedrukt. Bij deze interpretatie, m.i. taalkundig de enig mogelijke en daarom ook verantwoord, kan de bepaling van het eerste lid van art. 544a slechts toepassing vinden in gevallen, waarin de werking, uitgedrukt in de woorden "botsing" en "aanraking", uitgaat van de in de subjectieve genetivus "van schepen" als subjecten gedachte schepen en derhalve niet op een geval als het onderhavige, waarin de botsing of aanraking het effect is van een beweging, die uitgegaan is van een kraan, van een ander roerend voorwerp dan een schip. In het eerste lid van art. 544a wordt niet gewaagd van botsing of aanraking tussen schepen en andere roerende of onroerende voorwerpen, noch ook van botsing of aanraking van andere voorwerpen dan schepen met schepen.
Uit de wordingsgeschiedenis van dit artikel, waarover de geëerde pleiters voor partijen in cassatie Uw Raad uitvoerig hebben ingelicht, blijkt niet, dat het voorschrift van het eerste lid van dit artikel beoogd is voor gevallen als het onderhavige. De bewoordingen van de bepaling van het eerste lid van art. 544a zijn geheel gelijkluidend aan de tekst van het voorschrift, zoals deze is vastgesteld bij het mondeling overleg tussen de Regering en de Bijzondere Commissie, die verslag had uitgebracht over het oorspronkelijk ontwerp van wet, dat geworden is tot de wet van 22 december 1924, S. 573.
Bij dit mondeling overleg heeft de Bijzondere Commissie - toen zij als haar mening te kennen gaf, dat elders dan in art. 534 van het oorspronkelijk ontwerp, luidende: "Ingeval van botsing of aanraking van schepen met elkander of met andere voorwerpen (aanvaring) zijn de bepalingen van dezen titel van toepassing, indien bij de aanvaring een zeeschip is betrokken", moest worden bepaald: "De bepalingen omtrent aanvaring vinden overeenkomstige toepassing bij botsing of aanraking van een schip met een ander voorwerp dan een schip" - blijk gegeven hierbij te denken aan gevallen, waarin de botsing of aanraking slechts kan uitgaan van een schip: met name aan botsing of aanraking met onroerende voorwerpen, door de Commissie getypeerd met: kaaimuren, loodsen, lichtopstanden en bruggen (Verslag, Bijl. Hand. II, 1923-1924, 68, p. 62). Ik doe in dit verband nog opmerken, dat, anders dan de geëerde pleiter voor de verweerders het heeft voorgesteld, de Bijzondere Commissie niet gekant was tegen de opneming van het voorschrift van het tegenwoordige eerste lid van art. 544a K. in de zesde titel van het tweede boek, maar wel tegen de plaatsing daarvan in art. 534 van het oorspronkelijk ontwerp en tegen de redactie daarvan.
Cleveringa (Zeerecht, 4e dr. p. 813) .acht weliswaar de Bepalingen van de zesde titel van toepassing op "botsing tussen een schip en een voorwerp, dat geen schip is", doch schijnt hierbij , naar valt af te leiden uit de voorbeelden, gegeven op p.831 van het aangehaalde werk, toch bepaaldelijk te denken aan gevallen, waarin de werking van het schip, hetzij varend, hetzij stilliggend, uitgaat, en niet aan het geval van botsing of aanraking tussen een schip (of van een onderdeel van een schip) en een ander voorwerp dan een schip, waarbij de werking enkel van dat andere voorwerp uitgaat. Dorhout Mees, Kort Begrip, 3e dr., no. 1830 (p.660), denkt bij artikel 544a, lid 1, "aan botsing met bruggen of havenwerken". Het geval, berecht bij het arrest van Uw Raad van 23 december 1955 (N.J. 1956, no. 271, n. H.B. ) betrof een aanraking tussen het scheepstoebehoren van een schip in de zin van art. 309 K., een baggermolen en enige electrische kabels in de Voorzaan, welke plaats vond bij het normale gebruik van dit schip. Uw Raad verwierp de stelling, dat in dit geval een botsing of aanraking in de zin van art. 544a niet had plaats gevonden. In het bij dit arrest berechte geval ging echter, anders dan in de zaak, die thans aan Uw oordeel is onderworpen, de werking, uitgedrukt in het woord "aanraking", uit van het schip. Schadee stelt in zijn opstel "Aanvaring" (N.J.B. 1958, p.568) het geval van een bewegend voorwerp, dat tegen een stilliggend schip botst, en meent, dat ook dit geval door de titels betreffende aanvaring wordt bestreden. Maar in deze zienswijze wordt m.i. het verband van de tekst, waarin de woorden "botsing of aanraking" voorkomen, en met name de functie van het voorzetsel "van" in de genetivus "van schepen", uit het oog verloren, zodat ik de opvatting van Schadee niet vermag te delen, mede ook om deze reden, dat in het bepaalde bij het tweede lid van art. 544a, waarin de bewijslast wordt omgekeerd voor de in het eerste lid gegeven uitbreiding van het gebied, waarop de aanvaringsbepalingen uit de zesde titel werken (Cleveringa, t.a.p. 812), gewaagd wordt van een schip, "dat in botsing of aanraking k o m t met een ander ... vast of ... vastgemaakt voorwerp" : in de tekst van deze bepaling wordt het schip, blijkens de daarin gebezigde vorm van het werkwoord "komen", als een bewegende zelfstandigheid voorgesteld.
Ik houd het voorgestelde middel derhalve voor gegrond. Het beoogt, blijkens de toelichting, in hoofdzaak te stellen, dat het Hof op onjuiste gronden de toepasselijkheid van art. 544a , lid 1, en van de artt. 535 en 536 heeft aangenomen, een stelling, die mij, om de hierboven ontvouwde redenen, deugdelijk voorkomt.
Ik concludeer, dat de Hoge Raad de bestreden uitspraak vernietige wegens verkeerde toepassing der wet, de zaak verwijze op de voet en de wijze, bij art. 422 Rv. bepaald en de verweerders veroordele in de kosten, aan de zijde van de eiseres op het cassatieberoep gevallen.
De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden,