14 januari 1966
Br.
DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN,
in de zaak nr. 9902 van
de vennootschap naar Duits recht Fendel Schiffahrt A.G., gevestigd en kantoorhoudende te Mannheim (Duitsland), eiseres tot cassatie van een tussen partijen gewezen arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 6 november 1964, vertegenwoordigd door Mr. A.G. Maris, advocaat bij de Hoge Raad,
tegen
de vennootschap naar Noors recht Knut Knutsen O.A.S., gevestigd te Haugesund (Noorwegen), verweerster in cassatie, vertegenwoordigd door Mr. W. Blackstone, mede advocaat bij de Hoge Raad;
Gehoord partijen;
Gehoord de Advocaat-Generaal van Oosten, namens de Procureur-Generaal, concluderende tot verwerping van het cassatieberoep met veroordeling van eiseres in de kosten aan zijde van verweerster op het cassatie-beroep gevallen;
Gezien de stukken;
Overwegende dat uit het bestreden arrest en de stukken van het geding blijkt:
dat verweerster in cassatie - Knutsen - bij exploot van 11 augustus 1960 de eiseres tot cassatie - Fendel - heeft gedaagd voor de Arrondissements- Rechtbank te Rotterdam en haar veroordeling heeft gevorderd tot betaling van schadevergoeding, op te maken bij staat, op grond van een aanvaring;
dat de Rechtbank bij vonnis van 14 januari 1963 aan Knutsen haar vordering heeft toegewezen, zulks na onder meer te hebben overwogen:
2. " dat de Rechtbank, op grond van hetgeen enerzijds in de gedingstukken is gesteld en anderzijds erkend, dan wel niet of niet voldoende gemotiveerd betwist, casu quo ter gelegenheid van de pleidooien is betoogd, en/of op grond van de getuigenverklaringen, in onderling verband en samenhang beschouwd, het navolgende als vaststaande aanneemt;
Knutsen is eigenares en reedster van het Noorse zeeschip Olav Bakke; Fendel is eigenares en reedster van het motortankschip Rheintank 12. In de vroege morgen van 9 september 1959 is de Olav Bakke, metende 5870 bruto registerton, lang 474 voet, breed 58 voet, beladen met 4550 ton stukgoederen onder loodsaanwijzing de Nieuwe Waterweg opgevaren met bestemming de Merwehaven te Rotterdam. Er liep vloedstroom. Toen de Olav Bakke de Merwehaven naderde kreeg zij bericht, dat haar ligplaats nog niet vrij was en er waren ook nog geen sleepboten om haar te assisteren. Er werd besloten op de rivier ten anker te komen. De Olav Bakke voer ongeveer in het midden van de rivier, welke ter plaatse circa 400 meter breed is. Er is eerst hard stuurboordroer gegeven en vervolgens met halve kracht achteruitgeslagen. De Olav Bakke heeft een rechtsdraaiende schroef. Aldus draaide de Olav Bakke naar stuurboord en kwam zij tevens vrijwel tot stilstand. Het stuurboordanker werd gepresenteerd en er werd één sluiting ketting gestoken (15 vadam); een ankerbel werd op het voorschip gehesen. De Olav Bakke bevond zich toen ter hoogte van de bovenzijde van de mond van de Merwehaven met de steven iets over het midden van de rivier in de zuidelijke helft. Teneinde de op het anker staande krachten enigszins te compenseren en de draaibeweging te bevorderen heeft de Olav Bakke bij hard stuurboordroer langzaam vooruitgeslagen en er is ook langzaam achteruitgeslagen. Het was circa 6.15 uur. Inmiddels naderden uit westelijke richting op de Nieuwe Maas twee binnenvaartuigen namelijk het bunkerschip Vulcanus 1, hetwelk in een gestrekte koers de rivier opvoer en daarbij ongeveer 80 meter afstand hield tot de zuidelijke wal, en daarachter het motortankschip Rheintank 12, metende 1344 ton, lang 80 meter, breed 9,50 meter, welk schip beladen met 850 ton olie, op reis was van de 2e Petroleumhaven naar Wezel. De Rheintank 12 voer volle kracht en op ongeveer 110 à 120 meter uit de zuidelijke oeverlijn. Het was helder weer, goed zicht, vol daglicht en er was geen wind van belang. Gelet op de verklaring van schipper Muller van de Rheintank 12, dat hij met dit schip tegenstrooms in beladen toestand 12 à 15 kilometer per uur loopt en leeg circa 20 kilometer, over de grond gerekend, en in aanmerking nemende, dat de Rheintank 12 gedeeltelijk beladen was en de vloedstroom achter had, moet haar snelheid zeker 18 kilometer per uur hebben belopen; deze snelheid ligt in tussen de schattingen van de schipper en de machinist van de Rheintank 12 (respectievelijk 15 en 12 km) en die van de kapitein en de loods van de Olav Bakke (respectievelijk 12 mijl en 12 à 13 mijl), en past in de opgave van de dienstdoend kapitein van de Vulcanus 1, dat de bunkermachine een snelheid had van circa 15 kilometer over de grond en dat de Rheintank 12 iets harder liep en de Vulcanus 1 inhaalde. De schipper van de Rheintank 12 heeft op ruime afstand - 1} à 2 kilometer - waargenomen, dat de Olav Bakke op het anker aan het zwaaien was; hij zag de Olav Bakke min of meer dwars liggen met de ankerbel op en hij zag de ankerketting voor de steven uitstaan. Volgens hem lag de koers van de Rheintank 12 toen 50 à 60 meter vrij van de steven van de Olav Bakke. Hij heeft koers en vaart behouden. De Olav Bakke is intussen enigermate vooruit gekomen; de ankerketting kwam aan stuurboord achteruit te staan. Zij zwaaide langzaam op haar voor- anker met het achterschip om de Noord. De Vulcanus 1 is zonder moeilijkheden in het midden van de ruimte tussen het zeeschip en de zuidelijke oeverlijn, voor de steven van de Olav Bakke langs, gepasseerd, doch voor de Rheintank 12, die achter de Vulcanus 1 voer, dreigde gevaar omdat de Olav Bakke vooruit was gekomen. De Rheintank 12 kwam met het voorschip nog voor het zeeschip langs. De schipper heeft hard bakboordroer gegeven om het achterschip voor de steven van de Olav Bakke weg te draaien, maar hij slaagde daarin niet, althans niet voldoende. De steven van de Olav Bakke raakte de bakboordzijde van de Rheintank 12 ter hoogte van tank 6 en drong daarin. Ook de Olav Bakke heeft schade opgelopen. Voor en tijdens de aanvaring stond de ankerketting van de Olav Bakke naar achteren aan stuurboord tegen het schip aan. De Rheintank 12 heeft . geen vaart geminderd of achteruitgeslagen. Noch de Olav Bakke noch de Rheintank 12 heeft geluidssignalen gegeven.
3. " dat Knutsen haar vordering grondt op haar posita: dat de Rheintank 12 met veel te grote snelheid is blijven doorvaren, onvoldoende rekening heeft gehouden met de zwaaimanoeuvre van het zeeschip en met de vloedstroom, en eerder naar stuurboord had moeten koersen, in welk geval er voor haar evenals voor het bunkerschip, geen enkel beletsel ware geweest om ten zuiden van de Olav Bakke te passeren, aangezien er tussen de steven van dit zeeschip en de zuiderwal meer dan voldoende ruimte was; dat de omvang van de schade aan de zijde van Knutsen nog niet geheel bekend is en opgemaakt zal moeten worden bij staat en vereffend volgens de wet;
4. " dat Fendel - dit laatste niet betwistend - ten aanzien van de schuldvraag heeft gesteld, dat de aanvaring niet te wijten is aan de Rheintank 12, doch aan de Olav Bakke, die de Rheintank 12 in haar reglementaire koers heeft gestoord door het vaarwater gedeeltelijk over te steken, dat de Olav Bakke bovendien heeft nagelaten haar manoeuvres tijdig met signalen kenbaar te maken en ten onrechte geen, althans te weinig, sleepbootassistentie had;
5 . " ten aanzien van de schuldvraag:
Toen de Olav Bakke de Merwehaven naderde en bericht kreeg, dat haar ligplaats niet vrij was en dat geen sleepboten beschikbaar waren, bevond zij zich bij de heersende vloed in een ongemakkelijke positie. Zij kon niet anders doen dan zelfstandig manoeuvrerende zwaaien op haar vooranker en vervolgens met de kop in stroom ten anker liggende haar tijd afwachten. Een dergelijke zwaaimanoeuvre - zonder sleepboothulp - moge wellicht daar ter plaatse op de rivier ongebruikelijk, misschien zelfs ongewenst zijn, het was in dit geval onvermijdelijk.
Op de Rheintank 12 is tijdig waargenomen en begrepen wat de Olav Bakke beoogde en hoe zij dit deed. Een geluidssein van de kant van het zeeschip was voor haar overbodig. Het was een fout van de Rheintank 12 met onverminderde snelheid te blijven doorlopen en niet kalmer aan te doen om de ontwikkeling van de situatie af te wachten, en/of om haar koers te behouden en deze niet zodanig naar stuurboord te verleggen, dat zij een ruime en veilige afstand behield tot de Olav Bakke. De 50 à 60 meter die schipper Muller van de Rheintank 12 als de oorspronkelijke afstand tussen de Olav Bakke en de koerslijn van de Rheintank 12 heeft opgegeven moge hem wellicht als veilig zijn voorgekomen, hij was dit echter niet. Hier was een zeeschip met een lengte van circa 146 meter zonder sleepbootassistentie op haar anker aan het zwaaien en de Rheintank 12 moest dit zeeschip voor de steven langs passeren. De schipper van de Rheintank 12 heeft blijkbaar de moeilijkheden voor de Olav Bakke en de voor hem bestaande gevaren niet of onvoldoende beseft.
Blijkens hetgeen bij de pleidooien naar voren is gebracht, is er tussen partijen overeenstemming ten aanzien van het feit, dat normaal is en dus ook in dit geval te voorzien was, dat de Olav Bakke niet stil zou blijven liggen terwijl zij aan het zwaaien was, doch nu eens vooruit en dan weer achteruit zou slaan teneinde het anker te ontlasten en de draaibeweging te bespoedigen, zodat het feit, dat de tussenruimte tussen de Olav Bakke en de zuiderwal kleiner is geworden op zichzelf niets bijzonders is.
Het verwijt zijdens de Rheintank 12 aan de Olav Bakke is bij pleidooi nader gepreciseerd, aldus, dat de Olav Bakke, meer dan de lengte van de ankerketting (bijna 30 meter) deed vermoeden, zich heeft verplaatst en dat dan ook in feite het anker niet goed heeft gehouden, waardoor het geschiedde, dat de Olav Bakke naar de koerslijn van de Rheintank 12 toekwam en dit motortankschip voor een niet te voorziene situatie kwam te staan.
Dit betoog kan aan de schuld van de Rheintank 12 niet afdoen. De lengte van de ankerketting liet ruimte voor een verplaatsing over een afstand van circa 40 à 50 meter, en nu aan de schipper van de Rheintank 12 niet bekend was hoeveel ketting de Olav Bakke had gestoken heeft hij onnodig een aanmerkelijk risico genomen. Het met onverminderde snelheid doorvaren in de oorspronkelijke koers was in ieder geval onverantwoord.
Ten aanzien van de vraag of er medeschuld is aan de zijde van de Olav Bakke moet allereerst worden opgemerkt, dat uit niets is gebleken, dat dit zeeschip de zwaaimanoeuvre niet voorzichtig en met beleid heeft uitgevoerd.
Weliswaar hebben enkele getuigen verklaard, dat de ankerketting aan stuurboord naar achteren stond, doch dit betekent nog niet dat de ankerketting aan de Olav Bakke geen ruimte verleende om nog iets meer naar voren te komen. Alleen de 1ste stuurman vermeldt, dat de ketting strak stond, doch deze getuige heeft ook gemotiveerd verklaard dat het zeeschip geheel stil lag. Ofschoon aangenomen moet worden, dat de Olav Bakke ten tijde van de aanvaring een geringe vooruitgaande beweging had, zijn er onvoldoende aanknopingspunten om vast te stellen, dat het anker niet heeft gehouden. Een slippen van het vooranker waardoor de Olav Bakke een voor de Rheintank 12 niet te verwachten plotselinge en gevaarlijke beweging heeft gemaakt is niet komen vast te staan. Schuld aan de zijde van de Olav Bakke is derhalve niet bewezen.";
dat, na door Fendel tegen deze uitspraak ingesteld hoger beroep, het Gerechtshof te 's-Gravenhage bij het streden arrest het vonnis van de Rechtbank heeft bekrachtigd;
dat het Hof daartoe heeft overwogen:
1. dat Fendel als eerste grief heeft aangevoerd, dat de Rechtbank ten onrechte overweegt, dat de Rheintank 12 had moeten vaart minderen en/of haar koers naar stuurboord verleggen en dat zij schuld heeft aan de aanvaring met de Olav Bakke;
2. " dat in hoger beroep voor zover thans van belang de volgende feiten als onbestreden vaststaan, nu tegen de vaststelling van deze feiten in het vonnis a quo geen grieven zijn aangevoerd :
a) dat de Rheintank 12, waarvan de schipper op ruime afstand - 1,5 à 2 kilometer - had waargenomen, dat het zeeschip Olav Bakke in het midden van de rivier met de steven iets over het midden daarvan in de zuidelijke helft op het anker aan het zwaaien was, de Olav Bakke naderde met een snelheid van zeker 18 kilometer per uur en de Rheintank 12 geen vaart heeft geminderd of achteruit geslagen;
b) dat te voorzien was, dat de Olav Bakke niet stil zou blijven liggen, terwijl zij aan het zwaaien was, doch nu eens vooruit, dan weer achteruit zou slaan ten einde het anker te ontlasten en de draaibeweging te bespoedigen, zodat het feit, dat de tussenruimte tussen de Olav Bakke en de zuidelijke wal kleiner is geworden, op zichzelf beschouwd niets bijzonders is;
c) dat de schipper van de Rheintank 12, toen hij op voormelde afstand de Olav Bakke zag, tevens zag, dat de ankerketting van dit zeeschip voor de steven uitstond;
3. " dat onder deze omstandigheden de schipper van de Rheintank 12, die volgens zijn verklaring met dit schip een koers liep, waarbij de Rheintank 12 de steven van de Olav Bakke zou passeren met een tussenruimte van 50 à 60 meter, bij voortduring bedacht diende te zijn op een mogelijk vooruitgaande beweging van de Olav Bakke tijdens haar zonder sleepbootassistentie uitgevoerde zwaaimanoeuvre, tengevolge waarvan de afstand, waarop de Rheintank 12 de manoeuvrerende Olav Bakke met behoud van de oorspronkelijk door de Rheintank 12 gevolgde koers zou passeren, gezien de stand van de ankerketting, aanmerkelijk zou kunnen verminderen;
dat, nu vaststaat, dat de Rheintank 12 met onverminderde snelheid doorvarende in haar oorspronkelijke koers heeft volhard tot vlak voor het ogenblik van de aanvaring en geen vaart heeft verminderd, noch tijdig de oorspronkelijke koers naar stuurboord heeft verlegd, hoewel niet is gebleken, dat daartoe enig beletsel aanwezig was, de Rechtbank terecht van oordeel is geweest, dat het met onverminderde snelheid in de oorspronkelijke koers doorvaren de Rheintank 12 in de gegeven omstandigheden als een fout moet worden aangerekend en dit schip verkeerd heeft gevaren;
dat Fendel nu wel in de toelichting op de onderhavige grief heeft aangevoerd, dat de Olav Bakke meer dan normaal en te verwachten was naar voren is gekomen, doch deze bewering haar niet kan baten;
dat toch - zoals bij de behandeling van de derde en vierde grief nader zal worden overwogen - niet is komen vast te staan, dat de Olav Bakke meer dan normaal en voor de schipper van de Rheintank 12 te verwachten was naar voren is gekomen;
4. " dat derhalve de eerste grief niet tot vernietiging van het vonnis a quo kan leiden;
5. " dat Fendel als derde grief heeft aangevoerd, dat de Rechtbank uit het oog verliest, dat tot kort voor de aanvaring de afstand voor de steven van de Olav Bakke voldoende was, gezien de koers van de Rheintank 12;
6. " dat deze grief geen steun vindt in de ten processe vaststaande feiten;
dat toch de verklaring van de schipper van de Rheintank 12, de getuige Muller, inhoudt, dat hij, varende in de richting van de Olav Bakke, eerst geen verandering in de positie van de Olav Bakke heeft bemerkt, maar toen hij dit zeeschip dicht genaderd was, dat wil zeggen toen zijn steven ter hoogte van de steven van de Olav Bakke was gekomen, bemerkte, dat de dwarsafstand was verminderd tot 30 meter en hij ook zag, dat de ankerketting sterk naar achteren stond en de Olav Bakke plotseling snel naar voren kwam;
dat uit deze verklaring zou zijn af te leiden, dat de positie van de Olav Bakke ten opzichte van de koerslijn van de Rheintank 12 dezelfde is geweest als die, waarin de schipper van de Rheintank 12 de Olav Bakke voor het eerst had waargenomen, doch dit zeeschip eerst kort voor de aanvaring snel naar voren is gekomen;
dat deze voorstelling van zaken echter geen bevestiging vindt in de verklaringen van de gehoorde getuigen, daar weliswaar de getuige van der Hoeven spreekt van een vrij snel vooruitkomen van de Olav Bakke, doch deze getuige ook verklaart, dat het er om zal houden of de Olav Bakke op het moment van de aanvaring nog een vooruitgaande beweging had, terwijl ook uit de verklaringen der getuigen Akkerman, van der Linden, Johnson, Klok en Dubbeldam blijkt, dat de Olav Bakke op het moment van de aanvaring geen of hoogstens een geringe vooruitgaande beweging had en de Rechtbank in het vonnis a quo dan ook terecht heeft overwogen, dat aangenomen moet worden, dat de Olav Bakke ten tijde van de aanvaring een geringe vooruitgaande beweging had;
dat daaruit volgt, dat, indien de Rheintank 12 een koers heeft gehad, waarbij zij de steven van de Olav Bakke op een afstand van 50 à 60 meter zou passeren in de positie, waarin de schipper van de Rheintank 12 de Olav Bakke voor het eerst had waargenomen, de Olav Bakke reeds enige tijd voor de aanvaring met een vooruitgaande beweging een aanvang moet hebben gemaakt, welke beweging door de schipper van de Rheintank 12 niet is opgemerkt;
dat in dat geval Fendel echter niet met vrucht een beroep kan doen op de omstandigheid, dat tot kort voor de aanvaring de afstand tot de steven van de Olav Bakke in de door de Rheintank 12 gevolgde koers voldoende was, tenzij daarbij rekening zou zijn gehouden met de vooruitgaande beweging van de Olav Bakke, dan wel de schipper van de Rheintank 12 redelijkerwijze kon aannemen, dat een eventuele vooruitgaande beweging van de Olav Bakke zich nimmer zo ver zou uitstrekken, dat het met onverminderde snelheid behouden van de oorspronkelijke koers door de Rheintank 12 gevaar voor aanvaring zou opleveren;
dat - zoals bij de behandeling van de vierde grief zal blijken - de schipper van de Rheintank 12 te dien aanzien geen enkele zekerheid had en voorts niet is gebleken, dat deze schipper, anders dan zeer kort voor de aanvaring op de vooruitgaande beweging van de Olav Bakke heeft gereageerd op een tijdstip, dat een aanvaring niet meer viel te vermijden;
dat Fendel in dit verband tevergeefs een beroep doet op de omstandigheid, dat de ankerketting van de Olav Bakke kort voor de aanvaring naar achteren stond, daar zulks geenszins reden geeft voor de veronderstelling, dat de vooruitkomende Olav Bakke niet nog verder naar voren zou komen, terwijl uit de verklaring van de schipper van de Rheintank 12 niet blijkt, dat hij na het tijdstip waarop hij de Olav Bakke voor het eerst waarnam tot op het moment waarop hij kort voor de aanvaring met de steven ter hoogte van de steven van de Olav Bakke was, heeft gelet op de stand van de ankerketting van de Olav Bakke waaruit deze schipper had kunnen afleiden, dat de Olav Bakke zich in de richting van de door de Rheintank 12 gevolgde koers verplaatste;
7. " dat hieruit volgt, dat de derde grief faalt;
8. " dat Fendel als vierde grief heeft aangevoerd, dat de overweging van de Rechtbank, dat de schipper van de Rheintank 12 onnodig een aanmerkelijk risico heeft genomen, omdat hij niet wist hoeveel ketting de Olav Bakke had gestoken, onjuist is;
9. " dat Fendel de feitelijke vaststelling in het vonnis van de Rechtbank, dat de schipper van de Rheintank 12 niet wist hoeveel ketting de Olav Bakke had gestoken, in hoger beroep niet als onjuist heeft bestreden;
dat daaruit volgt, dat op grond van de lengte van de gestoken ketting de schipper van de Rheintank 12 niet kon aannemen, dat aan de vooruitgaande beweging een zodanige grens was gesteld, dat een veilig passeren van de manoeuvrerende Olav Bakke door de Rheintank 12 in de door dit schip oorspronkelijk gevolgde koers in ieder geval gewaarborgd zou zijn;
dat, nu niet is gebleken, dat de schipper van de Rheintank 12 anders dan vlak voor het ogenblik van de aanvaring met de vooruitgaande beweging van de Olav Bakke rekening heeft gehouden, de omstandigheid, dat deze schipper onbekend was met de door de Olav Bakke gestoken lengte van de ankerketting, mede redengevend is voor het oordeel van de Rechtbank, dat de schipper van de Rheintank 12 onnodig een aanmerkelijk risico heeft genomen;
dat Fendel in het kader van deze grief verder stelt, dat het niet duidelijk is op grond waarvan de Rechtbank berekent, dat de ankerketting een verplaatsing toeliet van circa 40 à 50 meter, en dat zelfs indien deze berekening juist zou zijn, de Olav Bakke dan niet de vrijheid had om, gegeven de nadering van de Rheintank 12, zover naar voren te varen dat zij dit schip in de zij aanvoer;
dat echter Fendel er niet in geslaagd is in hoger beroep aannemelijk te maken, dat de breedte, waarover de lengte van de ankerketting de Olav Bakke toeliet zich te verplaatsen zo gering was dat de Rheintank 12 er van mocht uitgaan, dat zij met onverminderde snelheid in haar oorspronkelijke koers doorvarende in ieder geval veilig de steven van het zeeschip kon passeren, terwijl anderzijds de Olav Bakke, zelfs indien de ankerketting een verplaatsing over een breedte van 50 meter toeliet, er niet op bedacht behoefde te zijn, dat de van verre naderende Rheintank 12, voor welk schip geen beletsel bestond om vaart te minderen en/of naar stuurboord van haar oorspronkelijke koers af te wijken, in strijd met goed zeemanschap bij haar oorspronkelijke koers, welke haar tot dicht bij de steven van de manoeuvrerende Olav Bakke zou brengen, met onverminderde snelheid zou volharden;
10 . " dat derhalve ook de vierde grief faalt;
11. " dat Fendel als tweede grief heeft aangevoerd, dat de Rechtbank ten onrechte overweegt, dat er voor de Olav Bakke geen aanleiding was om een geluidssignaal te geven;
12. " dat ook deze grief moet worden verworpen, omdat tussen partijen vaststaat, dat de zwaaimanoeuvre van de Olav Bakke door de Rheintank 12 tijdig is waargenomen, en op dit schip tijdig is begrepen wat de Olav Bakke beoogde en hoe zij dit deed, zodat het feit, dat deze manoeuvre niet met een sein is aangekondigd, ten deze irrelevant is;
13. " dat Fendel als vijfde grief heeft aangevoerd, dat de Rechtbank ten onrechte meent, dat de Olav Bakke de zwaaimanoeuvre voorzichtig en met beleid heeft uitgevoerd en dat zij geen schuld heeft aan de aanvaring met de Rheintank 12;
14. " dat Fendel het verwijt, dat de Olav Bakke de zwaaimanoeuvre onjuist heeft uitgevoerd, vooreerst in dier voege nader heeft omschreven, dat de Olav Bakke geen of onvoldoende rekening heeft gehouden met de naderende Rheintank 12;
dat echter uit hetgeen hierboven met betrekking tot de vierde grief reeds is overwogen volgt, dat niet is komen vast te staan dat de Olav Bakke te dien aanzien een verwijt treft;
15. " dat Fendel voorts betoogt, dat kennelijk het vooranker van de Olav Bakke niet heeft gehouden;
dat Fendel deze stelling heeft geadstrueerd met het betoog, dat het anker in het midden van de rivier is gezet en de aanvaring heeft plaatsgevonden op 100 à 120 meter uit de zuidelijke oever van de ter plaatse 400 meter brede rivier, terwijl 30 meter ketting was gestoken, dat voorts de ketting strak naar achteren stond, tegen de huid van het zeeschip aanschuurde en dit schip een niet te verwachten en gevaarlijke beweging naar voren heeft gemaakt en dat uit het schadebeeld blijkt, dat de Olav Bakke met kracht in de zijde van de Rheintank 12 is gelopen;
16. " hieromtrent, dat uit de verklaringen van de gehoorde getuigen echter niet blijkt, dat de aanvaring op zo korte afstand van de zuidelijke oever heeft plaats gevonden, dat daaruit zou moeten worden afgeleid, dat het anker niet heeft gehouden, dat een niet te verwachten plotselinge beweging naar voren van de Olav Bakke evenmin is komen vast te staan, terwijl evenmin uit het schadebeeld valt af te leiden, dat de Rheintank 12 ge- troffen is door de met kracht plotseling vooruitkomende steven van de Olav Bakke;
dat toch de op dit punt gehoorde getuigen zulks niet hebben verklaard en met name de getuige Touw niet verder is gegaan dan de verklaring, dat het uitgesloten is uit de schade te concluderen van welke kant de meeste druk is gekomen, dat wil zeggen of het binnendringen van de steven van het zeeschip in het tankschip een gevolg is van een vooruitgaande beweging van het zeeschip dan wel van een zijdelingse beweging van het tankschip, dan wel van beide;
17. " dat, gelet op hetgeen ten processe als hierboven overwogen vaststaat, het Hof geen grond aanwezig acht om een onderzoek door deskundigen te bevelen omtrent de vraag of de zwaaimanoeuvre van de Olav Bakke naar goed zeemanschap is uitgevoerd en of het mogelijk is, dat het anker heeft gekrabd dan wel de ankerketting heeft geslipt in voege als Fendel in hoger beroep heeft verzocht;
18. " dat derhalve ook de vijfde grief dient te worden verworpen en het vonnis a quo dient te worden bekrachtigd;"
Overwegende dat Fendel deze uitspraak bestrijdt met het volgende middel van cassatie:
"Schending van het recht en/of verzuim van vormen, waarvan de niet-inachtneming uitdrukkelijk met nietigheid is bedreigd of uit welker aard de nietigheid voortvloeit, in het bijzonder schending van de artikelen 1401, 1402, 1403, 1902 en 1903 van het Burgerlijk Wet- boek, 1, 309, 310, 320, 321, 534, 535, 536, 536 a, 537, 539, 541, 748, 780, 781, 936, 941, 944 en 947 van het Wetboek van Koophandel, 1, 2 en 3 van de Wet van 15 april 1891, Staatsblad 91, houdende bepalingen ter voorkoming van aanvaring of aandrijving op de openbare wateren in het Rijk, die voor de scheepvaart openstaan, 1, 2, 4, 5, 7, 8, 9, 17, 18, 19, 28, 29, 30, 31, 33, 35, 36, 37, 41, 42, 43, 45, 47, 49, 50, 51, 52 en 53 van het Binnen-aanvaringsreglement, 1, 5, 48, 59, 343, 347, 348 en 353 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, 20 en 69 van de Wet op de Zamenstelling der Regterlijke Magt en het Beleid der Justitie, 175 van de Grondwet, door te overwegen als in voormeld arrest omschreven en op grond daarvan recht te doen, ten onrechte,
(1) aangezien het Hof het verweer van Fendel, dat de Olav Bakke meer dan normaal en te verwachten was naar voren is gekomen, alsmede haar verweer dat de Olav Bakke gezien de zwaaimanoeuvre op het vooranker, onnodig en onverwacht ver naar voren is gekomen, heeft verworpen met miskenning en/of onjuiste toepassing van de voorrangsregels van het Binnenaanvaringsreglement, in het bijzonder de artikelen 33 en 36, lid 3, mede in verband met artikel 50 van dat reglement, alsmede met miskenning en/of onjuiste toepassing van de artikelen 47, lid 1, en 51 van het Binnenaanvaringsreglement en/of van de regels betreffende stelplicht, bewijslast, en bewijslevering; immers ten tijde van de aanvaring had de Olav Bakke een geringe vooruitgaande beweging, waarbij het Hof er van uit is gegaan, althans veronderstellende wijs, dat de Olav Bakke reeds enige tijd voor de aanvaring een aanvang moet hebben gemaakt met een vooruitgaande beweging, terwijl daardoor de tussenruimte tussen de Olav Bakke en de zuidelijke wal kleiner is geworden, zodat de Rheintank 12, varende - volgens de op dit punt onbestreden stellingen van Fendel - gestrekt in haar stuurboordshelft, zijnde de zuidelijke helft van het vaarwater, althans naar de Rechtbank heeft vastgesteld en in hoger beroep niet bestreden is, naderend uit westelijke richting op de Nieuwe Maas op reis van de 2e Petroleumhaven naar Wezel op ongeveer 110 à 120 meter uit de zuidelijke oeverlijn, en wel - naar het Hof als uitgangspunt heeft genomen - in zodanige koers, dat zij de steven van de Olav Bakke op een afstand, althans met een tussenruimte van 50 à 60 meter zou passeren in de positie, waarin de schipper van de Rheintank 12 de Olav Bakke voor het eerst had waargenomen met de ankerketting voor de steven uitstaand, althans varend als ten processe is komen vast te staan, althans varende op de wijze als waarvan het Hof is uitgegaan, mocht verwachten, dat de Olav Bakke niet haar koerslijn zou snijden, indien zij daardoor verplicht zou worden van de koers af te wijken om aanvaring te voorkomen en/of dat de Olav Bakke zou wijken bij het elkander met kruisende koersen naderen, zodat gevaar voor aanvaring bestond, weshalve de Rheintank 12 mocht verwachten, dat de Olav Bakke niet zo ver naar voren - dit is naar de zuidelijke wal van het vaarwater - zou komen, dat de Olav Bakke haar koerslijn zou snijden, zodanig dat zij verplicht zou worden van de koers af te wijken om aanvaring te voorkomen en/of dat, bij het elkander naderen met kruisende koersen, zodanig dat gevaar voor aanvaring bestond, de Olav Bakke zou wijken (bijvoorbeeld door de vooruitgaande beweging niet zover door te zetten en/of tijdig weer een positie met (enigszins) voor de steven uitstaande ankerketting in te nemen), en er mede rekening houden, dat de Rheintank 12 haar koers zou blijven volgen ingevolge artikel 47, lid 1, van het Binnen-aanvaringsreglement, hetgeen althans het geval is, nu de Olav Bakke niet het in artikel 51, lid 2, van het genoemde reglement bedoelde aandachtsein heeft gegeven, op grond waarvan de Rheintank 12 eventueel had kunnen verwachten, dat zich bijzondere omstandigheden voordeden, op grond waarvan de eisen van goede zeemanschap vorderden, dat de Rheintank 12 niet van de Olav Bakke mocht verwachten, dat de Olav Bakke de voorrangsregels van de artikelen 33 en/of 36, lid 3, van het Binnenaanvaringsreglement in acht zou nemen,
(2) zijnde ten processe voorts niet gesteld en/of gebleken en/of vastgesteld, dat anderszins bedoelde bijzondere omstandigheden zich voor de Rheintank 12 waarneembaar voordeden, op grond waarvan de Rheintank niet mocht afgaan op haar verwachting, dat de Olav Bakke de voorrangsregels van de artikelen 33 en/of 36, lid 3, van het Binnenaanvaringsreglement in acht zou nemen en er mede rekening zou houden, dat de Rheintank 12 artikel 47, lid 1, van het Binnenaanvaringsreglement zou opvolgen, hebben- de althans het Hof terecht niet beslist en/of aan zijn arrest ten grondslag gelegd, dat als bedoelde bijzondere
omstandigheden zouden moeten worden gezien de door de Olav Bakke zonder sleepbootassistentie uitgevoerde zwaai manoeuvre op het anker,
(3) aangezien het Hof voorts ten onrechte en in strijd met de sub 1 bedoelde rechtsregels - naar uit het hiervoor onder (1) en (2) gestelde blijkt - aan de Rheintank 12 de eis heeft gesteld, dat zij ter rechtvaardiging van haar wijze van varen redelijkerwijs moest kunnen aannemen, dat een eventuele vooruitgaande beweging van de Olav Bakke zich nimmer zover zou uitstrekken, dat haar wijze van varen gevaar voor aanvaring zou opleveren,
(4) aangezien het Hof het arrest niet naar de eis der wet met redenen heeft omkleed, door niet te overwegen en te beslissen omtrent het verweer van Fendel, dat de Olav Bakke gezien de zwaaimanoeuvre op het vooranker, onnodig en onverwacht ver naar voren is gekomen, althans dat de Olav Bakke onnodig ver naar voren is gekomen,
(5) aangezien het Hof voorts heeft miskend, dat Knutsen als oorspronkelijk eiseres stelplicht en bewijslast heeft met betrekking tot feiten en omstandigheden, die - de door Fendel ontkende - schuld van de Rheintank 12 aan de aanvaring opleveren, immers het Hof in stede van te oordelen omtrent de vraag of de Olav Bakke meer dan normaal en voor de schipper van de Rheintank 12 te verwachten was naar voren is gekomen, had moeten oordelen - althans naar aanleiding van de hiervoor onder 1, eerste alinea, bedoelde weren van Fendel - omtrent de vraag of de Olav Bakke niet verder dan normaal en voor de schipper van de Rheintank 12 te verwachten was naar voren is gekomen, waarbij het Hof tevens had dienen te betrekken de vraag of het wel nodig was, dat de Olav Bakke zo ver naar voren kwam als in feite is geschied bij de zwaaimanoeuvre,
( 6 ) hebbende het Hof de wettelijke regels van stelplicht en/of bewijslast en/of bewijslevering mede in verband met de hiervoor onder (1) bedoelde voorrangsregels eveneens miskend en/of geschonden, door van Fendel als oorspronkelijk gedaagde te verlangen in hoger beroep aannemelijk te maken, dat de breedte, waarover de lengte van de ankerketting de Olav Bakke toeliet zich te verplaatsen zo gering was dat de Rheintank 12 er van mocht uitgaan, dat zij met onverminderde snelheid in haar oorspronkelijke koers doorvarende in ieder geval veilig de steven van het zeeschip kon passeren,
(7) aangezien het Hof in strijd met de sub 1 bedoelde rechtsregels - naar uit het hiervoor onder (1) tot en met (6) gestelde volgt - heeft geoordeeld, dat de Olav Bakke, zelfs indien de ankerketting een verplaatsing over een breedte van 50 meter toeliet, er niet op bedacht behoefde te zijn dat de van verre naderende Rheintank 12, voor welk schip geen beletsel bestond om de vaart te minderen en/of naar stuurboord van haar oorspronkelijke koers af te wijken, in strijd met goed zeemanschap bij haar oorspronkelijke koers welke haar tot dicht bij de steven van de manoeuvrerende Olav Bakke zou brengen, met onverminderde
snelheid zou volharden, alsmede dat niet is komen vast te staan dat de Olav Bakke geen of onvoldoende rekening heeft gehouden met de naderende Rheintank 12,
(8) aangezien de Rheintank 12 artikel 29 van het Binnen- aanvaringsreglement niet heeft overtreden, omdat voor haar niet te verwachten was, dat de Olav Bakke de voorrangsregels van het Binnenaanvaringsreglement (artikelen 36, lid 3, en/of artikel 33) zou schenden, door welke
schending het gevaar voor aanvaring is ontstaan, terwijl, toen het gevaar voor aanvaring voor Rheintank 12 waarneembaar werd, een aanvaring niet meer viel te vermijden,
(9) aangezien het Hof blijkens het hiervoor onder (1) tot en met (8) gestelde in strijd met het recht heeft geoordeeld, dat de Rheintank 12 wel en de Olav Bakke niet schuld heeft aan de aanvaring van de Olav Bakke met de Rheintank 12, in plaats van te oordelen, dat aan de aanvaring de Olav Bakke alleen althans mede schuldig is en de Rheintank 12 niet althans slechts mede schuldig is, althans in plaats van de schuldvraag te beoordelen met inachtneming van de hiervoor onder (1) bedoelde rechtsregels," ;
Met betrekking tot het middel:
Overwegende dat het Hof, er van uitgaande dat de Olav Bakke bij haar zwaaimanoeuvre ten tijde van de aanvaring een geringe vooruitgaande beweging had, heeft geoordeeld dat de schipper van de Rheintank 12 tijdens die, door hem op ruime afstand waargenomen en zonder sleepboot-assistentie uitgevoerde, zwaaimanoeuvre bij voortduring op een mogelijk vooruitgaande beweging van de Olav Bakke bedacht diende te zijn, en dat in de gegeven omstandigheden het met onverminderde snelheid in de oorspronkelijke koers doorvaren van de Rheintank 12 aan deze als een fout en een gedraging in strijd met goed zeemanschap moet worden aangerekend;
Overwegende dat het middel in zijn onderdelen 1 - 3 en 5 - 9 het Hof verwijt bij deze beslissing te hebben miskend, dat de Rheintank 12 had mogen verwachten dat de Olav Bakke ten opzichte van de Rheintank 12 de voorrangsregels van de artikelen 33 en/of 36, lid 3, van het destijds geldende Binnenaanvaringsreglement in acht zou nemen en er mede rekening zou houden dat de Rheintank 12, overeenkomstig het voorschrift van artikel 47, lid 1, haar koers zou blijven volgen;
Overwegende dat dit verwijt reeds hierom geen doel treft, omdat in haar grieven in appel Fendel het debat in het geding heeft beperkt tot de vraag, met welke gedragingen van de Olav Bakke, als een in het vaarwater "zwaaiend" of "opdraaiend" vaartuig, de Rheintank 12, ter bepaling van haar koers of vaart, al dan niet rekening had behoren te houden; dat Fendel er daarbij geen beroep op heeft gedaan dat voor de beoordeling van de schuldvraag de Olav Bakke daarbij moest worden aangemerkt als een het vaarwater "overstekend" vaartuig in de zin van artikel 36, lid 3, of als een de Rheintank 12 "met kruisende koers" naderend vaartuig in de zin van artikel 33, zodat op eerstgenoemd schip de plicht rustte voor laatstgenoemde schip te wijken; dat de vraag of een en ander het geval was, mede afhangt van de waardering van feitelijke omstandigheden;
Overwegende dat, nu op de omstandigheid dat uit hoofde van voornoemde bepalingen de Rheintank 12 ten opzichte van de Olav Bakke zich in een voorrangspositie bevond, voor het Hof geen beroep is gedaan, dit college zich in een onderzoek dienaangaande niet behoefde te begeven, en ook niet in cassatie op die omstandigheid, welker beoordeling een feitelijk onderzoek zou vereisen, een beroep kan worden gedaan;
Overwegende dat, gelijk mede uit de eerste overweging in rechte van dit arrest volgt, de in het vierde onderdeel vervatte klacht dat het Hof op het daar omschreven verweer van Fendel geen beslissing zou hebben gegeven, feitelijke grondslag mist;
Overwegende dat het middel dus niet tot cassatie kan leiden;
Verwerpt het beroep.
Veroordeelt eiseres tot cassatie in de kosten van het beroep, tot aan de uitspraak van dit arrest aan de zijde van verweerster begroot op f 65, -- aan verschotten en f 1.000, -- voor salaris.
Aldus gedaan door de Heren Mrs. de Jong, Vice-President, Wiarda, Hülsmann, Petit en Beekhuis, Raden, en door de Vice-President voornoemd uitgesproken ter openbare terechtzitting van de veertiende januari 1900 zes en zestig, in tegenwoordigheid van de Advocaat-Generaal Minkenhof.