ECLI:NL:HR:1968:AB5254

ECLI:NL:HR:1968:AB5254, Hoge Raad, 19-01-1968, 10.108

Instantie Hoge Raad
Datum uitspraak 19-01-1968
Datum publicatie 09-12-2025
Zaaknummer 10.108
Rechtsgebied Civiel recht
Procedure Cassatie
Zittingsplaats Den Haag
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:PHR:1968:AB5254
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Verwijst naar 1 zaken
Aangehaald door 10 zaken

Verwijst naar

Aangehaald door

Samenvatting

Verantwoordelijkheid van zee-vervoerder voor behoorlijke stuwing van vervoerde goederen, indien hij de stuwage aan de afzender heeft overgelaten.

Uitspraak

19 januari 1968

Br.

DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN,

in de zaak nr. 10.108 van

[eiser] , wonende te [woonplaats], eiser tot cassatie van een tussen partijen gewezen arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 18 november 1966, vertegenwoordigd door Mr. S.K. Martens, advocaat bij de Hoge Raad,

tegen

[verweerder] , wonende te [woonplaats], verweerder in cassatie, vertegenwoordigd door Mr. A.G. Maris, mede advocaat bij de Hoge Raad;

Gehoord partijen;

Gehoord de Advocaat-Generaal Minkenhof, namens de Procureur-Generaal, in haar conclusie strekkende tot verwerping van het beroep met veroordeling van eiser in de daarop gevallen kosten;

Gezien de stukken;

Overwegende dat uit het bestreden arrest en de stukken van het geding blijkt:

dat verweerder, verder [verweerder] te noemen, de tegenpartij [eiser] bij exploit van 6 juni 1958 heeft doen dagvaarden voor de Arrondissements-Rechtbank te Rotterdam om te worden veroordeeld tot betaling aan [verweerder] van £ 8.802.7.7 of de tegenwaarde daarvan in Nederlands geld, omdat [eiser] op 23 mei 1957 te Alexandrië aan boord van het hem in eigendom toebehorende en door hem gerede schip Favoriet een zending zakken uien ten vervoer naar Rotterdam ter uitlevering aan order in ontvangst heeft genomen, welke zending te Londen, de gewijzigde destinatie, beschadigd en met een manco is uitgeleverd aan [verweerder] als regelmatige houder van het voor de zending afgegeven cognossement, bedragende de schade voormeld bedrag;

dat de Rechtbank na verweer van [eiser] bij vonnis van 24 maart 1964 [verweerder] heeft toegelaten met getuigen de omvang van de tijdens het vervoer in de Favoriet ontstane schade te bewijzen, na voor zover thans van belang te hebben overwogen:

"dat tussen partijen vaststaat:

dat op of omstreeks 23 mei 1957 te Alexandrië in het toen aan [eiser] toebehorende en door hem gerede motorschip Favoriet in uiterlijk goede staat is ontvangen een zending van zakken uien gemerkt Hassabo/Esh-Esh/El Seifi, zulks aanvankelijk ten vervoer naar Rotterdam, welke destinatie tussentijds is gewijzigd in Londen; dat [eiser] te dien tijde de Favoriet had vervracht aan [A] te Alexandrië - hierna te noemen [A] - als bevrachter; dat voor deze zending een cognossement is afgegeven, gedateerd Alexandrië 23 mei 1957, dragende een ondertekening afkomstig van iemand van [A] door een stempel, dat luidt: "[A] AGENTS", zulks onder de gedrukte woorden "The Master or Agents", terwijl de naam [A] met toevoeging "shipping agents" ook elders in het cognossement bij wijze van hoofd is gedrukt; dat in het cognossement voorts is vermeld, dat de zending bestaat uit totaal 28.000 balen, "said to weigh gross kilos 700.000"; dat verder op het cognossement de navolgende gedrukte clausule voorkomt:

""If the contract contained in this Bill of Lading is one to which the Rules containes in the Schedule to the Carriage of Goods bij Sea Act 1924 apply, this Bill of Lading shall have effect subject to the provisions of the Rules as applied by the said Act .....

The carrier's liability (if any) prior to the loading on and subsequent to the discharge from the ship shall be governed by the General conditions and exceptions of this Bill of Lading, without reference to the said Carriage of Goods by Sea Act.

Where the original country of shipment of the goods has enacted a law similar to the Carriage of Goods by Sea Act 1924, this Clause shall read as if reference were made to such Act in stead of the Carriage of Goods by Sea Act 1924. ""

dat voorts op dit cognossement nog de navolgende clausule is gestempeld:

""It is specially agreed that no liability for loss or damage to and/or deterioration in onions shall attach to the Master and or Owners of the steamship even if such damage and/or deterioration result from a cause for which but for this special agreement to the contrary the steamship would have been liable. ""

dat met de Favoriet 2250 balen minder zijn vervoerd dan op het cognossement is aangegeven, welke 2250 balen door [A] reeds één dag voor het vertrek van de Favoriet zijn verscheept per Vegaland naar Rotterdam, vanwaar ze per Clangula zijn doorvervoerd naar Liverpool; dat de Favoriet op 7 juni 1957 is aangekomen in Londen en aldaar door [verweerder] het voormelde cognossement is gepresenteerd, waarop de uien, die zich aan boord bevonden, aan [verweerder] zijn uitgeleverd; dat 4066 zakken aan dek waren gestuwd en zowel van de zakken aan dek als van de zakken in het ruim er een aantal nat bleek te zijn, zijnde betwist hoeveel en in hoeverre zulks tot schade heeft geleid; dat de nagezonden 2250 zakken op 18 juni 1957 te Londen zijn aangekomen;

"dat [verweerder] voorts heeft gesteld: dat op de onderhavige lading voor hem een schade is ontstaan ten bedrage van £ 8.802.7.7, waarin begrepen onder meer vertragingsschade, wegens te laat ter bestemming arriveren van voormelde 2250 zakken; dat [eiser] jegens [verweerder] als regelmatig houder van het cognossement is gehouden tot vergoeding van deze schade;

"dat [eiser] daartegen vooreerst heeft aangevoerd: dat het cognossement is afgegeven door [A] en [eiser] door dit cognossement niet is gebonden;

"dat naar Nederlands internationaal privaatrecht - afgezien van de vraag door welk recht de vervoerovereenkomst wordt beheerst - de rechten en verplichtingen, welke voortvloeien uit de aanbieding van het cognossement, alsmede de vraag tegen wie die rechten kunnen worden geldend gemaakt, moeten worden beoordeeld naar het recht van het land, waar die aanbieding heeft plaats gevonden;

"dat mitsdien in casu op het onderhavige punt Engels recht moet worden toegepast;

"dat [eiser] met betrekking tot zijn verhouding tot [A] heeft gesteld: dat hij het schip aan [A] heeft vervracht op per telex overeengekomen voorwaarden; dat van deze bevrachting geen definitieve charterparty is opgemaakt, daar partijen elkaar over een weer een charterparty hebben toegezonden, waarin echter enkele onderlinge afwijkingen voorkwamen, zodat geen van deze charterparties door beide partijen is getekend; dat dit de beide charterparties zijn, die door [eiser] zijn overgelegd; dat naar aanleiding van de moeilijkheden, gerezen ten aanzien van het voor de onderhavige lading af te geven cognossement door [A] zijn geschreven de brieven d.d. 26 en 31 mei 1957 aan de agent van [eiser] in Nederland, Wagenborg, welke brieven bij dupliek zijn overgelegd;

"dat in beide voormelde charterparties - allebei gedateerd Alexandrië 10 mei 1957 - een clausule is opgenomen, volgens welke [A] als bevrachter het recht zou hebben de agent van het schip in de laadhaven aan te wijzen;

"dat voorts uit voormelde brieven van 26 en 31 mei 1957 blijkt: dat oorspronkelijk voor de lading een cognossement is afgegeven, dat verwees naar een charterparty gedateerd Alexandrië 10 mei 1957 en waarop in overeenstemming met die charterparty de clausule Free in and out voorkwam; dat de bank, aan welke de verscheper het cognossement diende aan te bieden, dit cognossement heeft geweigerd, omdat men dit als "non clean" beschouwde; dat na enige strubbelingen door [A] het onderhavige cognossement is gemaakt, waarin beide clausules zijn geschrapt, en dat door de bank is aanvaard; dat [A] de aandacht er op heeft gevestigd, dat de tekst van het cognossementsexemplaar van de kapitein niet meer klopte; dat [A] van de verscheper een garantie heeft bedongen voor de kosten die zouden ontstaan, indien de ontvanger op grond van het onderhavige cognossement zou weigeren de lossingskosten te voldoen; dat [A] meende aldus te hebben gehandeld in het belang mede van [eiser], doch aan [eiser] heeft geraden: "but in future, please refrain from offering vessels on a "Free Out" basis as it complicates matters at this end, and renders business very tiresome indeed" ;

"dat uit dit een en ander in onderling verband - mede gelet op de boven geciteerde wijze, waarop [A] zich zelf in het cognossement heeft aangeduid - duidelijk is, dat [A] meende het onderhavige cognossement als agente van [eiser] te hebben afgegeven en in redelijkheid aldus te hebben kunnen handelen, hebbende zij [eiser]'s agent in Nederland van die afgifte terstond op de hoogte gebracht; dat niet is gesteld of gebleken, dat hiertegen van de zijde van [eiser] ooit is geprotesteerd; dat [eiser] mitsdien tegenover [verweerder] als regelmatige houder van dit cognossement in beginsel aan de inhoud daarvan gebonden moet worden geacht;

"dat immers naar het te dezen toepasselijke Engelse recht de vervoerder jegens de regelmatige cognossementshouder, die niet is de verscheper zelf, is gebonden aan de vervoerovereenkomst zoals deze in het cognossement is neergelegd (zie Carver, Carriage of Goods by Sea, 11e druk, 1963 vol. I, paragraaf 66 en volgende), terwijl naar dat recht bovendien de vertegenwoordigde in beginsel is gebonden aan een mede door zijn toedoen opgewekt vertrouwen, dat een door hem gebruikte vertegenwoordiger tot een bepaalde handeling bevoegd was of is geweest (zie Carver, op. cit. paragraaf 335, en Anson, Principles of the English Law of Contract, 20e druk, 1952, p 387 en volgende); "dat mitsdien het vorenomschreven verweer faalt; "dat [eiser] voorts heeft aangevoerd, dat [A] als bevrachter in feite is opgetreden voor [verweerder], zodat [verweerder] gebonden is aan de bepalingen van de bevrachtingsovereenkomst, waarbij het schip aan [A] ter beschikking gesteld werd, zijnde [eiser] volgens zijn stellingen ingevolge deze overeenkomst niet aansprakelijk voor verkeerde stuwage, voor zover verricht door de bevrachter, en voor schade aan deklading;

"dat vooreerst voormelde brieven van [A] d.d. 26 en 31 mei 1957 sterk de indruk wekken en [eiser] er bij pleidooi ook vanuit is gegaan, dat [A] het cognossement bij de bank heeft aangeboden ten einde uit het door de koper gestelde accreditief betaling van de koopprijs te verkrijgen ten behoeve van de verscheper-verkoper van de lading; dat blijkens die brieven het cognossement ten slotte door de bank is geaccepteerd en - naar mag worden aangenomen - via de bank in handen is gekomen van de als koper, dan wel aan de zijde van de koper optredende [verweerder]; dat voorts door [verweerder] een fotokopie van een charterparty is overgelegd, eveneens gedateerd Alexandrië 10 mei 1957, waaruit kan worden opgemaakt, dat [A] op haar beurt de Favoriet had ondervervracht aan [B] te Alexandrië; dat - gezien dit alles - niet aangenomen kan worden, dat [A] ooit voor [verweerder] zou zijn opgetreden;

"dat in deze omstandigheden de verhouding van partijen uitsluitend moet worden beoordeeld aan de hand van het cognossement ;

"dat, nu het hier betreft vervoer van Egypte naar Nederland casu quo Engeland met een Nederlands schip en al deze landen zijn aangesloten bij het Brusselse cognossementsverdrag van 1924, te dezen het in dat verdrag neergelegde Hague Rules-recht - waarnaar ook in het cognossement wordt verwezen - van toepassing is, terwijl voor de onderhavige zaak zonder belang is het Hague Rules- recht van welk van deze landen van toepassing is;

"dat uit het cognossement niet blijkt, dat een deel der lading is gestuwd aan dek en daarin ten aanzien van de aansprakelijkheid voor schade aan deklading niets is bedongen; dat mitsdien [eiser] voor schade aan de aan dek vervoerde balen op dezelfde voet aansprakelijk is als voor schade aan de overige lading; dat uit het cognossement evenmin blijkt, dat de stuwage is geschied of kon geschieden door de bevrachter casu quo afzender, wijzende de boven geciteerde in het cognossement gedrukte clausule, in het bijzonder de tweede zin van het citaat, eerder op het tegendeel; dat mitsdien [eiser] zich tegenover [verweerder] ook niet kan beroepen op bij die stuwage door de bevrachter casu quo afzender gemaakte fouten;

"dat de boven geciteerde, op het cognossement gestempelde clausule, waarin van schade aan uien wordt vrijgetekend, nietig is, voor zover met het te dezen toepasselijke Hague Rules-recht in strijd;

"dat mitsdien de vordering van [verweerder], voor zover gebaseerd op de gestelde beschadiging en niet-aflevering van de met de Favoriet vervoerde zakken uien in beginsel voor toewijzing vatbaar is; dat [eiser] heeft betwist dat op de zending per Favoriet voor [verweerder] enige werkelijke schade is ontstaan; dat [verweerder] tegenover deze betwisting moet worden toegelaten tot het in het dictum van dit vonnis te omschrijven bewijs;";

dat de Rechtbank op thans niet ter zake doende gronden de vordering voor zover mede berustende op vertragingsschade niet toewijsbaar heeft geoordeeld;

dat [eiser] in hoger beroep is gekomen van dit vonnis, vijf grieven daartegen aanvoerende, van welke grieven hij vervolgens de eerste heeft ingetrokken;

dat het Hof bij het thans bestreden arrest het vonnis van de Rechtbank met verruiming van de bewijsopdracht heeft bekrachtigd na te hebben overwogen:

"De tweede grief houdt in dat de Rechtbank ten onrechte heeft beslist dat [eiser] aan het litigieuze cognossement is gebonden en dat de verhouding van partijen uitsluitend aan de hand van dit cognossement moet worden beoordeeld. De Rechtbank heeft overwogen dat [eiser] tegenover [verweerder], als regelmatig houder van het cognossement in beginsel aan de inhoud daarvan gebonden moet worden geacht.

"Het eerste deel van de grief is kennelijk tegen die overweging gericht.

"Het staat, naar bij de pleidooien is gebleken, tussen partijen vast, dat de kapitein van de Favoriet, die namens [eiser] optrad, wel heeft geweigerd de volle 700 ton te laden, waardoor 2250 zakken met een ander schip moesten worden verzonden, doch een afschrift van de door [A] getekende cognossementen in ontvangst heeft genomen zonder dat van enig protest iets is gesteld.

"Voorts staat vast, dat [A] de makelaar, die namens [eiser] optrad, bij brieven van 26 en 31 mei 1957 van de gang van zaken met de cognossementen op de hoogte heeft gebracht, en ook hierop geen enkel protest van de zijde van [eiser] is gevolgd. Tenslotte staat vast dat namens [eiser] de door de Favoriet vervoerde uien op het door [A] getekende cognossement aan de houder daarvan zijn uitgeleverd. Uit dit alles blijkt, dat zij die namens [eiser] optraden (en naar onbetwist is namens [eiser] mochten optreden) er van uitgingen, dat [A] bevoegd was als agent van [eiser] namens hem cognossementen te tekenen. [verweerder], die als cognossementhouder de uien uitgeleverd kreeg, mocht hierop afgaan en derhalve er van uitgaan, dat [eiser] door het cognossement was gebonden.

"[eiser] voert nog wel aan, dat toen zijn makelaar van één en ander kennis kreeg, alles al achter de rug was en protesten weinig zouden hebben geholpen, doch zijn makelaar is bij brieven van 26 en 31 mei 1957 op de hoogte gesteld, terwijl de Favoriet eerst op 7 juni 1957 te Londen is gearriveerd, zodat, naar 's Hofs oordeel, [eiser]'s makelaar, indien hij bezwaar had tegen de afgifte van het cognossement door [A], dit tijdig had kunnen kenbaar maken, en ook aan [verweerder] had behoren kenbaar te maken, nu [eiser]'s makelaar na [verweerder]'s bezoek op 22 mei 1957 wist dat [verweerder] belanghebbende bij de lading was.

"[eiser] betoogt dat [verweerder] genoegen heeft genomen met het door [A] ondertekende cognossement, omdat [verweerder] met [A] een bevrachtingsovereenkomst had gesloten, waarin [A] optrad als vervrachter. [verweerder] heeft dit laatste ontkend; in het door [eiser] bij akte in het geding gebrachte geschrift staat niet [verweerder] als wederpartij van [A] vermeld. Hoe dit zij, al zou [A] de Favoriet aan [verweerder] hebben vervracht, dan sluit zulks niet uit dat niettemin [verweerder] [A] als agent van [eiser] heeft beschouwd. Het betoog van [eiser] kan hem dus niet baten.

"Voor zover deze grief is gericht tegen de overweging, dat de verhouding tussen partijen uitsluitend moet worden beoordeeld aan de hand van het cognossement, kan aan [eiser] worden toegegeven dat, nu vaststaat dat tussen [verweerder] en de makelaar van [eiser] op 22 mei 1957 een bespreking plaats vond, de verhouding tussen partijen mede zou moeten worden beoordeeld aan de hand van hetgeen toen is besproken, indien althans daar iets besproken is dat voor dit geding van belang is. Dat dit laatste het geval is, voert [eiser] bij zijn derde grief aan.

"Deze grief is gericht tegen de beslissing, dat [eiser] voor schade aan de aan dek vervoerde balen op dezelfde wijze aansprakelijk is als voor schade aan de overige lading. [eiser] heeft gesteld, dat [verweerder] erop aangedrongen heeft, dat zoveel mogelijk uien aan dek geladen zouden worden. Tussen partijen is, naar bij de pleidooien is gebleken, in confesso, dat bij overeengekomen vervoer van een deklading een bestendig gebruikelijk beding is, dat deze wordt vervoerd voor risico van de ladingeigenaar. Indien derhalve inderdaad de lading op aandringen van [verweerder] gedeeltelijk op dek is ingeladen, is [eiser] niet voor de schade aan deze deklading aansprakelijk, ook al blijkt niet uit het cognossement, dat een deel der lading op dek is gestuwd.

"[verweerder] heeft evenwel ontkend dat hij hierop zou hebben aangedrongen. Nu [eiser] getuigenbewijs hiervan heeft aangeboden moet hij hiertoe worden toegelaten.

"De vierde grief is gericht tegen de overweging, dat [eiser] zich tegenover [verweerder] niet kan beroepen op bij de stuwage door de afzender casu quo bevrachter gemaakte fouten. [eiser] beroept zich er hierbij op dat de stuwage is geschied door de afzenders, hetgeen aan [verweerder] bekend zou zijn geweest. Dit laatste wordt door [verweerder] betwist en is niet bewezen noch te bewijzen aangeboden. Wel heeft [eiser] aangeboden te bewijzen, dat de uien zijn geladen en gestuwd door personen niet in dienst van, ondergeschikt aan of werkende voor rekening van [eiser], doch dit kan tegen de [verweerder], als hiermede onbekend zijnde regelmatige cognossementshouder niet worden tegengeworpen.

"De vierde grief kan dus niet tot vernietiging van het vonnis leiden. Hetzelfde geldt de vijfde grief welke zelfstandige betekenis mist.";

Overwegende dat [eiser] tegen 's Hofs arrest als middel van cassatie aanvoert:

"Schending van het recht - meer in het bijzonder van de artikelen 1, 2, 3 en 4 van het op 25 augustus 1924 te Brussel gesloten verdrag ter vaststelling van eenvormige regelen betreffende het cognossement (waartoe Nederland is toegetreden), respectievelijk artikel 469 van het Wetboek van Koophandel - en/of verzuim van op straffe van nietigheid in acht te nemen vormen door de vierde appelgrief te verwerpen en mede op grond daarvan het vonnis, waarvan beroep, te bevestigen in voege als in het dictum van

's Hofs arrest is omschreven, zulks uit de overweging:

"De vierde grief is gericht tegen de overweging, dat [eiser] zich tegenover [verweerder] niet kan beroepen op bij de stuwage door de afzender, casu quo bevrachter gemaakte fouten. [eiser] beroept zich er hierbij op, dat de stuwage is geschied door de afzenders, hetgeen aan [verweerder] bekend zou zijn geweest. Dit laatste wordt door [verweerder] betwist en is niet bewezen noch te bewijzen aangeboden. Wel heeft [eiser] aangeboden te bewijzen, dat de uien zijn geladen en gestuwd door personen niet in dienst van, ondergeschikt aan, of werkende voor rekening van [eiser], doch dit kan tegen [verweerder], als hiermede onbekend zijnde regelmatige cognossementshouder niet worden tegengeworpen", ten onrechte, omdat, indien de vervoerder - stellende, dat het verlies of de schade ontstaan is ten gevolge van bij de belading en/of de stuwage door de afzender, casu quo bevrachter, althans door personen niet in dienst van, ondergeschikt aan of werkende voor rekening van de vervoerder gemaakte fouten - zich tegenover de regelmatige cognossementshouder, ter afwering van zijn aansprakelijkheid wegens verlies of schade, beroept op de excepties van artikel 4, lid 2 sub i en/of sub q van voornoemd verdrag van Brussel, respectievelijk op die van artikel 469, 2e lid sub i en/of sub q van het Wetboek van Koophandel - gelijk [eiser] te dezen in het kader van zijn vierde appelgrief heeft gedaan -, voor het slagen van dat beroep niet, althans niet zonder meer en in alle omstandigheden, vereist is, dat de vervoerder stelt en/of te bewijzen aanbiedt, respectievelijk bewijst, dat het aan de cognossementshouder bekend was, dat de belading en/of de stuwage is geschied door de afzender, casu quo bevrachter, respectievelijk dat de goederen zijn geladen en gestuwd door personen niet in dienst van, ondergeschikt aan of werkende voor rekening van de vervoerder; ";

Overwegende dat de beschouwingen die de Rechtbank heeft gewijd aan de vraag welk recht te dezen dient te worden toegepast, in hoger beroep niet zijn bestreden en het Hof ook ambtshalve hieromtrent niets heeft overwogen;

dat daarom moet worden aangenomen dat ook het Hof van deze beschouwingen is uitgegaan;

dat volgens die beschouwingen op de verhouding van partijen het Hague Rules-recht, vastgesteld bij het Brusselse Cognossementsverdrag van 1924, van toepassing is, "terwijl voor de onderhavige zaak zonder belang is het Hague Rules-recht van welk van de betrokken landen" - Egypte, Nederland, Engeland - "van toepassing is";

dat met deze woorden is gezegd dat het in de onderhavige zaak geen verschil maakt of het Hague Rules-recht van Egypte, Nederland of Engeland wordt toegepast, omdat de beslissing dezelfde zal zijn nu de desbetreffende regels in elk van deze landen gelijkluidend zijn;

dat in deze situatie, naar [eiser] bij pleidooi terecht heeft doen zeggen, de beslissing óók juist moet zijn volgens de op dit onderwerp betrekking hebbende bepalingen van het Nederlandse Wetboek van Koophandel zodat in cassatie de klacht toelaatbaar is, dat 's Hofs beslissing naar deze bepalingen onjuist is;

Overwegende omtrent het middel:

dat de vervoerder, die blijkens artikel 468 lid 2 van het Wetboek van Koophandel verplicht is zorg te dragen

voor de behoorlijke stuwing van de vervoerde goederen, weliswaar de stuwage aan de afzender kan overlaten maar - naar uit artikel 510 lid 2 van het Wetboek volgt - een daarop berustend, hem in zijn persoonlijke verhouding tot de afzender toekomend verweermiddel niet kan tegenwerpen aan de regelmatige cognossementshouder, tenzij deze wist dat de stuwage door de afzender is geschied;

dat het middel dus faalt;

Verwerpt het beroep;

Veroordeelt eiser in de kosten op het beroep gevallen, aan de zijde van verweerder tot deze uitspraak begroot op f 65, -- aan verschotten en f 1.000, -- voor salaris.

Aldus gedaan door de Heren Mrs. de Jong, Vice- President, Wiarda, Hülsmann, Dubbink en Beekhuis, Raden, en door de Vice-President voornoemd uitgesproken ter openbare terechtzitting van de negentiende januari 1900 acht en zestig, in tegenwoordigheid van de Advocaat- Generaal Berger.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl NJ 1968, 112 met annotatie van G.J. Scholten
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?