L.
Nr. 10108
Zitting 1 december 1967.
Mr. Minkenhof.
Conclusie inzake:
[eiser] / [verweerder].
Edelhoogachtbare Heren,
In 1957 is door het aan eiser tot cassatie toebehorende en door hem gerede motorschip Favoriet een lading uien vervoerd van Alexandrië naar Londen. Verweerder [verweerder], regelmatig houder van een cognossement terzake van deze partij uien, aan wie de uien ook zijn uitgeleverd, vordert van eiser schadevergoeding, omdat de uien niet in goede staat zijn uitgeleverd. Bij dit cassatieberoep is een van de verweren van eiser aan de orde: hij beroept er zich op, dat de schade zou zijn ontstaan door bij de stuwage door de afzender c.q. bevrachter gemaakte fouten; de stuwage zou nl. zijn geschied door de afzenders, hetgeen aan verweerder bekend zou zijn geweest. Dit laatste is door veweerder betwist en niet door eiser bewezen of te bewijzen aangeboden. Het Hof verwerpt dit verweer, omdat het feit dat de uien zijn geladen en gestuwd door personen niet in dienst van, ondergeschikt aan of werkende voor rekening van thans eiser aan de verweerder als hiermede onbekend zijnde regelmatige cognossementshouder niet kan worden tegengeworpen. Het cassatiemiddel bestrijdt dit.
Voorafgaand dient de vraag te worden besproken, of de beslissing wel in aanmerking komt voor cassatie, wegens "schending van het recht, met uitzondering van het recht van nl. vreemde staten". De Rechtbank nl. heeft wat het in deze aan de orde zijnde punt betreft overwogen, dat nu al de bij dit vervoer betrokken landen (Egypte, Nederland en Engeland) zijn aangesloten bij het Brussels cognossementsverdrag van 1924 het in dat verdrag neergelegde Hague Rules-recht van toepassing is, terwijl voor de onderhavige zaak zonder belang is het Hague Rules-recht van welk van deze landen van toepassing is. De Rechtbank heeft derhalve de keuze van het toepasselijke recht achterwege gelaten, omdat de beslissing volgens het recht van al de in aanmerking komende landen toch dezelfde zou zijn; maar nu blijkt ook niet, dat zij niet vreemd recht heeft toegepast, c.q. heeft geschonden. Dat het Hof op dit punt een andere mening is toegedaan blijkt niet, dus moet men aannemen, dat het hier dezelfde redenering heeft gevolgd als de Rechtbank.
Ik zou geneigd zijn tot het oordeel dat cassatie in beginsel wel mogelijk is, omdat niet vaststaat, dat het Hof vreemd recht heeft toegepast. Dat cassatie niet mogelijk is wegens schending van het recht van vreemde staten is een uitzondering, welke moet blijken. Nu bovendien een van de in aanmerking komende rechtsstelsels het Nederlandse is moet men er m.i. van uitgaan, dat het Nederlandse recht kan zijn geschonden.
Wat het cassatiemiddel zelf betreft, eiser heeft gesteld, dat het verlies of de schade is ontstaan tengevolge van fouten gemaakt door de afzender c.q. bevrachter, althans door personen niet in zijn, eisers, dienst, noch aan hem ondergeschikt of werkende voor zijn rekening. Hierdoor heeft hij zich beroepen op de excepties van art. 469 tweede lid sub i en sub q van het Wetboek van Koophandel.
Artikel 468 K tweede lid verplicht de vervoerder zorg te dragen o.m. voor de behoorlijke en zorgvuldige lading en stuwing van de vervoerde goederen. Hij is aansprakelijk voor verlies en beschadiging van de vervoerde goederen tengevolge van niet-nakoming van deze verplichting. Het is een betwist punt of de vervoerder de hierbedoelde werkzaamheden aan de inlader kan overlaten, waardoor hij dan ook van de aansprakelijkheid deswege zou worden ontheven. De vraag wordt door Molengraaff IV blz. 1147 aldus geformuleerd: "legt art. 468 lid 2 K den vervoerder de verplichting op tot en stelt het hem mitsdien aansprakelijk voor de behoorlijke en zorgvuldige inlading, stuwage en lossing van de goederen, of heeft dit artikel geen andere betekenis dan dat het, er van uitgaande, dat deze handelingen door den vervoerder worden verricht, voorschrijft, dat hij daarbij op behoorlijke en zorgvuldige wijze moet te werk gaan". Molengraaff beantwoordt de vraag in laatstgemelde zin, met o.m. Cleveringa blz. 480 en Royer 438 (anders o.m. Schadee Het Nieuwste Zeerecht 1956 blz 18 (zie ook blz.14) en N.J.B. 1954 blz. 731/2). Blijkbaar is het Hof van dezelfde mening als Molengraaff c.s., aangezien anders het verweer reeds zou kunnen worden afgewezen op grond dat de aansprakelijkheid voor het behoorlijk inladen en stuwen niet kan worden afgewenteld. Ook volgens Molengraaff c.s. is echter deze afwenteling van aansprakelijkheid een uitzondering op hetgeen van rechtswege geldt. En die dus dient te worden overeengekomen, De cognossementshouder kan volgens art. 510 K. overeenkomstig de inhoud van het cognossement uitlevering van het goed vorderen en hem kan de vervoerovereenkomst en dus ook een bepaling in de vervoerovereenkomst tussen de vervoerder en de afzender krachtens welke de aansprakelijkheid voor het behoorlijk en zorgvuldig laden en stuwen op laatstgenoemde wordt afgewenteld niet worden tegengeworpen, wanneer het cognossement niet daarnaar verwijst, tenzij hijzelf of degeen voor wiens rekening hij handelt partij is bij de overeenkomst (zie F. Heyning N.J. B. 1956 blz. 815). Eiser beroept zich hier niet alleen op fouten van de afzender, maar op fouten van de afzender op een gebied dat behoudens bijzondere bepaling in de vervoerovereenkomst voor zijn verantwoordelijkheid als vervoerder is, en dus beroept hij zich tevens op de overeenkomst. Naar ik meen kan om deze reden het middel niet tot cassatie leiden.
Ik heb mitsdien de eer te concluderen tot verwerping van het beroep, met veroordeling van de eiser in de kosten op de cassatie gevallen.
De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden,