1 mei 1973
No. 66808
MIG.
De Hoge Raad der Nederlanden,
Op het beroep van de Procureur-Generaal bij de Hoge Raad, rekwirant van cassatie in het belang der wet tegen een beschikking van de Kantonrechter te 's-Hertogenbosch van 30 augustus 1971 waarbij een door [verzoeker], wonende te [woonplaats], gedaan verzoek tot toekenning van een tegemoetkoming in de kosten van een raadsman is afgewezen;
Gehoord het verslag van de raadsheer-rapporteur;
Gehoord de Procureur-Generaal in zijn voordracht, houdende als middel van cassatie:
"Schending van het Nederlandse recht met name van artikel 591a van het Wetboek van Strafvordering door te oordelen dat laatstgenoemd voorschrift vergoeding uitsluit van die kosten van rechtsbijstand waarvoor de verzoeker een vordering tot vergoeding heeft krachtens een met het oog op zodanige kosten gesloten verzekeringsovereenkomst of althans van die kosten die de verzekeraar aanstonds voor zijn rekening heeft genomen",
en in zijn voordracht strekkende tot vernietiging van de aangevallen beschikking, zonder dat deze vernietiging aan de rechten door partijen verkregen nadeel toebrenge;
Overwegende dat de Kantonrechter de afwijzing van het verzoek heeft doen steunen op de volgende overweging:
"Uit de processtukken blijkt, dat verzoeker bij in kracht van gewijsde gegaan vonnis van dit gerecht van 23 juni 1971 ontslagen is van rechtsvervolging ter zake van de hem bij dagvaarding dd. 9 juni 1971 te laste gelegde feiten, zodat die zaak is geƫindigd zonder oplegging van straf- of maatregel. Uit die processtukken blijkt voorts, dat verzoeker niet zelf ter terechtzitting is verschenen, doch zich aldaar heeft doen vertegenwoordigen door een advocaat-gemachtigde, zijnde hij alstoen derhalve niet bijgestaan door een raadsman. Vervolgens blijkt uit de inhoud van het rekest en de daarbij overgelegde bijlage, dat verzoeker een assurantiecontract heeft gesloten met de Algemene rechtsbijstand verzekeringmaatschappij N.V. de Zeist, op grond waarvan hij blijkbaar op die maatschappij een aanspraak op vergoeding van kosten van rechtsbijstand kan doen gelden op basis van hetgeen is vermeld in de door verzoeker bij zijn rekest overgelegde algemene voorwaarden rechtsbijstandverzekering no. 19.
Nu verzoeker niet anders heeft vermeld dient er van te worden uitgegaan, dat zijn aanspraak op vergoeding jegens voormelde assuradeur kan worden bepaald aan de hand van die overgelegde algemene voorwaarden, als met name vermeld in de artt. 3 lid 1 en 4 lid 1. Tenslotte wordt opgemerkt, dat in het rekest niet is gesteld, dat verzoeker de door hem verschuldigd geworden kosten ter zake van de besognes van zijn raadsman ad f 228, -- , laat staan die voor de indiening van dit rekest ad f 74,10 daadwerkelijk heeft voldaan. Op grond van het bovenstaande dient het ervoor te worden gehouden, dat verzoeker geen aanspraak kan maken op de door hem gevraagde tegemoetkoming, zodat zijn verzoek daartoe van de hand moet worden gewezen.
Daargelaten immers, dat art. 591a van het Wetboek van Strafvordering slechts spreekt over de mogelijkheid - voor zover ten deze van belang - tot het toekennen van een tegemoetkoming in de kosten (en niet van volledige betaling dier kosten, laat staan tevens van die tot het indienen van het onderwerpelijke verzoek gemaakt, zoals verzoeker in casu weinig bescheiden heeft gevraagd) van een raadsman, en in het midden gelaten of onder raadsman in de zin van artikel 591a van het Wetboek van Strafvordering mede moet worden verstaan de advocaat-gemachtigde, door wie een verdachte zich ter terechtzitting heeft laten vertegenwoordigen, dient het er - nu niet anders is gesteld - in casu feitelijk voor te worden gehouden op grond van de inhoud van het rekest en de voormelde bijlage, dat verzoeker in het tegen hem aangespannen strafgeding in de persoon van zijn advocaat-gemachtigde heeft terechtgestaan ten verzoeke en voor rekening van zijn assuradeur in welk geval verzoeker geen recht heeft op een tegemoetkoming in de kosten van een raadsman. De bewoordingen immers, in de hier in aanmerking komende artikelen van de wet gebezigd, te weten: vergoeding van kosten welke ten laste van de gewezen verdachte zijn gekomen (art. 591 lid 1), zijn reis- en verblijfkosten (art.591a lid 1), tegemoetkoming voor de schade welke de gewezen verdachte werkelijk heeft geleden (art. 591a lid 2), duiden erop dat bij de in die artikelen geregelde vergoeding en tegemoetkoming slechts is gedacht aan die kosten en schade, welke werkelijk ten laste van de gewezen verdachte komen en welke door hem zijn geleden.
Aan het vorenstaande doet niet af, dat verzoeker wellicht contractueel jegens zijn assuradeur verplicht is de onderwerpelijke weg te bewandelen alvorens hem zijn kosten worden vergoed - art. 4 lid 2 van de algemene voorwaarden - daar door partijen contractueel geen wijziging kan worden gebracht in de gelding en werking van wettelijke bepalingen van dwingend recht en zij slechts met voormelde clausule van art. 4 lid 2 hebben bewerkstelligd, dat verzoeker een bij voorbaat kansloze en dus zinloze rechtsgang moet bewandelen, waarvan de - nodeloos - gemaakte kosten, evenzeer als de kosten van rechtsbijstand, ten laste van de assuradeur van verzoeker komen, zoals uit het derde lid van art. 4 blijkt";
Overwegende dat de "Algemene Voorwaarden Recht- bijstandverzekering no. 19" voor zover ten deze van belang inhouden:
"Artikel 3
Strafzaken
1. In strafzaken vergoedt de Maatschappij in alle instanties de kosten van rechtsbijstand aan verzekerde.
2. ...
3. ...
Artikel 4
Betaling van de kosten
1. De in burgerlijke- en strafzaken namens en voor rekening van verzekerde gemaakte kosten van rechtsbijstand, welke niet verhaalbaar zijn - inclusief de kosten van verkrijging van zulk een verhaal - worden door de Maatschappij aan verzekerde vergoed.
2. De Maatschappij is niet gehouden de kosten van de advocaat te vergoeden, indien verzekerde een tegemoetkoming kan verlangen ex artikel 591 a Wetboek van Strafvordering, dan wel een dienovereenkomstige buitenlandse bepaling. Indien de tegemoetkoming minder bedraagt dan het bedrag van de werkelijk gemaakte kosten van rechtsbijstand, vergoedt de Maatschappij uitsluitend dit meerdere.
2. De verzekerde is verplicht medewerking te verlenen indien de Maatschappij door haar, namens verzekerde, betaalde bedragen in zijn naam wenst terug te vorderen. De hierop vallende kosten worden door de Maatschappij gedragen.
Artikel 5
Verplichting van de verzekerde
1. ...
2. Door de aanmelding van een schadegeval machtigt verzekerde de Maatschappij om de bewerking van deze schade ter hand te nemen.
Vanaf het moment, dat de schade bij de Maatschappij in behandeling is gegeven, zal uitsluitend de Maatschappij de belangen van verzekerde kunnen behartigen. Weigert verzekerde de voor de behartiging van zijn belangen noodzakelijke medewerking te verlenen of blijkt, dat hij anderszins zijn verplichtingen niet of niet tijdig nakomt, dan is de Maatschappij van haar verplichting tot het verlenen van rechtsbijstand ontheven";
Overwegende ten aanzien van het middel:
dat blijkens vorenaangehaalde overweging aan de afwijzing van het verzoek van rekwirant ten grondslag ligt de vaststelling van de Kantonrechter, dat het er voor moet worden gehouden dat rekwirant in het tegen hem aangespannen strafgeding in de persoon van zijn advocaat-gemachtigde heeft terechtgestaan "ten verzoeke en voor rekening van zijn assuradeur";
dat de Kantonrechter bij deze vaststelling - blijkens hetgeen door hem verder is overwogen, meer in het bijzonder voor zover inhoudende dat rekwirants aanspraak op vergoeding jegens zijn assuradeur kan worden bepaald "aan de hand van die overgelegde algemene voorwaarden, als met name vermeld in de artikelen 3 lid 1 en 4 lid 1" en dat "door partijen contractueel geen wijziging kan worden gebracht in de gelding en werking van wettelijke bepalingen van dwingend recht en zij slechts met voormelde clausule van art. 4 lid 2 hebben bewerkstelligd, dat verzoeker een bij voorbaat kansloze en dus zinloze rechtsgang moet bewandelen" - er van is uitgegaan, dat artikel 591a, lid 2, van het Wetboek van Strafvordering uitsluit dat aan de gewezen verdachte een tegemoetkoming in de kosten van een raadsman wordt toegekend, indien de gewezen verdachte krachtens een met het oog op zodanige kosten gesloten verzekeringsovereenkomst op de verzekeraar een vordering tot vergoeding van de kosten van rechtsbijstand heeft, ook al is ingevolge die overeenkomst de verzekeraar niet gehouden de kosten van de advocaat te vergoeden indien de verzekerde een tegemoetkoming kan verlangen krachtens het tweede lid van voornoemd wetsartikel en al wordt, indien de tegemoetkoming minder bedraagt dan het bedrag van de werkelijk gemaakte kosten van rechtsbijstand, door de verzekeraar uitsluitend dit verschil vergoed;
dat evenwel deze opvatting niet valt te rijmen met een juiste uitleg van artikel 591a, lid 2, van het Wetboek van Strafvordering;
dat toch vooreerst de bewoordingen dezer bepaling geen steun bieden voor een uitleg als zou zij geen plaats laten voor het toekennen van een tegemoetkoming in de door een gewezen verdachte geleden of verschuldigde kosten van een raadsman indien de gewezen verdachte krachtens een rechtsbijstand-verzekeringsovereenkomst in voege als hiervoren vermeld op de verzekeraar een vordering tot vergoeding van die kosten heeft, en voor een zo het bereik dier bepaling beperkende uitleg evenmin enige andere grond bestaat, nu bezwaarlijk kan worden aangenomen dat de wetgever het bestaan van een rechtsbijstand-verzekeringsovereenkomst tussen een gewezen verdachte en een verzekeraar, ingevolge welke de verzekeraar niet gehouden is de kosten van de advocaat te vergoeden indien, en voor zover, de verzekerde een tegemoetkoming kan verlangen ingevolge meergenoemd artikel 591a, lid 2, een beletsel zou hebben willen doen zijn om de gewezen verdachte in aanmerking te doen komen voor een tegemoetkoming in de kosten van een raadsman uit 's Rijks kas, waarvoor hij bij het ontbreken van zodanige overeenkomst ingevolge die bepaling wel in aanmerking zou komen;
dat mitsdien het middel gegrond is en de bestreden beschikking niet in stand kan blijven;
Vernietigt in het belang der wet de bestreden beschikking;
Verstaat dat hierdoor aan de door de partijen verkregen rechten geen nadeel wordt toegebracht.
Gewezen te 's-Gravenhage bij de Mrs. Kazemier, Vice-President, Moons, van Dijk, van der Ven en Enschede, Raden, in bijzijn van de Substituut-Griffier Sarolea, die dit arrest hebben ondertekend en door voornoemde Vice-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van de eerste mei 1900 drieƫnzeventig in tegenwoordigheid van de Advocaat-Generaal Remmelink.