ECLI:NL:PHR:1973:AB3408

ECLI:NL:PHR:1973:AB3408, Parket bij de Hoge Raad, 01-05-1973, 66808

Instantie Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak 01-05-1973
Datum publicatie 31-10-2025
Zaaknummer 66808
Rechtsgebied Strafrecht
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:HR:1973:AB3408
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Verwijst naar 1 zaken
Aangehaald door 2 zaken

Verwijst naar

Aangehaald door

Samenvatting

Ook tegemoetkoming ex art. 591a Sv. mogelijk indien de gewezen verdachte krachtens een rechtsbijstandverzekeringsovereenkomst op de verzekeraar een vordering tot vergoeding van die kosten heeft.

Uitspraak

V.

C.W. 619.

Mr. Langemeijer.

Aan de Hoge Raad der Nederlanden

Kamer van Strafzaken

VOORDRACHT EN VORDERING TOT CASSATIE IN HET BELANG DER WET.

Edelhoogachtbare Heren,

In het belang der wet heb ik de eer mij in cassatie te voorzien van de hierbij in voor authentiek gewaarmerkt afschrift overgelegde beschikking van de Kantonrechter te 's-Hertogenbosch op 30 augustus 1971 onder nummer 37/71 gegeven op een verzoek tot toepassing van artikel 591a van het Wetboek van Strafvordering, gedaan door

[verzoeker],

wonende te [woonplaats].

Een gewoon rechtsmiddel heeft daartegen ingevolge artikel 445 van het Wetboek van Strafvordering niet opengestaan.

Het schijnt mij dienstig de motivering waarmee de Kantonrechter het verzoek van de hand heeft gewezen volledig te doen volgen.

Zij luidt:

"Uit de processtukken blijkt, dat verzoeker bij in kracht van gewijsde gegaan vonnis van dit gerecht van 23 juni 1971 ontslagen is van rechtsvervolging terzake van de hem bij dagvaarding dd. 9 juni 1971 te laste gelegde feiten, zodat die zaak is geëindigd zonder oplegging van straf- of maatregel. Uit die processtukken blijkt voorts, dat verzoeker niet zelf ter terechtzitting is verschenen, doch zich aldaar heeft doen vertegenwoordigen door een advocaat-gemachtigde, zijnde hij alstoen derhalve niet bijgestaan door een raadsman.

Vervolgens blijkt uit de inhoud van het rekest en de daarbij overgelegde bijlage, dat verzoeker een assurantiecontract heeft gesloten met de Algemene rechtsbijstand verzekeringsmaatschappij N.V. te Zeist, op grond waarvan hij blijkbaar op die maatschappij een aanspraak op vergoeding van kosten van rechtsbijstand kan doen gelden op basis van hetgeen is vermeld in de door verzoeker bij zijn rekest overgelegde algemene voorwaarden rechtsbijstandverzekering no. 19.

Nu verzoeker niet anders heeft vermeld dient er van te worden uitgegaan, dat zijn aanspraak op vergoeding jegens voormelde assuradeur kan worden bepaald aan de hand van die overgelegde algemene voorwaarden, als met name vermeld in de artt. 3 lid 1 en 4 lid 1. Tenslotte wordt opgemerkt, dat in het rekest niet is gesteld, dat verzoeker de door hem verschuldigd geworden kosten ter zake van de besognes van zijn raadsman ad f 228, -- , laat staan die voor de indiening van dit rekest ad f 74,10 daadwerkelijk heeft voldaan. Op grond van het bovenstaande dient het ervoor te worden gehouden, dat verzoeker geen aanspraak kan maken op de door hem gevraagde tegemoetkoming, zodat zijn verzoek daartoe van de hand moet worden gewezen.

Daargelaten immers, dat art. 591a van het Wetboek van Strafvordering slechts spreekt over de mogelijkheid - voor zover ten deze van belang - tot het toekennen van een tegemoetkoming in de kosten (en niet van volledige betaling dier kosten, laat staan tevens van die tot het indienen van het onderwerpelijke verzoek gemaakt, zoals verzoeker in casu weinig bescheiden heeft gevraagd) van een raadsman, en in het midden gelaten of onder raadsman in de zin van artikel 591a van het Wetboek van Strafvordering mede moet worden verstaan de advocaat-gemachtigde, door wie een verdachte zich ter terechtzitting heeft laten vertegenwoordigen, dient het er - nu niet anders is gesteld - in casu feitelijk voor te worden gehouden op grond van de inhoud van het rekest en de voormelde bijlage, dat verzoeker in het tegen hem aangespannen strafgeding in de persoon van zijn advocaat-gemachtigde heeft terechtgestaan ten verzoeke en voor rekening van zijn assuradeur in welk geval verzoeker geen recht heeft op een tegemoetkoming in de kosten van een raadsman. De bewoordingen immers, in de hier in aanmerking komende artikelen van de wet gebezigd, te weten: vergoeding van kosten welke ten laste van de gewezen verdachte zijn gekomen (art. 591 lid 1), zijn reis- en verblijfkosten (art. 591a lid 1), tegemoetkoming voor de schade welke de gewezen verdachte werkelijk heeft geleden (art. 591a lid 2), duiden erop dat bij de in die artikelen geregelde vergoeding en tegemoetkoming slechts is gedacht aan die kosten en schade, welke werkelijk ten laste van de gewezen verdachte komen en welke door hem zijn geleden.

Aan het vorenstaande doet niet af, dat verzoeker wellicht contractueel jegens zijn assuradeur verplicht is de onderwerpelijke weg te bewandelen alvorens hem zijn kosten worden vergoed - art. 4 lid 2 van de algemene voorwaarden - daar door partijen contractueel geen wijziging kan worden gebracht in de gelding en werking van wettelijke bepalingen van dwingend recht en zij slechts met voormelde clausule van art. 4 lid 2 hebben bewerkstelligd, dat verzoeker een bij voorbaat kansloze en dus zinloze rechtsgang moet bewandelen, waarvan de - nodeloos - gemaakte kosten, evenzeer als de kosten van rechtsbijstand, ten laste van de assuradeur van verzoeker komen, zoals uit het derde lid van art. 4 blijkt."

De Kantonrechter laat in het midden of onder de kosten waarin volgens artikel 591a een tegemoetkoming kan worden gegeven ook vallen de kosten van een (advocaat-)gemachtigde. Dit punt zal dus door Uw Raad niet kunnen worden beslist. Ik voor mij zou menen dat er geen reden is deze kosten niet onder het voorschrift te brengen. Enerzijds toch kan het verschijnen bij gemachtigde de beste manier zijn om een zuiver juridisch verweer tot zijn recht te doen komen, waarnaast dan de verschijning van de verdachte zelf overbodig kan zijn, anderzijds zal het, wanneer persoonlijke verschijning voor de verdachte grote economische bezwaren mocht hebben, kostenbeperkend kunnen werken. Anderzijds geeft de wettelijke regeling de volle mogelijkheid om kosten van een gemachtigde waar die overbodig waren onvergoed te laten.

Als een bijzondere vraag kan men dan nog zien of, in een geval waarin een tegemoetkoming tot het volle bedrag van de kosten denkbaar zou zijn - hetgeen m.i. niet is uitgesloten - daartoe ooit mede kunnen worden gerekend de kosten van het verzoekschrift tot tegemoetkoming. Ik zou, hoewel niet zonder aarzeling, menen dat ook dit in beginsel mogelijk moet worden geacht, zij het dat daartoe slechts dan gronden zullen zijn wanneer in een zeer uitzonderlijk geval het betoog omtrent de overige kosten en schade de krachten van de verdachte zelf te boven zou gaan. Het ruime begrip schade dat het voorschrift bezigt brengt dit m.i. mee. Ook hierover echter zal in het kader van dit beroep niet kunnen worden beslist.

Verder is natuurlijk juist de overweging van de Kantonrechter dat slechts tegemoetkoming, dus niet per se volledige vergoeding van kosten gevraagd kan worden.

Te beoordelen blijft dus enkel de vraag naar de betekenis voor de toepassing van de wettelijke regeling van de omstandigheid dat de gewezen verdachte tengevolge van een door hem gesloten rechtsbijstandsverzekering geen schade of kosten heeft gehad, behalve dan de premie, die uit de aard der zaak niet beschouwd kan worden als veroorzaakt door de vervolging.

Hetgeen de Kantonrechter hieromtrent overweegt acht ik in het licht van de wetstekst zeker niet zonder kracht. Niettemin verdient de vraag naar mijn mening wel nader onder het oog te worden gezien. Men zal toch moeten bedenken dat de woorden der wet uit de aard der zaak het meest eenvoudige geval betreffen: dat de verdachte zelf uitgaven heeft moeten doen of inkomsten heeft moeten derven. Dat daarmee ook een regeling zou zijn getroffen voor het geval dat de verdachte tegen die kosten verzekerd is, behoeft niet te worden aangenomen. Voor de beoordeling van deze laatste situatie schijnt het mij van belang te bedenken dat in die gevallen, waarin de gewezen verdachte afgezien van de verzekering in billijkheid een aanspraak op tegemoetkoming zou hebben, de verzekering zou meebrengen dat een uitgave van zijn kant, de premie, de Staat zou ontheffen van een betaling die zij anders verschuldigd zou zijn. Geheel billijk is dit uit de aard der zaak niet. In welke mate het onbillijk is zal hiervan afhangen, hoe de samenhang is tussen de premiebetaling en de vervolging. Het is natuurlijk zeer weinig waarschijnlijk dat iemand die uit het oogpunt van zijn omstandigheden en maatschappelijke activiteiten slechts zeer geringe kans op een rechtsgeding heeft zulk een verzekering sluit. Het gesloten hebben van de verzekering doet dus vermoeden dat de verzekerde met méér dan een hoogst enkel rechtsgeding rekening moest houden. Dit betekent weer dat zelfs als in de periode waarover een premie loopt de verzekerde geen andere rechtsbijstand heeft behoefd dan in het geding dat een afloop heeft gehad, waarop artikel 591a toepasselijk is, nog gezegd zal moeten worden dat de premie een meer omvattend risico heeft gedekt dan dat van dit ene geding. Reden van billijkheid om ter zake van krachtens verzekering genoten rechtsbijstand tegemoetkoming te geven kan er dus hoogstens zijn voor een deel van de jaarpremie (of premie over een ander bij de verzekering normaal tijdvak), dat de rechter ex aequo et bono evenredig zal achten aan dat deel van het gedekte risico dat zich in het geding waarom het gaat geacht moet worden te hebben verwezenlijkt. De bovengrens hiervan, die niet licht zal worden bereikt, is dus het bedrag van die premie. Inzover meen ik dus dat de beschikking van de Kantonrechter aanvechtbaar is voorzover zij zou bedoelen uiting te geven aan de mening dat de enkele omstandigheid dat, afgezien van de eventuele tegemoetkoming proceskosten uiteindelijk door een verzekeraar zouden worden gedragen tegemoetkoming uitsluit. Ik neem aan dat dit des Kantonrechters bedoeling is, immers het zou mij niet redelijk voorkomen indien het verschil zou maken of de verzekeraar aanstonds dan wel achteraf in deze kosten voorziet.

De vraag moet nu nog worden gesteld of de grens van de tegemoetkoming kan worden verschoven wanneer de verzekeringsovereenkomst - zoals in dit geval - een beding bevat dat het verband tussen de verzekering en de toepassing van artikel 591a regelt. In dit geval heeft de Kantonrechter het voor verzoeker gelden van de door deze overgelegde algemene voorwaarden niet in twijfel getrokken, waarvan artikel 4, leden 2 en 3, luidt:

"2. De Maatschappij is niet gehouden de kosten van de advocaat te vergoeden, indien verzekerde een tegemoetkoming kan verlangen ex artikel 591a Wetboek van Strafvordering, dan wel een dienovereenkomstige buitenlandse bepaling. Indien de tegemoetkoming minder bedraagt dan het bedrag van de werkelijk gemaakte kosten van rechtsbijstand, vergoedt de Maatschappij uitsluitend dit meerdere.

3. De verzekerde is verplicht medewerking te verlenen, indien de Maatschappij door haar, namens verzekerde, betaalde bedragen in zijn naam wenst terug te vorderen. De hierop vallende kosten worden door de Maatschappij gedragen."

Voorts bepaalt de slotzin van artikel 5:

"Weigert verzekerde de voor de behartiging van zijn belangen noodzakelijke medewerking te verlenen of blijkt, dat hij anderszins zijn verplichtingen niet of niet tijdig nakomt, dan is de Maatschappij van haar verplichting tot het verlenen van rechtsbijstand ontheven. "

Ik meen dat uit deze voorschriften moet worden afgeleid - en ook de Kantonrechter doet dit - dat de gewezen verdachte verplicht was het verzoek om tegemoetkoming te doen op straffe van zijn recht jegens de verzekeraar te verliezen. In het gegeven geval, waarin de verzekeraar de rechtsbijstand reeds aanstonds voor haar rekening heeft genomen, zal dit wel moeten betekenen dat zij bij achterwege blijven van het verzoek de kosten aan de verzekerde in rekening zou mogen brengen. De rechter zal in dit laatste geval moeilijk aan de verzekerde kunnen verwijten dat hij een volgens het stelsel van de beschikking zinloos en bovendien tot extra kosten leidend verzoek heeft achterwege gelaten en zal dus tegemoetkoming moeten toekennen. Wanneer anderzijds de verzekerde, het standpunt van de Kantonrechter voorziende, de declaratie van de gemachtigde aan zichzelf zou laten uitschrijven en vervolgens zonder van de verzekering melding te maken tegemoetkoming zou hebben gevraagd, zou er geen grond zijn geweest om hem die, binnen de grenzen van de billijkheid, te weigeren, waarna de verzekeraar hem het eventuele verschil tussen de declaratie en de tegemoetkoming zou hebben moeten vergoeden. Wanneer daarentegen de gewezen verdachte enerzijds ten volle aan de verzekeringsovereenkomst voldoet en tegelijkertijd aan de rechter de waarheid niet verheelt, zal de verzekeraar in het stelsel van de Kantonrechter alle kosten moeten dragen. Mij dunkt dat vergelijking van deze drie uitkomsten een paradoxaal resultaat oplevert. Het komt hierop neer dat wanneer de verzekerde zowel redelijk als geheel eerlijk handelt de verzekeraar meer zal moeten betalen dan wanneer de verzekerde ofwel irrationeel te werk gaat (door het verzoek niet te doen) ofwel niet geheel eerlijk (door de verzekering te verzwijgen). Aan dit resultaat ontkomt men wanneer men de tegemoetkoming eenvoudig bepaalt onafhankelijk van het bestaan der verzekering. Het is daarbij niet moeilijk om te ontkomen aan het wellicht door de Kantonrechter gevreesde gevaar dat de verdachte en/of de verzekeraar de kosten onnodig hoog zullen opvoeren; immers juist de omstandigheid dat het om een tegemoetkoming gaat zal er altijd toe moeten leiden dat zeker niet meer dan de redelijkerwijze noodzakelijke kosten worden vergoed. Ik merk nog op dat bij de door mij voorgestane oplossing in die gevallen waarin een verplichting van de verzekerde tegenover de verzekeraar bestaat om het verzoek te doen (een verplichting die wellicht ook een van goede trouw kan zijn), bij de tegemoetkoming natuurlijk niet - zoals ik voor het geval van ontbreken van zulk een verplichting aannam - rekening behoort te worden gehouden met de verzekeringspremie. Immers, wanneer de verzekerde ondanks het bestaan der verzekering tegemoetkoming ontvangt, is de premie een offer ter dekking van een risico dat zoveel kleiner wordt als de aanspraak op tegemoetkoming waard is.

Ik merk nog op dat men zeker de vraag kan stellen of de onderhavige kwestie niet reeds is beslist bij Uw arrest van 21 februari 1967, N.J. 1967 no. 444, eveneens gewezen op een vordering in het belang der wet van de mij destijds vervangende advocaat-generaal. Ik geef toe dat er tussen het toen beoordeelde geval en het thans door mij aan de orde gestelde aanmerkelijke overeenkomst bestaat en dat ook met name de in dat arrest gevolgde redenering schijnt te wijzen in de richting van een meer beperkte opvatting van artikel 591a dan ik hier verdedig. Toch schijnt het mij wenselijk de vraag in deze gedaante aan U voor te leggen, nu ook de mening zich ernstig laat verdedigen dat juist beslissend is het verschil tussen beide gevallen: dat destijds de verzekeraar tegen autoschade onverplicht rechtsbijstand in de strafzaak had verleend, terwijl het in het tegenwoordige geval een verplichting van de procesverzekeraar betrof, die in aanmerking kwam om door het verlenen van rechtsbijstand vervuld te worden.

Als middel van cassatie heb ik de eer voor te dragen:

"Schending van het Nederlandse recht met name van artikel 591a van het Wetboek van Strafvordering door te oordelen dat laatstgenoemd voorschrift vergoeding uitsluit van die kosten van rechtsbijstand waarvoor de verzoeker een vordering tot vergoeding heeft krachtens een met het oog op zodanige kosten gesloten verzekeringsovereenkomst of althans van die kosten die de verzekeraar aanstonds voor zijn rekening heeft genomen.

Mitsdien heb ik de eer te vorderen dat Uw Raad de beschikking waarvan beroep vernietige zonder dat de vernietiging aan de rechten door partijen verkregen nadeel toebrenge.

Parket, 23 januari 1973.

De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden,

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl NJ 1973, 355
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?