ECLI:NL:HR:1973:AB3410

ECLI:NL:HR:1973:AB3410, Hoge Raad, 01-05-1973, 66826

Instantie Hoge Raad
Datum uitspraak 01-05-1973
Datum publicatie 31-10-2025
Zaaknummer 66826
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Cassatie
Zittingsplaats Den Haag
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:PHR:1973:AB3410
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Verwijst naar 1 zaken
Aangehaald door 9 zaken

Verwijst naar

Aangehaald door

Samenvatting

Onverlichte brommer. Aanrijding met bromfiets die geen achterlicht voerde; wel schuld in de zin van art. 36 WVW.

Uitspraak

1 mei 1973

No. 66826

JYD.

De Hoge Raad der Nederlanden,

Op het beroep van [rekwirant], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1934, wonende te [woonplaats] , rekwirant van cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Amsterdam van 16 november 1972, waarbij in hoger beroep, met vernietiging van een vonnis van de Arrondissements- rechtbank te Alkmaar van 13 juni 1972, rekwirant ter zake van "aan zijn schuld bij gelegenheid van een aanrijding met een door hem bestuurd motorrijtuig de dood van een ander te wijten zijn, terwijl de dood door de aanrijding is veroorzaakt" en "aan zijn schuld bij gelegenheid van een aanrijding met een door hem bestuurd motorrijtuig te wijten zijn dat een ander zwaar lichamelijk letsel bekomt terwijl dat letsel door de aanrijding is veroorzaakt" is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de tijd van twee weken, voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, alsmede tot betaling van een geldboete van duizend gulden, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door vijftig dagen hechtenis, met ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de tijd van zes maanden; Gehoord het verslag van de raadsheer-rapporteur;

Gezien het gerechtelijk schrijven namens de Procureur-Generaal aan de rekwirant uitgereikt ter kennisgeving van de dag voor de behandeling van deze zaak bepaald;

Gelet op het middel van cassatie, namens de rekwirant voorgesteld en toegelicht bij schriftuur, luidende: "Schending van het Recht en/of verzuim van vormen waarvan de niet-inachtneming nietigheid met zich meebrengt, inzonderheid van de rechtsregels neergelegd in de artikelen 14a, 14b, 23, 57 Wetboek van Strafrecht, 36, 38, 39 Wegenverkeerswet en 350, 351, 358 Wetboek van Strafvordering: doordat het Hof ten onrechte het primair ten laste gelegde bewezen heeft verklaard, overwegende dat het onderhavige ongeval en de gevolgen ervan, mede aan de grove onvoorzichtigheid, te weten schuld in de zin van artikel 36 Wegenverkeerswet, van verdachte moet worden geweten, terwijl zulks niet uit de bewijsmiddelen kan worden afgeleid.

Toelichting:

Het Hof acht de schuld van requirant, omschreven als grove onvoorzichtigheid, bewezen.

Deze grove onvoorzichtigheid leidt het Hof af niet uit de bewezen verklaarde feiten, maar uit het in de tiende rechtsoverweging gestelde imperatief, dat "verdachte onder voormelde omstandigheden rekening had te houden zowel met de mogelijkheid dat zich - gewoonlijk geen verlichting voerende - voetgangers en/of onverlichte stilstaande dan wel zich langzaam voortbewegende objecten, waaronder een al dan niet buiten schuld van de betrokken bestuurder geen achterlicht voerende bromfiets, op de door hem gevolgde rijbaan zouden bevinden .... " Immers gezien tegen de achtergrond van dit imperatief, oordeelt het Hof, dat de snelheid waarmee requirant reed te hoog was om tijdig te kunnen remmen bij het aantreffen van de geen achterlicht voerende bromfiets en dat die snelheid er de oorzaak van was, dat requirant niet voldoende naar links is uitgeweken bij het inhalen van die bromfiets. Zowel in de tenlastelegging als in de bewezenverklaring wordt de aan requirant verweten grove onvoorzichtigheid aangeduid met de delictsomschrijving van de overtredingen van artikel 36 R.V.V. en 49 R.V.V., die worden samengevat tot één verwijt: requirant reed met een snelheid van 100 km per uur.

Uit de tiende rechtsoverweging, in onderlinge samenhang met de verklaring van de getuigen, blijkt dat het Hof requirant verwijt, dat hij niet ongeveer 60 à 65 km per uur reed in plaats van 100 km per uur.

In het procesverbaal van de (Rijks)politie te Alkmaar, inlegvel 2, wordt de Oosterterpweg waar het onderhavige ongeval plaatsvond beschreven, met als conclusie: Het wegdek verkeert in zo een goede conditie, dat men hierop gemakkelijk hoge tot zeer hoge snelheid rijdt. Hieruit is af te leiden, dat requirant deze weg bereden heeft met een snelheid, die voor die goede, kaarsrechte weg, waarvoor geen snelheidsbeperking geldt, niet onvoorzichtig kan worden genoemd.

Het snelheidsverwijt van het Hof treft requirant dan ook alleen in samenhang met het eerder omschreven door het Hof gestelde imperatief.

Requirant kan meegaan met de aan dat imperatief ten grondslag liggende gedachte, dat men als verkeersdeelnemer rekening heeft te houden met verkeersfouten van mede-weggebruikers, doch slechts in zoverre, dat slechts rekening gehouden moet worden met "normale" verkeersfouten. Requirant acht het rijden op een geheel onverlichte bromfiets buiten de bebouwde kom op een onverlichte weg waar gewoonlijk met hoge tot zeer hoge snelheid door auto's wordt gereden een handelen met totale minachting van eigen en andermans veiligheid, alsmede in strijd met ieder elementair verkeersfatsoen en derhalve een verkeersfout, die zo abnormaal is, dat daarmee door medeweggebruikers niet behoeft te worden gerekend";

Gehoord het pleidooi van de raadsvrouwe van rekwirant waarbij het middel nader is toegelicht;

Gehoord de Procureur-Generaal in zijn conclusie dat de Hoge Raad het arrest waarvan beroep vernietige en de zaak verwijze naar een aangrenzend Hof teneinde haar op het bestaande hoger beroep opnieuw te berechten en af te doen;

Overwegende dat bij het bestreden arrest ten laste van rekwirant is bewezenverklaard:

"dat hij op 11 september 1971 omstreeks 20.10 uur, zijnde in elk geval op een tijdstip, gelegen meer dan een half uur na zonsondergang van die dag en meer dan een half uur vóór zonsopgang van de daarop volgende dag, in de gemeente Wieringermeer, als bestuurder van een personenauto daarmee, terwijl hij aan de voorzijde daarvan gedimde verlichting voerde, heeft gereden over de ter plaatse ongeveer 5.80 m brede rijbaan van de voor het openbaar verkeer openstaande weg, de Oosterterpweg, welke weg aldaar niet was voorzien van enig afzonderlijk fietspad noch van enig afzonderlijk voetpad en ook niet van openbare verlichting en welke weg ter plaatse buiten een bebouwde kom (als bedoeld in artikel 8 van de Wegenverkeerswet) was gelegen zodat hij verdachte, rekening behoorde te houden met de aanwezigheid van voetgangers en (brom)fietsers op die rijbaan, en wel met een snelheid van ongeveer 100 km per uur, in elk geval met een snelheid die te hoog was om zijn auto tot stilstand te kunnen brengen binnen de afstand waarover hij die rijbaan in het schijnsel van de gedimde verlichting aan de voorzijde van zijn auto kon overzien en waarover deze vrij was, en vervolgens, naderende een in dezelfde richting als hij, verdachte, voor hem uit over die rijbaan rijdende bromfiets (bestuurd door [betrokkene 1] , terwijl [betrokkene 2] als passagier op die bromfiets meereed), welke bromfiets normaal rechts hield en in strijd met het bepaalde bij en krachtens de Wegenverkeerswet geen brandend achterlicht voerde, bij het inhalen van die bromfiets - welke aanzienlijk langzamer reed dan hij, verdachte - niet zoveel naar links is uitgeweken als nodig was om die bromfiets veilig en verantwoord ter linkerzijde in te halen, althans te kunnen inhalen,

doch integendeel, hoewel ter plaatse op die rijbaan voldoende ruimte was om die bromfiets veilig en verantwoord ter linkerzijde te kunnen inhalen met grote snelheid tegen die bromfiets en/of tegen (een van) de zich daarop bevindende perso(o)n(en) is gebotst,

door welke botsing genoemde [betrokkene 2] (vrijwel op slag) is gedood en genoemde [betrokkene 1] ernstig is gewond, (bestaande die verwonding uit een gekompliceerde onderbeenfraktuur, nierletsel en hersenkneuzing), zijnde het aldus mede aan zijn, verdachtes, schuld (als bedoeld in artikel 36 Wegenverkeerswet) te wijten dat genoemde [betrokkene 2] als gevolg van die botsing is gedood en dat genoemde [betrokkene 1] als gevolg van die aanrijding bovenomschreven zwaar lichamelijk letsel heeft bekomen";

Overwegende dat deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:

1) de verklaring van rekwirant ter terechtzitting, luidende:

"Op 11 september 1971 omstreeks 20.10 uur - het was toen meer dan een half uur na zonsondergang die dag - reed ik in de gemeente Wieringermeer als bestuurder van een personenauto, [kenteken] , over de rijbaan van de voor het openbaar verkeer openstaande weg de Oosterterpweg in westelijke richting, komende uit de richting [woonplaats] en gaande in de richting van Wieringerwerf. Deze weg was daar niet voorzien van een afzonderlijk fietspad noch van een afzonderlijk voetpad en ook niet van openbare verlichting. Er was geen maan.

Nadat ik in verband met een van rechts komende auto mijn snelheid had verminderd en de verlichting aan de voorzijde van mijn auto had gedimd, heb ik de snelheid van mijn auto opgevoerd tot omtrent 100 km per uur - ik reed daar buiten de bebouwde kom - maar ik bleef gedimde verlichting voeren in verband met een mij tegemoetkomende bromfiets. Ik zag toen plotseling voor mij uit - rechts van het midden van de rijbaan - een bromfiets rijden. Ik was al vlakbij deze bromfiets, toen ik deze zag. Ik heb geprobeerd door naar links te sturen deze bromfiets ter linkerzijde voorbij te rijden, waartoe op die rijbaan, voldoende ruimte was, maar ik zag dat ik tegen deze bromfiets en/of tegen iemand die erop zat aanbotste. Deze bromfiets voerde geen brandend achterlicht en mijn snelheid was zo groot dat ik mijn auto niet tot stilstand kon brengen binnen de afstand waarop ik van die bromfiets verwijderd was, toen ik hem - in het schijnsel van mijn gedimde verlichting - voor het eerst waarnam";

2) een ambtsedig proces-verbaal nummer 690a/1971, op 24 september 1971 opgemaakt door [verbalisant 1] , wachtmeester der rijkspolitie 1e klasse, behorende tot de groep Wieringermeer, voor zover zakelijk inhoudende als verklaring van [betrokkene 1] :

"dat hij op 11 september 1971 's avonds reed als bestuurder van een bromfiets op de Oosterterpweg van [woonplaats] naar Wieringerwerf; dat bij hem achterop zat [betrokkene 2] ; dat hij, [betrokkene 1] , onderweg ontdekte dat zijn achterlicht stuk was; dat zij tevergeefs hebben geprobeerd dat licht te herstellen en toen weer langzaam verder zijn gereden, normaal rechts houdend";

3) een ambtsedig proces-verbaal nummer 690, gesloten op 12 september 1971 en opgemaakt door [verbalisant 2] en [verbalisant 1] , opperwachtmeester der rijkspolitie onderscheidenlijk wachtmeester der rijkspolitie 1e klasse, beiden behorende tot de groep Wieringermeer, voor zover zakelijk inhoudende:

a) als verklaring van [betrokkene 3] :

"dat zij 11 september 1971 te ongeveer 20.00 uur reed op haar bromfiets op de Oosterterpweg in de richting van Wieringerwerf; dat het heel donker was en dat zij plotseling twee jongens zag staan in de berm met een bromfiets; dat zij één herkende als [betrokkene 2] ; dat zij een eind verderop is gekeerd en is terug gereden in de richting van [woonplaats] ; dat zij kort daarna uit de richting van [woonplaats] twee koplichten van een auto zag naderen; dat die auto met dimlicht reed; dat zij, toen zij die auto vrij dicht genaderd was, in het schijnsel van de koplampen van die auto een bromfiets zag rijden in de richting van Wieringerwerf en normaal rechts van de weg; dat de auto nogal snel reed en vlug naderde; dat zij, toen zij vlak bij die auto was, zag dat deze met de rechtervoorkant tegen de achterkant van de bromfiets botste en dat zij ook nog zag dat de bromfiets aan de auto bleef hangen; dat er, terwijl de auto haar passeerde, glas om haar oren vloog; dat zij toen is gestopt; dat zij daarna twee jongens in de wegberm vond, van wie de een dood leek te zijn en de ander zwaar gewond was";

b) als verklaring van verbalisanten:

"dat zij op 11 september 1971 te omstreeks 20.15 uur een onderzoek hebben ingesteld in verband met een ongeval dat die dag te omstreeks 20.10 uur op de Oosterterpweg buiten de bebouwde kom van de gemeente Wieringermeer had plaats gevonden; dat zij daarbij hebben bevonden dat die weg ter plaatse 5.80 m breed was, dat een aanrijding had plaats gevonden tussen een personenauto en een bromfiets; dat veertien meter westelijk van hectometerpaal 1/6 over een lengte van ongeveer 6 meter glasscherven en lakschilfers lagen op de scheiding van de noordelijke berm en rijbaankant, dat ongeveer 24 m verder twee rode plekken op het wegdek zichtbaar waren en dat nog weer 16 m verder het slachtoffer [betrokkene 2] in de noordelijke berm lag; dat enige tientallen meters verder in de noordelijke wegsloot een vierwielig motorrijtuig lag en daarvoor een zwaar gehavende bromfiets; dat hun verder bij dit onderzoek is gebleken dat is gewond [betrokkene 1] en is overleden [betrokkene 2] ; dat zijn lijk door verbalisanten is herkend en dat de dood van [betrokkene 2] is geconstateerd door de [arts] , gemeentelijk lijkschouwer der gemeente Wieringermeer";

4) een schriftelijk verslag als bedoeld in artikel 29m der Wet op de lijkbezorging van [arts] , lijkschouwer der gemeente Wieringermeer, gedagtekend 12 september 1971, voor zover inhoudende als verklaring van [arts] voornoemd:

"dat hij het lijk van [betrokkene 2] persoonlijk heeft geschouwd en dat de - acute - dood is ingetreden ten gevolge van ongeval na heftig trauma: verbrijzelde schedel, schedelbasisfractuur";

5) een schriftelijke verklaring, gedagtekend 12 september 1971, van de [arts] voornoemd, voor zover inhoudende:

"dat hij op 11 september 1971 bij [betrokkene 1] heeft waargenomen: gecompliceerde linkeronderbeen fractuur, hersenkneuzing en nierlaesie";

6) een ambtsedig proces-verbaal nummer 2681, opgemaakt door [verbalisant 3] , wachtmeester der rijkspolitie 1e klasse, en [verbalisant 4] , technisch controleur bij het Korps Rijkspolitie, tevens onbezoldigd ambtenaar van rijkspolitie, voor zover zakelijk inhoudende:

"dat zij op 11 september 1971 te omstreeks 21.10 uur een technisch onderzoek hebben ingesteld aan een vier- wielig motorrijtuig, [kenteken] , door hen over- genomen van de wachtmeester der rijkspolitie 1e klasse [verbalisant 1] , belast met het plaatselijk onderzoek in verband met een aanrijding die op laatstgenoemde datum te ongeveer 20.10 uur had plaats gevonden tussen dit motorvoertuig en een bromfiets op de Oosterterpweg in de Wieringermeer;

dat de rechterkoplantaarn geheel vernield was maar de linkerkoplantaarn en de daarin aangebrachte gloeilamp in goede staat verkeerde;

dat, aangenomen dat de rechter koplantaarn gelijk stond afgesteld met de nog intakt zijnde linker koplantaarn, van welke lantaarn het midden van het lichtdoorlatende gedeelte zich op een afstand van 0.65 m boven het wegdek bevond, de weg theoretisch over een afstand van 65 meter voor het motorvoertuig kon worden verlicht, op welke afstand de scheidingslijn tussen licht en donker het wegdek zou raken;

dat bij controlering van de verlichting bleek dat door het linkerkoplicht, bij ingeschakelde gedempte verlichting, de weg over een afstand van ongeveer 35 meter voor het motorvoertuig voldoende werd verlicht om een obstakel voor de bestuurder zichtbaar te doen zijn, welke afstand normaal is te noemen, terwijl indien beide koplichten op gedempt licht geschakeld licht zouden uitstralen de weg niet over een grotere afstand zou worden verlicht maar wel helderder;

dat bij daling van de scheidingslijn hiervoren bedoeld met 1 centimeter per meter - de eis genoemd in artikel 85 van het Wegenverkeersregelement, aan welke eis de verlichting van het linker koplicht voldeed - deze scheidingslijn op een afstand van 35 meter voor het motorvoertuig zich bevond op een hoogte van 30 cm boven het wegdek, zodat een obstakel op een afstand van 35 meter voor het motorvoertuig over een hoogte van 30 cm, gemeten van het wegdek af, door beschijning door de koplichten van het motorvoertuig direct zou worden verlicht;

dat, gelet op een en ander, valt aan te nemen dat bij een snelheid van 100 km per uur of 27,77 m per seconde - in aanmerking genomen een op 0,5 seconde te stellen reactietijd - een uitwijk- of remreactie van de bestuurder van het motorrijtuig niet eerder zou hebben plaatsgevonden dan toen het motorvoertuig de achterzijde van het verlichte obstakel - de bromfiets - tot op 35 m - 13,89 m = 21,11 m was genaderd; dat met behulp van de formule S= V2/2a de af te leggen remweg is te berekenen, waarbij S de afgelegde (rem)weg, V de snelheid en a de vertraging is;

dat de remvertraging, vastgesteld met behulp van een van rijkswege verstrekte en op haar juistheid gecontroleerde Tapleymeter (vertragingsmeter) op een droge en ongeveer horizontaal gelegen weg, voorzien van een soortgelijk wegdek als waarop het ongeval had plaats gevonden, bij gebruik van de bedrijfsrem 65% bleek te bedragen, overeenkomende met een remvertraging van 6.38 m per secondekwadraat;

dat de remproeven zijn gehouden terwijl de remschijven en remblokken van de voorwielen geheel waren bedekt met water en modder van de sloot, waarin het voertuig na de botsing tot stilstand was gekomen; dat indien de remschijven en remblokken schoon en droog waren geweest een grotere remvertraging aan het motorvoertuig zou zijn gegeven bij gebruik van de bedrijfsrem, zijnde verbalisanten uit ervaring bekend dat met soortgelijke voertuigen als de onderhavige Opel Commodore Six bij gebruik van de bedrijfsrem, wanneer de remschijven en remblokken van de voorwielberemming schoon zijn, zeker een remvertraging kan worden behaald van tenminste 80% of 7,85 meter per secondekwadraat;

dat de remweg 27.77 x 27.77/2 x 7,85 is 49,18 meter, zodat de bestuurder 49,18 meter nodig zou hebben gehad om zijn voertuig tot stilstand te brengen";

Overwegende dat het Hof met betrekking tot de schuld van rekwirant heeft overwogen:

"dat verdachte ten tijde en ter plaatse van het ongeval met gedimde koplampen reed buiten een bebouwde kom op een zonder beperking voor het verkeer openstaande weg, waarlangs zich geen fietspad en/of voetpad bevond ;

dat ten tijde van het ongeval langs die weg geen wegverlichting was aangebracht en geen maanlicht de daar heersende duisternis beperkte;

dat verdachte onder voormelde omstandigheden rekening had te houden zowel met de mogelijkheid dat zich - gewoonlijk geen verlichting voerende - voetgangers en/of onverlichte stilstaande dan wel zich langzaam voortbewegende objecten, waaronder een al dan niet buiten schuld van de betrokken bestuurder geen achterlicht voerende bromfiets, op de door hem gevolgde rijbaan zouden bevinden, als ook met de omstandigheid dat hij voor een tijdige waarneming van zodanige personen en/of objecten op het schijnsel van de gedimde koplampen van zijn auto was aangewezen;

dat een snelheid van 100 km per uur, tot waaraan verdachte met gedimd licht rijdend zijn auto had opgetrokken, naar de ervaring leert en door de onder de bewijsmiddelen opgenomen inhoud van het proces-verbaal nummer 2681 wordt bevestigd, veel te hoog was om verdachte een redelijke mogelijkheid te bieden zijn auto, bij waarneming van de geen achterlicht voerende brommer in zijn lichtbundel, nog tijdig en genoegzaam achter dat obstakel af te remmen;

dat die hoge snelheid klaarblijkelijk ook heeft meegebracht dat verdachte er niet in is geslaagd voor de voor hem opdoemende bromfiets tijdig en voldoende naar links uit te wijken, waartoe op zichzelf genomen de rijbaan voldoende ruimte bood, een manoeuvre die een over normale rijvaardigheid beschikkende automobilist, rijdende met de snelheid en het zicht van verdachte, ook geenszins bij voorbaat mag vertrouwen tot een goed einde te zullen kunnen brengen; dat derhalve, nu bovendien - mede gelet op de afstand waarover de auto de bromfiets heeft voortgesleept duidelijk is dat verdachtes auto met grote snelheid en kracht tegen de bromfiets en/of de berijders ervan is aangebotst, het onderhavig ongeval en de rampzalige gevolgen ervan mede aan grove onvoorzichtigheid, te weten schuld in de zin van artikel 36 wegenverkeerswet van verdachte moet worden geweten";

Overwegende ten aanzien van het middel:

dat het Hof het bewezenverklaarde heeft kunnen afleiden uit de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen en met name op grond van de redengevende feiten en omstandigheden, aangewezen in 's Hofs hiervoor aangehaalde overwegingen, heeft kunnen oordelen dat aan rekwirant schuld in de zin van artikel 36 van de Wegenverkeerswet moet worden verweten;

dat in de toelichting 's Hofs redengeving met betrekking tot de schuld van rekwirant is bestreden met de stelling, dat het rijden met een onverlichte bromfiets buiten de bebouwde kom op een onverlichte weg waar gewoonlijk met hoge tot zeer hoge snelheid door auto's wordt gereden, een verkeersfout is, waarmede door weggebruikers niet behoeft te worden gerekend;

dat evenwel aldus - nog daargelaten dat mede een beroep wordt gedaan op feiten waaromtrent het Hof niets heeft vastgesteld - wordt miskend dat, naar de ervaring leert, er een niet te verwaarlozen kans bestaat dat op wegen, waarvan de rijbaan ook bestemd is voor langzaam verkeer, ten tijde dat lichten moeten worden gevoerd zich fietsers of bromfietsers voortbewegen die niet zijn voorzien van een behoorlijk lichtgevend achterlicht, hetgeen medebrengt dat bestuurders van auto's onder voormelde omstandigheden er op bedacht behoren te zijn dat zich op de door hen gevolgde rijbaan fietsers of bromfietsers kunnen bevinden die, door welke oorzaak dan ook, niet zijn voorzien van een behoorlijke achterverlichting;

dat het middel derhalve faalt;

Verwerpt het beroep.

Gewezen te 's-Gravenhage bij de Mrs. Kazemier, Vice- President, Moons, van Dijk, van der Ven en Enschede, Raden, in bijzijn van de Substituut-Griffier Sarolea, die dit arrest hebben ondertekend, en door voornoemde Vice-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van de eerste mei 1900 drieënzeventig in tegenwoordigheid van de Advocaat-Generaal Remmelink.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl NJ 1973, 399 met annotatie van Th.W. van Veen VR 1974, 34
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?