V.
Nr. 66826.
Zitting 20 maart 1973.
Mr. Langemeijer.
Conclusie inzake:
[requirant] .
Edelhoogachtbare Heren,
De feiten in deze zaak zijn onbetwist. Requirant heeft bij donker met een snelheid die hij schat op 100 km per uur gereden over een rechte weg, die niet verlicht was, ongeveer 5.80 m breed is en waarnaast geen fiets- of voetpad loopt. Toen hij op een zeker ogenblik met gedimd licht reed, naar zijn zeggen wegens het naderen van een tegenligger, heeft hij een bromfietser met duorijder, wiens bromfiets onverlicht was, te laat opgemerkt om hen te ontwijken en aangereden met als gevolg de dood van de duo-passagier en zware verwonding van de bestuurder. De Rechtbank heeft hem vrijgesproken (merkwaardigerwijze ook van het subsidiair telastegelegde), kennelijk omdat zij geen schuld aanwezig achtte, het Hof daarentegen heeft het primair telastegelegde veroorzaken van de dood en lichamelijk letsel door schuld aanwezig geacht, en wel, blijkens de opgelegde straf de mate van schuld vrij ernstig geacht. Het Hof heeft hier overigens blijkbaar wel een probleem gezien en zijn oordeel met enige uitvoerigheid gemotiveerd met de volgende overwegingen:
"Overwegende dat verdachte ten tijde en ter plaatse van het ongeval met gedimde koplampen reed buiten een bebouwde kom op een zonder beperking voor het verkeer openstaande weg, waarlangs zich geen fietspad en/of voetpad bevond;
dat ten tijde van het ongeval langs die weg geen wegverlichting was aangebracht en geen maanlicht de daar heersende duisternis beperkte;
dat verdachte onder voormelde omstandigheden rekening had te houden zowel met de mogelijkheid dat zich - gewoonlijk geen verlichting voerende - voetgangers en/of onverlichte stilstaande dan wel zich langzaam voortbewegende objecten, waaronder een al dan niet buiten schuld van de betrokken bestuurder geen achterlicht voerende bromfiets, op de door hem gevolgde rijbaan zouden bevinden, als ook met de omstandigheid dat hij voor een tijdige waarneming van zodanige personen en/of objecten op het schijnsel van de gedimde koplampen van zijn auto was aangewezen;
dat een snelheid van 100 km per uur, tot waaraan verdachte met gedimd licht rijdend zijn auto had opgetrokken, naar de ervaring leert en door de onder de bewijsmiddelen opgenomen inhoud van het proces-verbaal nummer 2681 wordt bevestigd, veel te hoog was om verdachte een redelijke mogelijkheid te bieden zijn auto, bij waarneming van de geen achterlicht voerende brommer in zijn lichtbundel, nog tijdig en genoegzaam achter dat obstakel af te remmen;
dat die hoge snelheid klaarblijkelijk ook heeft meegebracht dat verdachte er niet in is geslaagd voor de voor hem opdoemende bromfiets tijdig en voldoende naar links uit te wijken, waartoe op zichzelf genomen de rijbaan voldoende ruimte bood, een manoeuvre die een over normale rijvaardigheid beschikkende automobilist, rijdende met de snelheid en het zicht van verdachte, ook geenszins bij voorbaat mag vertrouwen tot een goed einde te zullen kunnen brengen;
dat derhalve, nu bovendien - mede gelet op de afstand waarover de auto de bromfiets heeft voorgesleept duidelijk is dat verdachtes auto met grote snelheid en kracht tegen de bromfiets en/of de berijders ervan is aangebotst, het onderhavig ongeval en de rampzalige gevolgen ervan mede aan grove onvoorzichtigheid, te weten schuld in de zin van artikel 36 Wegenverkeerswet van verdachte moet worden geweten;".
Het middel, waarmee deze overwegingen worden bestreden verdient hier met zijn toelichting te worden weergegeven. Het luidt:
"Schending van het Recht en/of verzuim van vormen waarvan de niet-inachtneming nietigheid met zich meebrengt, inzonderheid van de rechtsregels neergelegd in de artikelen 14a, 14b, 23, 57 Wetboek van Strafrecht, 36, 38, 39 Wegenverkeerswet en 350, 351, 358 Wetboek van Strafvordering:
doordat het Hof ten onrechte het primair ten laste gelegde bewezen heeft verklaard, overwegende dat het onderhavige ongeval en de gevolgen ervan, mede aan de grove onvoorzichtigheid, te weten schuld in de zin van artikel 36 Wegenverkeerswet, van verdachte moet worden geweten, terwijl zulks niet uit de bewijsmiddelen kan worden afgeleid.
Toelichting:
Het Hof acht de schuld van requirant, omschreven als grove onvoorzichtigheid, bewezen.
Deze grove onvoorzichtigheid leidt het Hof af niet uit de bewezen verklaarde feiten, maar uit het in de tiende rechtsoverweging gestelde imperatief, dat "verdachte onder voormelde omstandigheden rekening had te houden zowel met de mogelijkheid dat zich - gewoonlijk geen verlichting voerende - voetgangers en/of onverlichte stilstaande dan wel zich langzaam voortbewegende objecten, waaronder een al dan niet buiten schuld van de betrokken bestuurder geen achterlicht voerende bromfiets, op de door hem gevolgde rijbaan zouden bevinden ..... "
Immers gezien tegen de achtergrond van dit imperatief, oordeelt het Hof, dat de snelheid waarmee requirant reed te hoog was om tijdig te kunnen remmen bij het aantreffen van de geen achterlicht voerende bromfiets en dat die snelheid er de oorzaak van was, dat requirant niet voldoende naar links is uitgeweken bij het inhalen van die bromfiets. Zowel in de tenlastelegging als in de bewezenverklaring wordt de aan requirant verweten grove onvoorzichtigheid aangeduid met de delictsomschrijving van de overtredingen van artikel 36 R.V. V. en 49 R.V.V. , die worden samengevat tot één verwijt: requirant reed met een snelheid van 100 km per uur.
Uit de tiende rechtsoverweging, in onderlinge samenhang met de verklaring van de getuigen blijkt, dat het Hof requirant verwijt, dat hij niet ongeveer 60 a 65 km per uur reed in plaats van 100 km per uur.
In het procesverbaal van de (Rijks)politie te Alkmaar, inlegvel 2, wordt de Oosterterpweg waar het onderhavige ongeval plaatsvond beschreven, met als conclusie:
Het wegdek verkeert in zo een goede conditie, dat men hierop gemakkelijk hoge tot zeer hoge snelheid rijdt. Hieruit is af te leiden, dat requirant deze weg bereden heeft met een snelheid, die voor die goede, kaarsrechte weg, waarvoor geen snelheidsbeperking geldt, niet onvoorzichtig kan worden genoemd.
Het snelheidsverwijt van het Hof treft requirant danook alleen in samenhang met het eerder omschreven door het Hof gestelde imperatief.
Requirant kan meegaan met de aan dat imperatief ten grondslag liggende gedachte, dat men als verkeersdeelnemer rekening heeft te houden met verkeersfouten van mede-weggebruikers, doch slechts in zoverre, dat slechts rekening gehouden moet worden met "normale" verkeersfouten. Requirant acht het rijden op een geheel onverlichte bromfiets buiten de bebouwde kom op een onverlichte weg waar gewoonlijk met hoge tot zeer hoge snelheid door auto's wordt gereden een handelen met totale minachting van eigen en andermans veiligheid, alsmede in strijd met ieder elementair verkeersfatsoen en derhalve een verkeersfout, die zo abnormaal is, dat daarmee door mede-weggebruikers niet behoeft te worden gerekend.".
Naar mijn mening komt het in deze zaak zich voordoende probleem hierop neer: Dat de bromfietser van zijn kant grof onvoorzichtig handelde lijdt geen twijfel. Anderzijds zou de schuld van de requirant vaststaan indien hij een voetganger - die dus niet verplicht was verlichting te voeren - zou hebben aangereden. Met andere woorden: zijn handelwijze dimmen, maar geen snelheid verminderen, was onder de gegeven omstandigheden grof onvoorzichtig met het oog op de mogelijkheid dat hij niet een mens zou kunnen ontwijken, die zich zonder verlichting op de weg mocht bevinden. Nu moet naar mijn mening worden aangenomen dat een noodlottig verloop van zaken dan niet aan iemands schuld te wijten is, indien het een ander is dan met het oog waarop de handeling onvoorzichtig moet worden genoemd. Zie Noyon, 6e dr., aant. 3 bij art. 158; Van Eck, Causaliteit, Deel II, blz. 219 - 224 en de daar geciteerden, Maurach I 4e dr.,
blz. 338 e.v. In het licht echter van deze theorie is het dunkt mij duidelijk dat we hier met een grensgeval te doen hebben. Had requirant het geluk gehad dat zich op de weg geen voetganger en evenmin de bromfietser bevond, dan zou hij slechts schuldig zijn geweest aan de subsidiair telastegelegde overtreding, overigens in een ernstige vorm. Nu had hij inderdaad het geluk dat geen voetganger aanwezig was maar tevens het ongeluk van de aanwezigheid van de geen licht voerende bromfietser. Diens aanwezigheid echter was, dunkt mij, zoiets abnormaals dat hij daarmee geen rekening behoefde te houden, dus niet met het oog daarop voorzichtiger behoorde te rijden. Ik zou daarom menen dat hij aan het hun overkomen onheil niet "schuld" had in de zin van artikel 36 Wegenverkeerswet, althans dat die schuld niet uit de door het Hof vermelde bewijsmiddelen kon worden afgeleid.
Mitsdien concludeer ik dat Uw Raad het arrest waarvan beroep vernietige en de zaak verwijze naar een aangrenzend Hof teneinde haar op het bestaande hoger beroep opnieuw te berechten en af te doen.
De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden,