15 maart 1978.
nr. 18.315
DG.
De Hoge Raad der Nederlanden,
Gezien het beroepschrift in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 21 oktober 1976 betreffende de aan [X], thans wonende te [Z] in Spanje, opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting voor het jaar 1972;
Gezien de conclusie van de Advocaat-Generaal Van Soest strekkende tot verwerping van het beroep; Gezien de stukken;
Overwegende dat belanghebbende, aan wie voor het jaar 1972 een aanslag in de inkomstenbelasting is opgelegd naar een belastbaar inkomen van f 95.809, -- , na vergeefs bezwaar bij de Inspecteur van diens uitspraak in beroep is gekomen bij het Gerechtshof;
Overwegende dat het Hof als tussen partijen vaststaande heeft aangemerkt:
"Op 27 september 1972 kocht belanghebbende via de Algemene Bank Nederland N.V. (de bank) de volgende obligaties:
Aan lopende rente werd een bedrag van f 13.511,11 meegekocht.
Blijkens het rekening-courantoverzicht van belanghebbende met de bank was belanghebbendes creditsaldo op 27 september 1972 f 37.000, --. Valutadatum 27 september 1972 werd belanghebbendes rekening-courant gedebiteerd voor de totale aanschaffingskosten der genoemde obligaties en de meegekochte rente is totaal f 229.488,77 alsmede ter zake van voorlopig vooruit in rekening gebrachte rente over drie maanden van 7% over f 200.000, -- is f 3.500, --. Ten gevolge van deze debiteringen wees belanghebbendes rekening-courant een debetsaldo aan van f 195.988,77.
Valutadatum 28 september 1972 stortte belanghebbende f 25.000, -- waarna zijn debetsaldo bedroeg f 170.988,77. Valutadatum 24 januari 1973 werd de vooruit in rekening gebrachte rente ad f 3.500, -- teruggeboekt en valutadatum 1 februari 1973 werd belanghebbende voor de werkelijk verschuldigde rente ad f 2.667,27 gedebiteerd.
Blijkens het genoemde rekening-courantoverzicht berekende de bank omstreeks die tijd over debetsaldi 7% rente.
In het einde van de week, beginnende met 1 oktober 1972, vertrok belanghebbende met zijn vrouw metterwoon naar [Z], Spanje, alwaar beiden per 11 oktober als inwoner werden geregistreerd.
Belanghebbendes debetsaldo in rekening-courant vlak voor zijn vertrek was eerder genoemd bedrag van f 170.988,77.
Op 27 november 1972 verkocht belanghebbende de f 100.000,- 8% Nederland 1969 die f 104.360, -- opbrachten. Ter zitting is komen vast te staan dat de Inspecteur ten onrechte in zijn vertoogschrift heeft gesteld dat op dezelfde dag de f 100.000, -- nominaal Bank Nederlandse Gemeenten 1969 zijn verkocht. Deze obligaties zijn verkocht in 1974. Voor het netto provenu ad f 96.946,35 is belanghebbende op 29 januari 1974 in rekening-courant met de bank gecrediteerd. Onmiddellijk voor deze creditering stond hij debet voor f 62.278,95.
Per 22 september 1972 had belanghebbende zijn onderneming verkocht aan zijn zoon. Belanghebbende is geboren op 25 december 1908. Zijn vermogen bestond op 1 januari 1972 onder andere uit effecten ad f 102.382, -- , bedrijfsvermogen ad f 102.200, -- , banktegoeden ad f 13.657, -- , kasgeld ad f 6.500, -- , voer- en vaartuigen ad f 20.000, -- en een vordering ad f 40.752, --. Na aftrek van schulden bedroeg het vermogen in volle eigendom f 232.186, --. Een belangrijk argument om eerdergenoemde obligaties te kopen lag mede in het toen bestaande zogenaamde -O-gulden circuit. Rond de tijd van belanghebbendes emigratie was het aan niet Nederlands ingezetenen slechts beperkt toegestaan Nederlandse obligaties te kopen. Men kon die obligaties slechts kopen met zogenaamde -0-guldens. Dit waren guldens die vrij kwamen bij de verkoop door andere niet-ingezetenen van Nederlandse obligaties. Door de vraag naar deze guldens deden zij een agio ten opzichte van de "gewone gulden". De koers varieerde tussen 1 juli 1972 en 1 juli 1973 tussen 1.01 en 1.072. Wanneer men tijdens het Nederlandse ingezetenschap Nederlandse obligaties kocht en daarna emigreerde werd door de grensoverschrijding het pakket obligaties meer waard aangezien de nominale guldenswaarde een -0-guldenswaarde werd.
Dat tussen partijen uitsluitend in geschil is of de met de obligaties meegekochte rente ad f 13.511, -- terecht ten laste van belanghebbendes binnenlands belastbaar inkomen is gebracht zoals belanghebbende stelt en de Inspecteur betwist; ";
Overwegende dat het Hof de standpunten van partijen als volgt heeft weergegeven:
"dat belanghebbende voor zijn opvatting heeft aangevoerd, zakelijk weergegeven:
1. Het houden van obligaties zal, gezien het karakter daarvan, vrijwel altijd een bron van inkomen vormen. Een obligatie is immers een langlopende schuld met een gelijkmatige jaarlijkse opbrengst. Het feit dat de financiering van de aankoop gedeeltelijk met geleend geld geschiedde doet hieraan geen afbreuk. Het is niet ongebruikelijk beleggingen tijdelijk te financieren. De vermogenspositie van belanghebbende stelde hem bovendien in staat om het gedeelte van de financiering met geleend geld vrij snel grotendeels om te zetten in een financiering met eigen vermogen.
2. Belanghebbende mocht ten tijde, waarop hij de obligaties kocht, redelijkerwijs verwachten dat hij door verkoop van de obligaties de daaruit vrijkomende -0-guldens met winst zou kunnen verkopen.
3. Het negatief rendement dat de Inspecteur over 1972 berekent op f 178, -- is in werkelijkheid positief als ook 1973 mede in aanmerking wordt genomen. De opbrengst over 1973 bedroeg f 8.000, -- , de debetrente over 1973 was f 7.638,78, derhalve over 1973 een voordeel van f 361,22. Per saldo resteerde dus een voordeel van f 183,22.
dat de Inspecteur heeft aangevoerd, zakelijk weergegeven:
De obligaties zijn niet gekocht ter belegging aangezien er geen vermogen te beleggen was en de aankoop geheel met bankkrediet is gefinancierd.
De obligaties zijn kennelijk slechts gekocht om een tweetal incidentele voordelen te behalen, te weten:
1. een éénmalig fiscaal voordeel door het scheppen van een rente-aftrekpost.
2. een éénmalig voordeel door bij verkoop van de obligaties in het buitenland zogenaamde -0-guldens te verwerven, die meer waard zijn dan de guldens waarmee de aankoop werd gefinancierd.
ad 1. de aftrek van meegekochte rente mag alleen worden gezien in onmiddellijke samenhang met de belastbaarheid van de rente, wanneer de coupons vervallen. Nu de coupons in casu eerst na de emigratie vervallen en de rente dus buiten het bereik van de Nederlandse fiscus blijft, kan als complement de vóór de emigratie betaalde rente niet worden afgetrokken (Vergelijk arrest Hoge Raad 15 juni 1966, B.N.B. 201).
ad 2. Het -0-gulden voordeel ligt geheel in de vermogenssfeer en dus buiten de inkomenssfeer. De kosten tot verwerving van dit voordeel, inclusief de meegekochte rente, liggen dus eveneens in de vermogenssfeer en zijn voor de bepaling van het belastbare inkomen irrelevant.";
Overwegende dat het Hof omtrent het geschil heeft overwogen:
"dat in het algemeen obligaties belastbare voordelen opleveren tenzij ten tijde van haar verkrijging redelijkerwijs valt te verwachten dat de lasten, waaronder die tot financiering van de aankoopprijs, de opbrengsten blijvend zullen overtreffen;
dat de Inspecteur - op wie in deze de bewijslast rust - aan het Hof niet voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat laatstgenoemde situatie zich in het onderhavige geval heeft voorgedaan;
dat integendeel uit de vaststaande feiten, dat belanghebbende niet de gehele aankoopprijs met bankkrediet heeft gefinancierd en dat de bank hem over zijn debetsaldo een rente van 7% in rekening bracht en het effectieve rendement op de obligaties 7,4% (totale investering exclusief lopende rente afgerond f 216.000, -- , couponrente 8%) beliep, de conclusie kan worden getrokken dat de onderhavige obligaties, rekening houdend met de rente over het deel van de aankoopprijs dat met bankkrediet was gefinancierd, belastbare voordelen zouden opleveren;
dat het standpunt van de Inspecteur, dat de litigieuze kosten niet ten laste van het binnenlands inkomen van belanghebbende kunnen worden gebracht aangezien de daartegenover staande opbrengsten niet in Nederland kunnen worden belast, geen steun vindt in enig wetsvoorschrift noch in het systeem der wet, zodat dit moet worden verworpen; ";
Overwegende dat het Hof op deze gronden de uitspraak van de Inspecteur heeft vernietigd en de aanslag heeft verminderd tot een, berekend naar een belastbaar inkomen van f 82.298, --;
Overwegende dat de Staatssecretaris van Financiën het volgende middel van cassatie heeft voorgesteld:
"Schending van het Nederlandse recht met name van artikel 35 van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 doordat het Hof heeft beslist dat belanghebbende de bij de aankoop van nominaal f 200.000, -- obligaties meegekochte rente ad f 13.511,11 als aftrekbare kosten in mindering mag brengen op zijn overige inkomen, zulks ten onrechte aangezien vaststaat dat gedurende de binnenlandse belastingplicht van belanghebbende geen positieve opbrengst kon worden verwacht en evenmin werd beoogd. ";
Overwegende dat dit middel is toegelicht als volgt:
"Belanghebbende vestigde zich 11 oktober 1972 metterwoon in Spanje, waardoor aan zijn binnenlandse belastingplicht voor de inkomstenbelasting een einde kwam. Op 27 september 1972 kocht belanghebbende nominaal f 100.000, -- 8%-obligaties B.N.G. en nominaal f 100.000, -- 8%-obligaties Nederland. In de koopprijs was f 13.511, 11 rente begrepen welk bedrag door belanghebbende als aftrekbare kosten ter zake van de inkomsten uit vermogen werd aangemerkt. Het Hof heeft zich met de opvatting van belanghebbende verenigd en het bedrag ten laste van het inkomen gebracht. Het Hof spreekt ten onrechte over het binnenlands inkomen van belanghebbende. Het gaat om het inkomen van belanghebbende als binnenlands belastingplichtige.
De beslissing van het Hof is niet juist. Toen belanghebbende vlak voor zijn vertrek naar Spanje de obligaties met de lopende rente kocht, stond vast dat de obligaties tijdens zijn binnenlandse belastingplicht geen positieve opbrengst meer konden opleveren, terwijl eveneens vaststaat dat belanghebbende dit ook niet beoogde. Integendeel, hij beoogde te bereiken dat de meegekochte rente als aftrekbare kosten werd aangemerkt en dat de door hem te ontvangen rente - bij eventuele verkoop van de obligaties dan wel op coupondatum - zou worden genoten na zijn vertrek uit Nederland waardoor de rente niet meer door de Nederlandse inkomstenbelasting zou kunnen worden getroffen.
Voor deze opvatting is steun te vinden in de arresten van de Hoge Raad van 11 januari 1961, B.N.B. 1961/86, van 15 juni 1966, B.N.B. 1966/201, en van 5 juni 1974, B.N.B. 1974/184. ";
Overwegende dienaangaande:
dat noch artikel 35 van de Wet op de inkomstenbelasting 1964, noch enige andere bepaling van die wet steun biedt aan de stelling van het middel dat de omstandigheid, dat vaststaat dat gedurende de binnenlandse belastingplicht van belanghebbende geen positieve opbrengst van de aangekochte obligaties kon worden verwacht en evenmin werd beoogd, in de weg zou staan aan de aftrek van het bedrag van de bij de aankoop van die obligaties meegekochte rente;
dat het middel mitsdien ongegrond is;
Verwerpt het beroep.
Gedaan bij de Heren Telders, Vice-President, Reynders, Martens, Van Vucht en Jansen, Raden, en door de Vice-President voornoemd uitgesproken ter Raadkamer van de vijftiende maart 1900 acht en zeventig, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier Pieters.