ECLI:NL:HR:1981:AG4183

ECLI:NL:HR:1981:AG4183, Hoge Raad, 24-04-1981, 5479

Instantie Hoge Raad
Datum uitspraak 24-04-1981
Datum publicatie 09-01-2026
Zaaknummer 5479
Rechtsgebied Civiel recht
Procedure Cassatie
Zittingsplaats Den Haag
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:PHR:1981:AG4183
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Verwijst naar 1 zaken
Aangehaald door 5 zaken

Verwijst naar

Aangehaald door

Samenvatting

Motiveringsgebrek.

Uitspraak

24 april 1981

Req. nr . 5479

M.d. W.

De Hoge Raad der Nederlanden,

Gezien het verzoekschrift van [de vrouw] (hierna te noemen de vrouw), wonende te [woonplaats], vertegenwoordigd door Mr. P.S. Kamminga, advocaat bij de Hoge Raad, welk verzoekschrift strekt tot vernietiging van een beschikking van het Gerechtshof te Arnhem van 10 juni 1980, gegeven tussen de vrouw en [de man] (hierna te noemen de man) , wonende te [woonplaats] , en tot verlening van verlof aan de vrouw tot kosteloos procederen ;

Gezien het verweerschrift van de man, te dezen kosteloos procederende ingevolge na te melden beschikking van de Rechtbank te Arnhem van 27 december 1979, vertegenwoordigd door Mr. E. van Staden ten Brink, eveneens advocaat bij de Hoge Raad, bij welk verweerschrift de man tevens voorwaardelijk incidenteel beroep in cassatie tegen voormelde beschikking van het Hof heeft ingesteld;

Gezien het tegen dat beroep ingediende verweerschrift van de vrouw ;

Gelet op de conclusie van de Advocaat-Generaal Mok strekkende tot verwerping van het principale cassatieberoep;

Gezien de bestreden beschikking en de overige stukken, waaruit blijkt, voor zover in cassatie van belang:

Bij vonnis van de Arrondissementsrechtbank te Arnhem van 16 juni 1977 is tussen partijen echtscheiding uitgesproken en is bepaald dat de man als bijdrage in de kosten van het levensonderhoud van de vrouw aan haar zal uitkeren f 900, -- per maand, welk bedrag nadien ingevolge de wettelijke indexering is verhoogd.

Bij verzoekschrift, op 20 september 1979 tot genoemde Rechtbank gericht, heeft de man verzocht de vastgestelde alimentatie te verlagen tot f 600, -- per maand. Na verweer van de vrouw heeft de Rechtbank bij beschikking van 27 december 1979 de alimentatie verlaagd tot f 900, -- per maand, daartoe overwegende:

"Ten aanzien van de man:

Hij is op [geboortedatum] 1918 geboren. Sinds 1949 krijgt hij een pensioen van het Ministerie van Defensie, dat hem thans f 936,95 netto per maand oplevert. Vanaf juli 1978 heeft hij daarnaast een A.B.P .- pensioen, nadat hij laatstelijk in dienst van het Zuiveringschap Oostelijk-Gelderland had gewerkt. Dit pensioen bedraagt thans netto f 1.612,47 per maand. In verband met de cumulatie van beide pensioenen moet de man nog inkomstenbelasting betalen. Sinds de laatste pensionering geniet de man niet meer de autokostenvergoeding (van f 0,34 à f 0,28 per kilometer) en evenmin de telefoonkostenvergoeding, die hij voorheen wel had. Aan huur betaalt hij f 164,90 per maand. Voor zijn ziektekostenverzekering betaalt hij f 70,79 per maand.

Ten aanzien van de vrouw:

Zij is geboren op [geboortedatum] 1926. Evenals ten tijde van de beschikking van het Gerechtshof van 29 maart 1977 - waarnaar wordt verwezen in het vonnis waarvan thans wijziging wordt gevraagd - helpt zij bij wijze van vriendendienst in een café annex slijterij. Aan huur betaalt zij f 322, -- per maand en voor haar ziektekostenverzekering f 117, -- per maand. De Rechtbank leidt uit het voorgaande af, dat de man - gelet op zijn draagkracht - nog wel in staat zou zijn de vastgestelde alimentatie te blijven voldoen. Daartegenover staat evenwel dat redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de vrouw zich voor haar werkzaamheden enige verdiensten kan verwerven, zodat moet worden geoordeeld dat de behoefte van de vrouw aan alimentatie niet verder reikt dan f 900, -- per maand. Op dat bedrag zal de alimentatie dan ook worden vastgesteld. ".

Tegen deze beschikking heeft de vrouw zich in hoger beroep voorzien bij voormeld Hof. De eerste twee door haar tegen die beschikking aangevoerde grieven luiden als volgt:

"I : ten onrechte heeft de Rechtbank overwogen dat redelijkerwijze moet worden aangenomen dat de vrouw zich voor haar werkzaamheden enige verdiensten kan verwerven, zodat moet worden geoordeeld dat de behoefte van de vrouw aan alimentatie niet verder reikt dan f 900, -- per maand;

II: ten onrechte heeft de Rechtbank het vonnis van 16 juni 1977 gewijzigd in die zin dat de door de man te betalen alimentatie met ingang van 1 december 1979 nader wordt gesteld op f 900, -- per maand. ".

De vrouw heeft die grieven in haar appelrequest als volgt toegelicht:

"De Rechtbank is destijds (16 juni 1977) bij de bepaling van de door de man verschuldigde alimentatie uitgegaan van hetgeen het Hof bij beschikking van 29 maart 1977 met betrekking tot de feitelijke en financiële situatie van partijen heeft overwogen.

Het Hof is destijds (29 maart 1977) bij de bepaling van de alimentatie er van uitgegaan dat "redelijkerwijze aan te nemen is dat de vrouw zich voor haar werkzaamheden enige verdiensten kan verwerven".

Nu de Rechtbank terecht heeft overwogen dat de man, gelet op zijn draagkracht, nog wel in staat zou zijn de vastgestelde alimentatie te blijven voldoen, had het verzoek tot verlaging van die alimentatie afgewezen moeten worden, daar bij de vaststelling van die alimentatie reeds was overwogen dat de vrouw zich voor haar werkzaamheden enige bijverdiensten kan verwerven.".

De man heeft de grieven van de vrouw bestreden en incidenteel hoger beroep tegen de beschikking van de Rechtbank ingesteld, hetwelk door de vrouw is bestreden.

Bij zijn voormelde beschikking van 10 juni 1980 heeft het Hof, zowel in het principaal als in het incidenteel appel, de beschikking van de Rechtbank bekrachtigd, daartoe overwegende:

"Uit de stukken en bij de behandeling ter zitting van het Hof is voorts gebleken:

De vrouw woont te Arnhem en betaalt aan huur f 344,95 per maand. Voor haar ziektekostenverzekering betaalt zij f 135, -- per maand. Zij helpt bij wijze van vriendendienst in Café-Slijterij "Slag", te [woonplaats] als kelnerin. Uit deze werkzaamheden verkrijgt zij volgens haar opgave geen inkomsten. Zij is thans 54 jaar.

De man ontvangt sinds 1949 een pensioen van het Ministerie van Defensie. Dit pensioen bedraagt thans netto f 936,95 per maand. Daarnaast ontvangt hij een A.B. P. - pensioen vanaf juli 1978, welk pensioen in december 1979 netto f 1.612,47 per maand bedroeg. De man dient inkomstenbelasting te betalen in verband met de cumulatie van beide pensioenen.

De man woont te [woonplaats]. In december 1979 betaalde de man aan huur f 164,90 per maand en voor zijn ziektekostenverzekering f 70.90 per maand. Sedert juli 1978 ontvangt de man geen onkostenvergoeding meer voor zijn auto en telefoon.

Uitgaande van vorenstaande gegevens oordeelt het Hof dat de Rechtbank bij de beschikking, waarvan beroep, terecht en op juiste gronden de door de man te betalen alimentatie met ingang van 1 december 1979 nader heeft bepaald op f 900, -- per maand.";

Overwegende dat de vrouw 's Hofs beschikking bestrijdt met het volgende middel van cassatie:

"Schending van het recht en/of verzuim van op straffe van nietigheid in acht te nemen vormen doordat het Hof op de daarvoor in de beschikking waarvan beroep gegeven gronden, heeft overwogen en beslist zoals in de beschikking waarvan beroep is vermeld, zulks ten onrechte om een of meer van de hierna te noemen, ook in onderling verband te beschouwen, redenen.

a) Het Hof heeft de beschikking van de Rechtbank te Arnhem van 27 december 1979 bekrachtigd, na overwogen te hebben:

"Uitgaande van vorenstaande gegevens oordeelt het Hof dat de Rechtbank bij de beschikking, waarvan beroep, terecht en op juiste gronden de door de man te betalen alimentatie met ingang van 1 december 1979 nader heeft bepaald op f 900, -- per maand".

Daarmede heeft het Hof haar beschikking (mede) doen baseren, en berust de beschikking (mede), op de in de beschikking van de Rechtbank vervatte overweging:

"De Rechtbank leidt uit het voorgaande af, dat de man - gelet op zijn draagkracht - nog wel in staat zou zijn de vastgestelde alimentatie te blijven voldoen. Daartegenover staat evenwel dat redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de vrouw zich voor haar werkzaamheden enige verdiensten kan verwerven, zodat moet worden geoordeeld dat de behoefte van de vrouw aan alimentatie niet verder reikt dan f 900, -- per maand. Op dat bedrag zal de alimentatie dan ook worden vastgesteld":

Ten onrechte, en in strijd met het recht, heeft het Hof aldus, bij de beoordeling van het door de man ingediend verzoek tot wijziging van het vonnis van de Rechtbank te Arnhem van 16 juni 1977 en de daarbij bepaalde alimentatiebijdrage, niet rekening gehouden en beslist in overeenstemming met het bepaalde in de artikelen 397 lid 1 en 401 van het Burgerlijk Wetboek, nu het Hof daarmede aan zijn oordeelsvorming tot wijziging van de bijdrage (uitsluitend) een omstandigheid ten grondslag legt welke reeds bij de vaststelling van de alimentatiebijdrage, bij het vonnis waarvan wijziging verzocht is, bestond en ook de grondslag vormde voor die vaststelling van de alimentatiebijdrage, zodat van wijziging van omstandigheden en derhalve van de bijdrage, niet goed sprake kan zijn.

In elk geval is de beschikking van het Hof, voor zover berustend op de eerdergenoemde grond, niet begrijpelijk en derhalve niet voldoende met redenen omkleed.

b) Het Hof heeft geen, althans geen gemotiveerde, beslissing gegeven op de door de vrouw tegen de beschikking van de Rechtbank aangevoerde eerste en tweede appelgrief, zoals uitgewerkt in de toelichting, dat de Rechtbank in de bestreden beschikking ten onrechte heeft overwogen dat redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de vrouw zich voor haar werkzaamheden enige verdiensten kan verwerven, zodat moet worden aangenomen dat de behoefte van de vrouw aan alimentatie niet verder reikt dan f 900, -- per maand, en op grond van deze overweging het vonnis van 16 juni 1977 gewijzigd.

De beschikking van het Hof is dientengevolge niet naar de eis der Wet (voldoende) met redenen omkleed. Uitwerking en toelichting:

In het vonnis van 16 juni 1977 heeft de Rechtbank te Arnhem de vaststelling van de hoogte van de alimentatiebijdrage ten bedrage van f 900, -- doen berusten op de overwegingen zoals vervat in de beschikking van het Gerechtshof te Arnhem van 29 maart 1977. De overweging te dezen van belang in bedoelde beschikking was:

"Overwegende dat het Hof, vorenstaande financiële omstandigheden van partijen in aanmerking genomen, de draagkracht van de man zodanig oordeelt dat van hem kan worden gevergd dat hij voor de duur van het tussen partijen aanhangige echtscheidingsgeding voor het levensonderhoud van de vrouw f 900, -- per maand betaalt, waarbij het Hof er van uitgaat dat redelijkerwijs aan te nemen is dat de vrouw zich voor haar werkzaamheden enige verdiensten kan verwerven en mede in aanmerking neemt dat de door de man opgegeven autokosten te hoog zijn opgevoerd, nu bij zijn opgaaf geen rekening is gehouden met voormelde kilometervergoedingen".

Bij vaststelling van de alimentatie is derhalve rekening gehouden met de - alimentatieverminderende - omstandigheid dat de vrouw zich voor haar werkzaamheden enige verdiensten kan verwerven.

Nu Rechtbank, en Hof, in de wijzigingsbeschikkingen oordelen dat de man wel voldoende draagkracht heeft om de vigerende alimentatie te betalen, berust de wijziging van de alimentatie uitsluitend op de omstandigheid dat redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de vrouw zich voor haar werkzaamheden enige verdiensten kan verwerven.

Deze omstandigheid was juist reeds betrokken bij de vaststelling van de alimentatie in het echtscheidingsvonnis.

De vrouw heeft haar grieven tegen de beschikking van de Rechtbank juist gericht tegen bedoelde overweging van de Rechtbank. Door het Hof is niet - uitdrukkelijk - aandacht geschonken aan deze grieven."

Overwegende dat de man zijn incidentele cassatieberoep heeft ingesteld onder de voorwaarde dat de Hoge Raad 's Hofs beschikking in het principale beroep vernietigt, en tegen die beschikking het volgende middel van cassatie heeft voorgesteld:

"Schending van het recht en/of verzuim van op straffe van nietigheid in acht te nemen vormen, nu het Hof op de in de beschikking a quo weergegeven gronden heeft overwogen en beslist, als in het - hier evenzeer als herhaald en ingelast te beschouwen - dictum van de beschikking a quo is vermeld, zulks ten onrechte om één of meer van de navolgende, zo nodig in onderling verband en samenhang te beschouwen redenen:

a. de man heeft, bij incidenteel appelrequest, aangevoerd dat de vrouw, "een gezonde vrouw, zonder kinderen is" en "tot werken best in staat"; dat zij - geruime tijd na de echtscheidingsprocedure - "als zij wilde, de noodzakelijke maatregelen had kunnen nemen om zich (meer) werk te verschaffen"; dat zij "tenslotte ook over voldoende energie beschikte om tijdens de Carnavalsviering als Carnavalsprinses op te treden"; dat zij "reeds in grotere mate dan zij in rechte wenst te onthullen in eigen onderhoud voorzag door bij kennissen in de slijterij te werken".

Het Hof had op het aldus in incidenteel appel door de man aangevoerde, behelzende dat de vrouw feitelijk meer werkte en verdiensten genoot dan destijds, en dat zij in ieder geval in staat was meer te werken en meer te verdienen dan destijds, acht moeten slaan, naar het aldus gestelde: een onderzoek moeten instellen en in ieder geval hierover naar de eis der wet gemotiveerde beslissing moeten geven; door zulks niet te doen heeft het Hof zijn taak als appelrechter miskend en in ieder geval zijn beschikking niet naar de eis der wet met redenen omkleed."

b. de man heeft, bij incidenteel appelrequest, aangevoerd, dat een alimentatie van meer dan f 600, -- per maand een te grote portie van zijn inkomen is, "temeer indien men bedenkt dat zijn gehele militaire pensioen, op een minuscuul deel na, voor zijn huwelijk is opgebouwd".

Aldus legde de man aan zijn verzoek in appel de alimentatie op een lager bedrag te bepalen een niet financiële factor ten grondslag, dat wil zeggen een factor, niet ontleend aan draagkracht van de alimentatieplichtige enerzijds en behoefte van de alimentatiegerechtigde anderzijds. Dat mag bij de bepaling van de alimentatie die na ontbinding huwelijk door de ene echtgenoot aan de andere moet worden betaald is de Rechter vrij ook niet-financiële factoren te laten meewegen.

Het Hof heeft hier echter in het geheel geen - uit de beschikking a quo kenbare - aandacht aan besteed; het Hof overweegt immers dat de Rechtbank terecht en op juiste gronden de alimentatie per 1 december 1979 nader heeft bepaald op f 900, -- per maand en de gronden van de Rechtbank waren de aan draagkracht en behoefte ontleende gronden en niet de onderhavige, niet-financiële factor (dat kon ook niet, want dit punt was nieuw en bij de Rechtbank niet aangevoerd) .

Het Hof had op het aldus in incidenteel appel door de man aangevoerde acht moeten slaan, naar het aldus gestelde een onderzoek moeten instellen en in ieder geval hierover een gemotiveerde beslissing moeten geven; door zulks niet te doen heeft het Hof zijn taak als appelrechter miskend en in ieder geval zijn beschikking niet naar de eisen der wet met redenen omkleed. ";

Overwegende omtrent het principale cassatieberoep:

1. Bij de in haar vonnis van 16 juni 1977 vervatte vaststelling van de door de man aan de vrouw uit te keren alimentatie is de Rechtbank ervan uitgegaan "dat redelijkerwijs is aan te nemen dat de vrouw zich voor haar werkzaamheden enige verdiensten kan verwerven".

2. De in haar beschikking van 27 december 1979 vervatte beslissing tot verlaging van die alimentatie heeft de Rechtbank doen steunen op de overweging "dat redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de vrouw zich voor haar werkzaamheden enige verdiensten kan verwerven".

3. De door de vrouw in het principaal hoger beroep tegen die beschikking aangevoerde grieven I en II kunnen, beschouwd in onderlinge samenhang en tegen de achtergrond van hetgeen de vrouw ter toelichting van die grieven in haar appelrekest heeft betoogd, bezwaarlijk anders worden verstaan dan als behelzende de klacht dat de Rechtbank niet tot een verlaging van de alimentatie had kunnen komen, nu er geen relevante gewijzigde omstandigheden waren.

4. Nu het Hof heeft nagelaten aan te geven waarom deze klacht geen doel treft, geeft zijn beschikking onvoldoende inzicht in de gedachtengang welke het Hof heeft geleid tot zijn oordeel dat de Rechtbank de alimentatie "terecht en op juiste gronden" heeft verlaagd. Derhalve is die beschikking in zoverre niet naar de eis der wet met redenen omkleed, zodat het middel onder b terecht is voorgesteld en voor het overige geen behandeling behoeft;

Overwegende omtrent het incidentele cassatieberoep, hetwelk aan de orde komt, nu de bestreden beschikking blijkens het vorenoverwogene niet in stand kan blijven:

5. Het Hof heeft in het door de man in het incidenteel hoger beroep aangevoerde klaarblijkelijk niet gelezen "dat de vrouw feitelijk meer werkte en verdiensten genoot dan destijds en dat zij in ieder geval in staat was meer te werken en meer te verdienen dan destijds". Derhalve mist het middel onder a feitelijke grondslag.

6. Onderdeel b treft evenmin doel. Het Hof heeft kennelijk geoordeeld dat de door de man in hoger beroep gestelde omstandigheid "dat zijn gehele militaire pensioen, op een minuscuul deel na, voor zijn huwelijk is opgebouwd", indien al juist, niet tot een verlaging van de alimentatie behoorde te leiden. Dit oordeel - waaruit niet van een onjuiste rechtsopvatting blijkt - behoefde geen nadere motivering;

Verwerpt het incidentele cassatieberoep;

Vernietigt op het principale beroep de bestreden beschikking;

Verwijst de zaak ter verdere behandeling en beslissing naar het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch;

Verleent de vrouw verlof in cassatie kosteloos te procederen.

Aldus gedaan door Mrs. Dubbink, President, Snijders, Royer, Martens en de Groot, Raden, en door de President voornoemd uitgesproken ter openbare terechtzitting van de vierentwintigste april 1900 eenentachtig, in tegenwoordigheid van de Advocaat-Generaal ten Kate.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl NJ 1981, 482 RvdW 1981, 68
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?