ECLI:NL:PHR:1981:AG4183

ECLI:NL:PHR:1981:AG4183, Parket bij de Hoge Raad, 02-02-1981, 5479

Instantie Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak 02-02-1981
Datum publicatie 09-01-2026
Zaaknummer 5479
Rechtsgebied Civiel recht
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:HR:1981:AG4183
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Verwijst naar 1 zaken
Aangehaald door 2 zaken

Verwijst naar

Aangehaald door

Samenvatting

Motiveringsgebrek.

Uitspraak

v.R.

Nr. 5479 Request.

Parket, 2 februari 1981.

Mr. Mok.

Conclusie inzake:

[de man]

tegen

[de vrouw].

Edelhoogachtbare heren,

1. De feiten en het procesverloop.

De rechtbank te Arnhem heeft bij vonnis van 16 juni 1977 tussen partijen echtscheiding uitgesproken. Daarbij heeft de rechtbank verweerder in cassatie (hierna te noemen; de man) veroordeeld om aan eiseres in cassatie (hierna te noemen: de vrouw) een alimentatie te betalen van f 900, -- per maand. Eerder had het gerechtshof te Arnhem bij wege van voorlopige voorziening reeds bepaald dat de man dit bedrag aan het levensonderhoud van de vrouw moest bijdragen.

In september 1979 heeft de man aan de rechtbank te Arnhem verzocht de alimentatie, die toen (door indexering) rond f 1030, -- per maand: bedroeg te verlagen tot f 600, -- per maand. Hij beriep zich daarbij enerzijds op zijn gewijzigde inkomenspositie, anderzijds op het feit dat de vrouw in staat zou zijn zich bijverdiensten te verwerven en dat ook daadwerkelijk deed.

De vrouw heeft zich verweerd door te stellen dat zich geen wijziging van omstandigheden had voorgedaan, zodat het verzoek zou moeten worden afgewezen.

De rechtbank heeft overwogen dat de draagkracht van de man nog wel voldoende was om de vastgestelde alimentatie te blijven betalen. Tevens heeft zij overwogen dat de behoefte van de vrouw, gezien haar mogelijkheid om zich voor werkzaamheden enige verdiensten te verwerven, niet verder reikt dan f 900, -- per maand. Op dat bedrag heeft zij de alimentatie vastgesteld, met de bepaling dat verhoging ten gevolge van wettelijke indexering niet eerder plaats zou vinden dan per 1 januari 1981. Tegen deze beschikking heeft de vrouw beroep ingesteld op grond van een redenering die er op neer kwam dat reeds bij de oorspronkelijke vaststelling van de alimentatie in 1977 het uitgangspunt was dat redelijkerwijze aan te nemen was, dat de vrouw zich voor haar werkzaamheden enige verdiensten kon verwerven. Er zou derhalve geen sprake zijn van wijziging van omstandigheden.

De man heeft zich hiertegen verweerd, aanvoerend dat de vrouw gezond, was, geen kinderen had en best tot werken in staat. Dit laatste zou mede blijken uit het feit dat ze als carnavalsprinses optrad. In dit verband heeft de man ook doen wijzen op het tijdsverloop sedert de echtscheidingsprocedure. Incidenteel heeft de man in hoger beroep, op grond van zijn eigen draagkracht, verzocht de alimentatie te verlagen tot f 600, -- per maand.

Het hof heeft de financiële situatie van beide partijen opnieuw onderzocht en op grond daarvan geoordeeld dat de rechtbank een juiste beschikking had gegeven.

Tegen de beschikking van het hof heeft de vrouw beroep in cassatie ingesteld op grond van een uit twee onderdelen bestaand middel. Zijnerzijds heeft de man voorwaardelijk incidenteel beroep in cassatie ingesteld op grond van een middel dat eveneens uit een tweetal onderdelen bestaat.

2. Het principaal voorgestelde middel.

Onderdeel a.

Het onderdeel richt zich tegen de overweging van de rechtbank, waarop het hof mede zijn beschikking heeft gebaseerd, volgens welke de vrouw zich door haar werkzaamheden enige verdiensten kan verwerven, zodat moet worden geoordeeld dat de behoefte van de vrouw aan alimentatie niet verder reikt dan f 900, -- per maand. Volgens het middel is dit in strijd met het recht, omdat het hof aan zijn oordeelsvorming een omstandigheid ten grondslag legt, die reeds bij de oorspronkelijke vaststelling van de alimentatie bekend was. In elk geval zou de beslissing van het hof op dit punt niet begrijpelijk, en derhalve onvoldoende, zijn gemotiveerd.

Ik merk allereerst op dat in dit geding de wijzigingsgronden, bedoeld in het tweede en het derde lid van artikel 401 boek 1 B.W. niet aan de orde zijn geweest; het gaat derhalve alleen om wijziging van omstandigheden, als bedoeld in het eerste lid van dat artikel. De beschikkingen van hof en rechtbank zijn op dit stuk niet zeer expliciet, maar uit het feit dat de rechtbank overwogen heeft dat zij is uitgegaan van recente gegevens, kan men afleiden dat zij van oordeel was dat er sprake was van wijziging van omstandigheden, en wel ten aanzien van de behoeften van de tot onderhoud gerechtigde. Volgens artikel 401; lid 1, juncto artikel 397, lid 1, boek 1 B.W. levert dit een grond op tot wijziging van de eerder vastgestelde alimentatie, zodat de bestreden beschikking naar mijn oordeel in zoverre niet in strijd met het recht is.

Vervolgens kom ik tot de motiveringsklacht. De feitelijke vaststelling waarop de bestreden beschikking steunt is die "dat redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de vrouw zich voor haar werkzaamheden enige verdiensten kan verwerven, zodat moet worden geoordeeld dat de behoefte van de vrouw aan alimentatie niet verder reikt dan f 900, -- per maand." De zinsnede "dat redelijkerwijs aan te nemen is dat de vrouw zich voor haar werkzaamheden enige verdiensten kan verwerven" komt ook al voor in de beschikking van het Arnhemse hof van 29 maart 1977 (voorlopige voorziening), waarop de oorspronkelijke vaststelling van de alimentatie bij het echtscheidingsvonnis steunt. De gelijkvormigheid van de beide formuleringen sluit wijziging van omstandigheden op zich zelf niet uit. Klaarblijkelijk was de rechtbank in december 1979 van oordeel dat de vrouw zich voor haar werkzaamheden toen meer inkomsten kon verwerven dan het geval was in maart 1977.

Een complicatie wordt gevormd door de omstandigheid dat de vrouw steeds heeft volgehouden dat zij haar werkzaamheden uitsluitend als vriendendienst verricht. De man heeft dit bestreden, maar in het bewijs dat de vrouw voor haar werk wel betaald wordt is hij niet geslaagd. Dit blijkt uit de volgende zin in de bestreden beschikking: "Uit deze werkzaamheden verkrijgt zij volgens haar opgave geen inkomsten."

Reeds in de oorspronkelijke procedure heeft de rechter geoordeeld dat het hier niet om werkzaamheden gaat die naar hun aard onbezoldigd worden verricht (de vrouw werkt in een café-slijterij als kelnerin). Bij de bepaling van de behoeften van de vrouw moest derhalve worden getaxeerd hoeveel de vrouw zou kunnen verdienen.

Het komt mij voor dat men de beschikking van het hof en de daarbij bekrachtigde beschikking van de rechtbank zo moet lezen dat de taxatie van de potentiële verdiensten van de vrouw hoger is uitgevallen dan bij de oorspronkelijke vaststelling van de alimentatie. Daarin schuilt de wijziging van omstandigheden.

De beknopte formulering van de bestreden beschikking brengt mee dat het niet zo eenvoudig is inzicht te krijgen in de gedachtengang van het hof; voor de beschikking van de rechtbank geldt hetzelfde. Desondanks meen ik dat de feitelijke vaststelling dat de behoeften van de vrouw nominaal gelijk zijn gebleven, dus reëel zijn gedaald, niet onbegrijpelijk of onvoldoende is gemotiveerd. De motivering ligt als het ware in de overwegingen van het hof (en die van de rechtbank, waarnaar het hof verwijst) besloten. Anders dan het geval was in de zaak, die ten grondslag lag aan H.R. 8 juli 1979, N.J. 1980, 297, is hier wel duidelijk ten aanzien van welke wettelijke alimentatie-maatstaf het hof wijziging van omstandig- heden aanwezig acht, namelijk de behoeften van de vrouw.

Onderdeel b.

Dit onderdeel is een procesrechtelijke variant van onderdeel a. De aan onderdeel a ten grondslag liggende stelling dat met het feit dat de vrouw voor haar werkzaamheden inkomsten kon verwerven ook al rekening gehouden was bij de oorspronkelijke vaststelling van de alimentatie, was ook in appel als grief opgeworpen. Het middel verwijt het hof daarop niet te zijn ingegaan.

Het hof heeft op de grondslag van een zelfstandig onderzoek naar de levens- en financiële omstandigheden van partijen zijn oordeel gegeven. Het hoefde daarom niet afzonderlijk in te gaan op de tegen de beschikking van de rechtbank gerichte grieven (H.R. 24 december 1971, N.J. 1972, 377).

3. Het voorwaardelijk incidenteel voorgestelde middel.

Beide onderdelen van het voorwaardelijk incidenteel voorgestelde middel hebben betrekking op het door het hof niet afzonderlijk ingaan op appelgrieven.

In de eerste plaats had de man voor het hof opgeworpen dat de vrouw, als zij wilde, de noodzakelijke maatregelen had kunnen nemen om zich (meer) werk te verschaffen, in welk verband hij er op had gewezen dat zij ook als carnavalsprinses optrad. In de tweede plaats had hij aangevoerd dat een alimentatie van meer dan f 600, -- per maand een te groot deel van zijn inkomen vormde, vooral omdat vrijwel zijn gehele militaire pensioen (een belangrijk deel van zijn inkomen) voor zijn huwelijk met de vrouw was opgebouwd.

Voor beide onderdelen van het middel geldt hetgeen ik reeds over onderdeel b van het principale middel heb opgemerkt. Het hof behoefde in de gegeven omstandigheden niet op de afzonderlijke grieven, ook niet op de incidentele, in te gaan.

Daarenboven wil het mij voorkomen dat het eerste onderdeel van het incidentele middel feitelijke grondslag mist. Zoals ik onder nummer 2 heb uiteengezet ben ik van mening dat het hof, zij het niet zeer expliciet, juist wel geoordeeld heeft dat de vrouw in grotere mate dan oorspronkelijk was aangenomen door werk in haar onderhoud zou kunnen voorzien.

4. Conclusie.

Ik kom tot de bevinding dat het principale middel in zijn beide onderdelen faalt. Het voorwaardelijk incidentele middel komt derhalve niet aan de orde. Overigens meen ik dat dit eveneens ongegrond is.

Ik concludeer tot verwerping van het beroep met compensatie van de op de voorziening gevallen kosten.

De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden,

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl NJ 1981, 482 RvdW 1981, 68
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?