ECLI:NL:HR:1981:AG4196

ECLI:NL:HR:1981:AG4196, Hoge Raad, 22-05-1981, 5635

Instantie Hoge Raad
Datum uitspraak 22-05-1981
Datum publicatie 09-01-2026
Zaaknummer 5635
Rechtsgebied Civiel recht
Procedure Cassatie
Zittingsplaats Den Haag
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:PHR:1981:AG4196
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Verwijst naar 1 zaken
Aangehaald door 5 zaken

Verwijst naar

Aangehaald door

Samenvatting

Motiveringsgebrek klevende aan beschikking, in appel genomen in procedure ingeleid met verzoek van de moeder (gerequestreerde in cassatie) tot wijziging van tussen partijen getroffen regeling ter zake van bijdrage van de vader (verzoeker tot cassatie) in verzorging en opvoeding van de minderjarige kinderen. Wijziging van omstandigheden waardoor de overeenkomst ophoudt aan de wettelijke maatstaven te voldoen?

Uitspraak

22 mei 1981

Req.nr. 5635

M.d. W.

De Hoge Raad der Nederlanden,

Gezien het verzoekschrift van [de vader], wonende te [woonplaats] (België) , vertegenwoordigd door Mr. F. H. Piket, advocaat bij de Hoge Raad, welk verzoekschrift strekt tot vernietiging van de hierna te noemen beschikking van het Gerechtshof te Amsterdam, tussen partijen gegeven en op 19 november 1980 uitgesproken;

Gezien het daartegen ingediende verweerschrift van [de moeder], wonende te [woonplaats], kosteloos procederende krachtens beschikking van het Gerechtshof te Amsterdam van 11 maart 1980, vertegenwoordigd door Mr. P.S. Kamminga, eveneens advocaat bij de Hoge Raad ;

Gelet op de conclusie van de Advocaat-Generaal Biegman- Hartogh tot verwerping van het beroep;

Gezien de bestreden beschikking en de stukken van het geding, waaruit het volgende blijkt:

Partijen zijn met elkaar gehuwd geweest, uit welk huwelijk zijn geboren de kinderen [de dochter], op [de dochter] 1964 en [de zoon], op [de dochter] 1966. Nadat bij vonnis van de Arrondissementsrechtbank te Utrecht van 1 september 1971 echtscheiding tussen partijen was uitgesproken, is bij beschikking van die Rechtbank van 28 oktober 1971 de verweerster in cassatie, verder te noemen de moeder, benoemd tot voogdes en de verzoeker tot cassatie, verder te noemen de vader, tot toeziend voogd over genoemde kinderen, met bepaling van de door de vader ten behoeve van die kinderen te betalen bijdrage op f 175, -- per kind per maand, inclusief het bedrag van iedere uitkering die de vader op grond van geldende wetten of regeling gen ten behoeve van die kinderen kan of zal worden verleend.

Bij overeenkomst van april 1976 hebben partijen deze bijdrage nader bepaald op f 450, -- per kind per maand, wederom inclusief de hiervoor bedoelde uitkeringen. Deze bijdrage van - aanvankelijk - f 450, -- bedroeg als gevolg van de wettelijke indexering ten tijde van de indiening van het hierna te noemen verzoek tot wijziging f 551,22 en per 1 januari 1980 f 584,29.

Bij verzoekschrift van 18 oktober 1979 heeft de moeder zich tot voormelde Rechtbank gewend met het verzoek voormelde beschikking van 28 oktober 1971 en de overeengekomen regeling van april 1976 te wijzigen in dier voege dat de bijdrage ten behoeve van genoemde kinderen wordt gesteld op f 400, -- per maand per kind, vermeerderd met het bedrag van iedere uitkering; die de vader op grond van geldende wetten of regelingen ten behoeve van die kinderen kan of zal worden verleend, een en ander met ingang van een door de Rechtbank te bepalen datum. Bij verweerschrift van 26 november 1979 heeft de vader de Rechtbank verzocht het verzoek van de moeder af te wijzen en - in reconventie - te willen bepalen dat de voor 1980 vastgestelde indexering zal worden uitgesloten.

De Rechtbank heeft bij beschikking van 20 februari 1980 in conventie en in reconventie beide verzoeken afgewezen. Zij heeft daartoe in conventie onder meer overwogen:

"1. Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend staat tussen partijen het volgende vast:

. . .

Per april 1976 hebben partijen in onderling overleg de bij het vonnis van 1 september 1971 opgelegde alimentatieverplichting van de man jegens de vrouw opgeheven en de bijdrage ten behoeve van de kinderen die in de beschikking van 28 oktober 1971 was bepaald op f 175, -- verhoogd tot f 450, -- per kind per maand zonder kinderbijslag en dergelijke uitkeringen;

Dit hele bedrag is onderworpen aan de jaarlijkse verhogingen van rechtswege, en bedraagt thans circa f 600, -- per kind per maand.

2. De vrouw wil deze regeling thans gewijzigd zien en wel in dier voege dat de man ter zake zal betalen f 400, -- per kind per maand geïndexeerd plus kinderbijslag, schoolgeldvergoeding en dergelijke uitkeringen;

de man heeft onweersproken gesteld, dat kinderbijslag plus schoolgeldvergoeding omgerekend in Nederlands courant ongeveer f 370, -- per maand bedraagt;

3. Als argumenten voor dit verzoek heeft zij ter terechtzitting aangevoerd dat zij in de nadere regeling van april 1976 heeft toegestemd om de echtscheiding te bespoedigen. Dit argument komt de Rechtbank onbegrijpelijk voor, aangezien de echtscheiding al in 1971 was uitgesproken. Verder heeft de vrouw naar voren gebracht dat de kinderbijslag en de schoolgeldvergoeding zo hoog zijn dat de eigen bijdrage van de man voor de kinderen te laag is. De Rechtbank gaat aan dit bezwaar voorbij, aangezien geen feiten of omstandigheden zijn gesteld op grond waarvan aangenomen zou kunnen worden dat de overeenkomst van 1976 door wijziging van omstandigheden heeft opgehouden aan de wettelijke maatstaven te voldoen of dat de overeenkomst is aangegaan met grove miskenning van de wettelijke maatstaven.".

Van deze beschikking, voor zover in conventie gegeven, is de moeder in hoger beroep gekomen bij het Gerechtshof te Amsterdam, en wel op de navolgende gronden:

"ten onrechte heeft de Rechtbank overwogen, dat de vrouw in de nadere regeling van april 1976 heeft toegestemd om de echtscheiding te bespoedigen; de vrouw heeft gesteld, dat zij ten tijde van de echtscheiding (die nog plaatsvond onder de oude echtscheidingswet) ermee heeft ingestemd, dat de alimentatie voor de kinderen werd gesteld op f 175, -- per kind per maand, inclusief de ten behoeve van die kinderen te ontvangen uitkeringen, omdat de man anders niet aan de scheiding wilde meewerken; in 1976 ging het erom, dat de man geen alimentatie meer voor haarzelf wilde betalen, maar wel bereid was dan de bijdrage voor de kinderen te verhogen; eerst later hoorde de vrouw, via uitlatingen, die de man had gedaan aan de kinderen, dat de uitkeringen, die hij ontving aan kinderbijslag en schoolgeldvergoeding zo hoog waren, dat hij er eerst aan overhield en nu zelf niet veel hoefde bijbetalen;

ten onrechte is de Rechtbank er aan voorbijgegaan, dat de vrouw ter zitting naar voren heeft gebracht, dat, nu het bedrag, dat de man aan alimentatie betaalt niet is gespecificeerd in een eigen bijdrage vermeerderd met uitkeringen en het gehele bedrag geïndexeerd is, de sociale dienst het gehele bedrag in mindering brengt op haar bijstandsuitkering, waardoor zij van mening is, dat ten gevolge van deze regeling mede de kinderen financieel gedupeerd worden;

ten onrechte is de Rechtbank eraan voorbijgegaan, dat de eigen bijdrage van de man voor de kinderen, gezien de hoogte van zijn inkomen, te laag is; de regeling van 1971, waarbij een bedrag van f 175, -- per maand per kind werd vastgesteld inclusief de uitkeringen, was niet overeenkomstig de wettelijke maatstaven, aangezien toen het bedrag van de uitkeringen ten behoeve van die kinderen aanzienlijk hoger geweest moet zijn dan f 175, -- per maand per kind; de wijziging in 1976 vond niet plaats om dit recht te zetten: de bijdrage voor de kinderen bleef immers gesteld op een bedrag inclusief de uitkeringen; het netto-salaris van de man bedraagt, na aftrek van de uitkeringen ten behoeve van de kinderen, nog altijd ruim f 5.600, -- per maand; voor de zoon van zijn huidige echtgenote ontvangt hij alimentatie, welke volgens zijn opgave f 140, -- per maand bedraagt en eveneens ruim f 370, -- per maand aan kinderbijslag en schoolgeldvergoeding; bij een dergelijk inkomen is er toch een ruime draagkracht aanwezig, welke een alimentatie van f 400, -- per kind per maand gemakkelijk kan dragen.".

Nadat de vader verweer had gevoerd heeft het Hof bij de in cassatie bestreden beschikking van 19 november 1980 de beschikking van de Rechtbank vernietigd, voor zover in conventie gegeven, en, in zoverre opnieuw beschikkende, bepaald - met wijziging in zoverre van de tussen partijen in april 1976 gesloten overeenkomst - dat de vader met ingang van de dag van 's Hofs beschikking als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van der partijen kinderen aan de betrokken Raad voor de Kinderbescherming bij vooruitbetaling zal uitkeren f 350, -- per kind per maand, vermeerderd met het bedrag van iedere uitkering die hem op grond van geldende wetten of regelingen ten behoeve van die kinderen kan of zal worden verleend, met afwijzing van het meer of anders verzochte.

Daartoe heeft het Hof onder meer overwogen:

"1. dat uit de stukken en bij het op 20 oktober 1980 gehouden verhoor van partijen en van de Raad voor de Kinderbescherming te Utrecht het volgende is gebleken:

De vader is hertrouwd en woont in een woning te [woonplaats] (België) , waarvan de huur 4.000, -- Bfrs. per maand bedraagt.

In zijn gezin verblijft ook een omstreeks 20-jarige zoon van zijn huidige echtgenote, voor wie door diens vader een bijdrage van f 140, -- per maand wordt betaald.

Hij is werkzaam bij Euratom te Geel (België) en ontvangt een salaris van rond 96.000, -- Bfrs. netto per maand, inclusief een kinder- en een schooltoelage van onderscheidenlijk 8.036, -- Bfrs. en 3.590, -- Bfrs. ten behoeve van genoemde twee kinderen van partijen.

De moeder woont met de kinderen van partijen te [woonplaats] in een woning, waarvan de huur f 440, -- inclusief verwarming per maand bedraagt. Tot 1 juli 1980 had zij een huursubsidie van f 130, -- per maand. De huursubsidie ná die datum is door haar aangevraagd maar nog niet vastgesteld.

Zij werkt sinds 1 september 1980 part-time als verkoopster en verdient als zodanig een salaris van gemiddeld f 240, -- netto per week.

Sedert 1976 ontvangt zij ingevolge genoemde overeenkomst tussen partijen van april 1976 geen alimentatie meer voor zichzelf.

Van genoemde kinderen zit de dochter in de 5de klasse H.A.V.O. en de zoon in de 3de klasse L.E.A.O. ;

2. dat de vader allereerst heeft aangevoerd dat de omstandigheden sinds de overeenkomst van april 1976 niet zijn gewijzigd zodat er geen plaats is voor wijziging van die overeenkomst;

3. dienaangaande: dat uit de stukken en ter voormelde terechtzitting is gebleken, dat de financiële en maatschappelijke omstandigheden zowel van de vader als van de moeder niet meer dezelfde zijn als die in 1976, terwijl voorts de situatie en de behoeften van der partijen kinderen, die sindsdien ruim 4 jaar ouder zijn geworden, niet meer geacht kunnen worden dezelfde te zijn als in 1976, zodat dit verweer van de vader moet worden verworpen;

4. dat de vader voorts heeft aangevoerd, dat de huidige bijdrage, die f 584,29 per kind per maand bedraagt, geacht moet worden toereikend te zijn voor de opvoeding en verzorging van die kinderen;

5. daaromtrent: dat het niveau van de opvoeding en de verzorging van kinderen mede wordt bepaald door de financiële mogelijkheden van de vader en dat het bedrag van de huidige bijdrage niet van dien omvang is, dat de vader, indien zijn draagkracht het betalen van een hogere bijdrage toelaat, daartoe niet gehouden zou zijn;

6. dat de vader nog heeft betoogd, dat ook de moeder gehouden is uit haar inkomen voor de kinderen bij te dragen;

7. dienaangaande: dat de moeder niet in staat geacht kan worden uit haar inkomsten van f 240, -- netto per week een bijdrage voor de kinderen te kunnen leveren en de vader niet aannemelijk heeft gemaakt dat de moeder zich hogere inkomsten zou kunnen verschaffen;

8. dat het Hof het redelijk en billijk acht dat de vader, naast en onafhankelijk van de toelagen die hij ten behoeve van genoemde kinderen ontvangt, een bijdrage in overeenstemming met zijn draagkracht voor die kinderen betaalt;

9. dat gelet op al het vorenstaande na te noemen bijdrage, te vermeerderen met genoemde toelagen, in overeenstemming is met de wettelijke maatstaven: " ;

Overwegende dat de vader de beschikking van het Hof bestrijdt met het volgende middel van cassatie:

"Schending van het recht en/of verzuim van vormen, waarvan de niet-inachtneming nietigheid medebrengt, door te overwegen en te beslissen als in de beschikking a quo is geschied, en wel om de navolgende redenen:

1) Bij haar verzoek tot wijziging van de alimentatie voor der partijen kinderen, heeft de vrouw geen gewijzigde omstandigheden aangevoerd. Terecht heeft de Rechtbank te Utrecht derhalve geoordeeld, dat geen feiten of omstandigheden zijn gesteld, op grond waarvan aangenomen zou kunnen worden, dat de overeenkomst van 1976 door wijziging van omstandigheden heeft opgehouden aan de wettelijke maatstaven te voldoen, of dat de overeenkomst is aangegaan met grove miskenning van de wettelijke maatstaven.

In appel heeft de vrouw ook géén gewijzigde omstandigheden aangevoerd.

Het Hof heeft desalniettemin aangenomen, dat deze er wel zijn. Het Hof heeft overwogen, "dat de financiële en maatschappelijke omstandigheden, zowel van de vader als van de moeder niet meer hetzelfde zijn als die in 1976". Het Hof motiveert dit niet. Dat kan ook niet. Immers, de maatschappelijke omstandigheden van de man waren niet veranderd. De man werkte reeds in 1971 en ook in 1976 bij Eurotom. De financiële omstandigheden van de man waren eveneens niet gewijzigd in vergelijking met die, bestaande in 1976.

Het argument van het Hof, dat de kinderen vier jaar ouder zijn geworden, is naar de mening van de man niet deugdelijk.

Indien dit wèl zo is, dan zal uiteraard iedere beschikking elk jaar kunnen worden gewijzigd, omdat het kind een jaar ouder is geworden. Dat is nimmer de bedoeling geweest van de wetgever. Dat blijkt ook niet uit de tekst van de wet. Artikel 401 van het Burgerlijk Wetboek geeft te dien aanzien duidelijke richtlijnen.

Indien het Hof van mening was, dat de financiële en maatschappelijke omstandigheden zowel van de vader als van de moeder niet meer dezelfde waren als die in 1976, dan had het Hof dat dienen aan te geven. In de nieuwste jurisprudentie van Uw Raad wordt vereist, dat de rechter in strafzaken aangeeft, waarom de appelrechter meent, dat een bepaalde strafverzwaring op zijn plaats is.

Dat is soms voor een rechter moeilijk aan te geven. Immers, bepaalde gevoelswaarden spelen daarbij vaak een rol. In alimentatiezaken is dat echter niet moeilijk. Indien financiële en maatschappelijke omstandigheden zijn gewijzigd, dan blijkt dat uit op een rijtje te zetten feiten. Dat kan dan dus vermeld worden. Naar de mening van de man dus, had het Hof die wijziging dienen aan te geven.

2) Het Hof heeft verder overwogen, dat het niveau van de opvoeding en de verzorging van de kinderen, mede wordt bepaald door de financiële mogelijkheden van de vader, en dat het bedrag van de huidige bijdrage niet meer van die omvang is, dat de vader, indien zijn draagkracht het betalen van een hogere bijdrage toelaat, daartoe niet gehouden zou zijn.

Naar de mening van de man getuigt deze overweging van onvoldoende begrip van de maatschappelijke omstandigheden, waarin partijen en hun kinderen leven.

Het gaat om de alimentatie van de man voor zijn kinderen. Deze bedraagt thans f 584,29 per maand en per kind. In 1981 zal deze worden verhoogd met 4%. De kinderen zijn respectievelijk 16 en 14 jaar oud. De huidige alimentatie benadert een bedrag, dat aan een zelfstandig wonend student, die aan de universiteit studeert, als studiebeurs wordt gegeven.

Het Hof had derhalve dienen aan te geven, waarom. twee kinderen, die worden opgevoed door en leven bij een moeder, die als verkoopster f 240, -- netto per week verdient, een nog hogere bijdrage dienen te ontvangen dan twee maal f 584,29 per maand.

Het Hof heeft kennelijk het maatschappelijk milieu van de vader te hoog aangeslagen en niet tevens gelet op dat van de moeder.

3) Het Hof heeft verder overwogen, het redelijk en billijk te achten, dat de man naast en onafhankelijk van de toelage, die hij ten behoeve van voornoemde kinderen ontvangt, een bijdrage betaalt, in overeenstemming met zijn draagkracht voor die kinderen.

Ook bij deze overweging heeft het Hof miskend:

a) het feit, dat de man deze (school-) toelage reeds in 1976 ontving en de vrouw daarmede ook toen bekend was;

b) het feit, dat - óók met betrekking tot die schooltoelage - geen gewijzigde omstandigheden zijn aangevoerd noch gebleken;

c) de behoeften van een 16- en 14-jarig kind, levend in een normaal milieu.

Het Hof had mitsdien dienen te vermelden, waarom het bedrag van f 450, -- per maand en per kind, inmiddels geïndexeerd tot f 584,29 per maand en per kind, plotseling moest worden verhoogd tot BFrs. 8036 + BFrs 3590, gedeeld door twee = BFrs. 4018 plus BFrs. 1795 = BFrs. 5813 =circa f 410, -- , verhoogd met f 350, -- = f 760, -- per maand en per kind.

Bij een dusdanig verschil van bijna f 200, -- in de opgelegde bedragen (f 584,29 en f 760, -- ) had het Hof dienen aan te geven, om welke redenen de bestaande alimentatie niet meer in overeenstemming was met de wettelijke maatstaven, en mitsdien gewijzigd dient te worden.

Dat klemt temeer omdat:

a) de bijdrage in 1976 was vastgesteld en alstoen eenzelfde regeling bestond voor schoolgaande kinderen, als nu het geval is;

b) de kinderen in 1976 een vader en moeder hadden met een gelijk uiteenlopend milieu;

c) de kinderen in 1976 ook door hun moeder in hetzelfde milieu werden opgevoed;

d) een bedrag van f 760, -- per maand en per kind voor een 16-jarig en 14-jarig kind een veel te grote afwijking vertoont van de normaliter op te leggen alimentatiebedragen voor kinderen van die leeftijd, opgroeiend in het sub c bedoelde milieu. ";

Overwegende omtrent dit middel:

De in onderdeel 1 vervatte motiveringsklacht is gegrond. Uit de bestreden beschikking, en met name uit rechtsoverweging 3 daarvan, kan niet worden opgemaakt in welk opzicht naar 's Hofs oordeel sprake is van een, door de moeder gestelde, wijziging in de financiële en maatschappelijke omstandigheden van de vader, de moeder en de kinderen nadat de bijdrage van de vader in 1976 nader bij overeenkomst was vastgesteld, van dien aard dat de door wettelijke indexering verhoogde bijdrage van de vader heeft opgehouden te voldoen aan de wettelijke maatstaven. In verband hiermede is van belang dat de Rechtbank had overwogen dat geen feiten of omstandigheden zijn gesteld op grond waarvan aangenomen zou kunnen worden dat de overeenkomst van 1976 door wijziging van omstandigheden heeft opgehouden aan de wettelijke maatstaven te voldoen en dat de vader bij zijn verweerschrift in hoger beroep heeft aangevoerd dat ook in appel een dergelijke wijziging niet is gesteld.

Onderdeel 2 keert zich tegen rechtsoverweging 5. Het mist feitelijke grondslag voor zover het ervan uitgaat dat het Hof niet tevens heeft gelet op het maatschappelijk milieu van de moeder. De bestreden overweging berust op 's Hofs waardering van de omstandigheden waaronder de kinderen worden verzorgd en opgevoed en op de financiële mogelijkheden van de vader. Het oordeel van het Hof geeft geen blijk van een verkeerde rechtsopvatting en is ook niet onvoldoende gemotiveerd. Onderdeel 2 faalt dus.

Voor zover onderdeel 3 de klacht herhaalt dat het Hof heeft miskend dat geen wijziging van omstandigheden is aangevoerd en dat daarvan ook niet is gebleken - tweede alinea onder a en b, laatste alinea onder a, b en c - behoeft het, gelet op het ten aanzien van onderdeel 1 overwogene, geen behandeling. Voor zover het klaagt over miskenning door het Hof van de behoeften van een zestien- en een veertien-jarig kind; levend in een normaal milieu - tweede alinea onder c - stuit het af op het feitelijk karakter van het oordeel van het Hof, dat gegrond is op de individuele omstandigheden van de onderhavige kinderen. Dit geldt ook voor hetgeen het onderdeel aanvoert in de laatste alinea onder d. Voormeld oordeel behoefde in zoverre ook geen nadere motivering.

De gegrondheid van onderdeel 1 moet leiden tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot verwijzing;

Vernietigt de bestreden beschikking van het Gerechtshof te Amsterdam van 19 november 1980 en verwijst de zaak naar het Gerechtshof te 's-Gravenhage ter verdere behandeling en beslissing met inachtneming van deze beschikking;

Compenseert de kosten, op de voorziening in cassatie gevallen, in dier voege dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Aldus gedaan door Mrs. Dubbink, President, Haardt, Royer, Martens en de Groot, Raden, en door Mr. Haardt voornoemd uitgesproken ter openbare terechtzitting van de tweeentwintigste mei 1900 eenentachtig, in tegenwoordigheid van de Advocaat-Generaal Franx.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl NJ 1981, 497 RvdW 1981, 81
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?