ECLI:NL:PHR:1981:AG4196

ECLI:NL:PHR:1981:AG4196, Parket bij de Hoge Raad, 23-03-1981, 5635

Instantie Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak 23-03-1981
Datum publicatie 09-01-2026
Zaaknummer 5635
Rechtsgebied Civiel recht
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:HR:1981:AG4196
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Verwijst naar 1 zaken
Aangehaald door 2 zaken

Verwijst naar

Aangehaald door

Samenvatting

Motiveringsgebrek klevende aan beschikking, in appel genomen in procedure ingeleid met verzoek van de moeder (gerequestreerde in cassatie) tot wijziging van tussen pp. getroffen regeling ter zake van bijdrage van de vader (verzoeker tot cassatie) in verzorging en opvoeding van de minderjarige kinderen. Wijziging van omstandigheden waardoor de overeenkomst ophoudt aan de wettelijke maatstaven te voldoen?

Uitspraak

eb

Nr. 5635

Request

Parket, 23 maart 1981

Mr. Biegman-Hartogh

Conclusie inzake:

[de vader]

tegen

[de moeder]

Edelhoogachtbaar College,

Bij het echtscheidingsvonnis van 1 september 1971 is de man veroordeeld aan de vrouw f 225, - per maand te betalen, terwijl op die datum tevens werd bepaald dat hij voor zijn twee kinderen f 175,- per kind per maand moest uitkeren, inclusief het bedrag van iedere uitkering die de man op grond van geldende wetten of regelingen ten behoeve van deze minderjarigen kan of zal worden verleend. In april 1976 kwamen partijen overeen dat de uitkering aan de vrouw zou worden gestaakt, maar die voor de kinderen werd nader vastgesteld op f 450,- per kind per maand, wederom inclusief bovenomschreven uitkeringen. De vrouw verzocht in oktober 1978 de bijdrage, die toen f 551,22 bedroeg, te stellen op f 400,- per kind per maand, echter vermeerderd met de wettelijke uitkeringen, aangezien zij van mening was dat de eerdere regeling niet meer in overeenstemming was met de huidige maatstaven. Zij stelde daartoe dat de man, die werkzaam was bij Euratom in Brussel, een aanzienlijke schoolgeldvergoeding ontving, in 1971 ad f 1000,- per kind per jaar. De Rechtbank wees dit verzoek af, daar zij van oordeel was dat geen feiten of omstandigheden waren gesteld op grond waarvan moest worden aangenomen dat de overeenkomst van 1976 door wijziging van omstandigheden heeft opgehouden aan de wettelijke maatstaven te voldoen of dat de overeenkomst is aangegaan met grove miskenning van de wettelijke maatstaven. In appel verduidelijkte de vrouw haar stellingen, onder meer in dier voege dat zijn eerst nà de in 1976 gesloten overeenkomst had vernomen dat de uitkeringen die de man ontving aan kinderbijslag en schoolgeldvergoeding zo hoog waren dat hij zelf niet veel hoefde bij te betalen.

Het door de man aangevoerde verweer, dat er geen sprake was van wijziging van omstandigheden sinds de overeenkomst van 1976, is door het Hof verworpen en het Hof bepaalde de door de vader te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van zijn kinderen op f 350,- per kind per maand, vermeerderd met de wettelijke uitkeringen.

De man bestrijdt thans 's-Hofs beschikking met een middel van cassatie dat uit drie onderdelen bestaat; de vrouw verzoekt Uw Raad het beroep te verwerpen.

Het eerste onderdeel van het middel betoogt dat het Hof een wijziging van omstandigheden heeft aangenomen, hoewel de vrouw dit niet had aangevoerd, en de financiële omstandigheden van de man sinds 1976 niet waren gewijzigd, terwijl het Hof met het feit dat de kinderen sindsdien vier jaar ouder zijn geworden, geen rekening had mogen houden.

Het Hof heeft ten aanzien van het desbetreffende verweer van de man overwogen: "dat uit de stukken en ter voormelde terechtzitting (tot verhoor op verzoekschrift) is gebleken, dat de financiële en maatschappelijke omstandigheden zowel van de vader als van de moeder niet meer dezelfde zijn als die in 1976, terwijl voorts de situatie en de behoeften van der partijen kinderen, die sindsdien ruim vier jaar ouder zijn geworden, niet meer geacht kunnen worden dezelfde te zijn als in 1979".

Teneinde een eenmaal vastgestelde alimentatie-uitkering te wijzigen moet er ingevolge art. 401 BW sprake zijn van een wijziging van omstandigheden, waardoor de uitkering niet meer voldoet aan de wettelijke maatstaven. De vrouw heeft gesteld dat zich een zodanige wijziging had voor gedaan, maar heeft met name in eerste aanleg onvoldoende duidelijk aangegeven op welke feiten deze stelling berustte. Het Hof heeft deze feiten dan ook moeten putten niet alleen uit de stukken, maar ook uit hetgeen door partijen tijdens het verhoor is te berde gebracht. Daarbij heeft het Hof de stellingen van de vrouw kennelijk begrepen - en m.i. kunnen begrijpen - in die zin, dat de uitkeringen die de man aan kinderbijslag en schoolgeldvergoeding van zijn werkgever ontvangt, sinds 1976 meer zijn toegenomen dan de door de man betaalde geïndexeerde bijdrage voor zijn kinderen, welke bijdrage inclusief die uitkeringen is, terwijl bovendien de sociale dienst genoemde bijdrage in zijn geheel in mindering brengt op de bijstandsuitkering voor de vrouw, maar de behoeften van de kinderen zijn toegenomen. Aldus kon het Hof m.i. zonder schending van het recht oordelen dat van een wijziging van omstandigheden in de zin van art. 401 BW sprake was, waarna de zaak in volle omvang aan het oordeel van het Hof was onderworpen, vergelijk HR 14 november 1975 NJ 1976, 503, HR 8 juni 1980 NJ 1980, 297 m.n. E.A.A.L. ad onderdeel a., en HR 17 oktober 1980 request no. 5463, eveneens ad onderdeel a.

De in dit onderdeel nog vervatte klacht dat het Hof ten onrechte heeft aangenomen dat de maatschappelijke en financiële omstandigheden van de man sinds 1976 zijn gewijzigd wordt, voor zover het al als van feitelijke aard in cassatie ten toets zou kunnen komen, door het bovenstaande weerlegd.

De stelling dat het Hof zijn oordeel over de wijziging van omstandigheden heeft gegrond op het (enkele) feit dat de kinderen vier jaar ouder zijn geworden, mist feitelijke grondslag, zoals de vrouw terecht betoogt; het Hof heeft slechts onder meer geoordeeld - en kon op grond van algemene ervaringsregels oordelen - dat de kinderen meer kosten nu zij ouder zijn geworden en naar (een hogere klas van) een middelbare school gaan. Het eerste onderdeel van het middel komt mij derhalve ongegrond voor.

Onderdeel 2 van het middel richt zich tegen 's Hofs overweging "dat het niveau van de opvoeding en de verzorging van kinderen mede wordt bepaald door de financiële mogelijkheden van de vader en dat het bedrag van de huidige bijdrage niet van dien omvang is, dat de vader, indien zijn draagkracht het betalen van een hoger bijdrage toelaat, daartoe niet gehouden zou zijn". De man betoogt dat deze overweging van onvoldoende begrip getuigt van de maatschappelijke omstandigheden waarin partijen en hun kinderen leven, waarbij het Hof het milieu van de man te hoog zou hebben aangeslagen zonder te letten op dat van de moeder.

Wat er zij van de strekking van deze klacht, het komt mij voor dat het oordeel over deze omstandigheden is voorbehouden aan de rechter die over de feiten oordeelt.

Voor wat betreft de in het onderdeel vervatte motiveringsklacht: het gaat bij de onderhoudsplicht van een ouder jegens zijn minderjarige kinderen niet slechts om de kosten van levensonderhoud, maar om die van verzorging en opvoeding naar draagkracht van die ouder (art. 404 BW), ongeacht de behoeftigheid van het kind (art. 392 lid 2 BW). Nu het Hof heeft aangegeven het redelijk en billijk te achten dat de vader een bijdrage voor zijn kinderen betaalt die in overeenstemming is met zijn draagkracht, was het Hof tot een nadere motivering m. i. niet gehouden.

Onderdeel 3 van het middel tenslotte moet naar mijn mening eveneens falen, aangezien het, althans voor zover ik kan zien, nauwelijks klachten behelst die niet reeds in de onderdelen 1 en 2 van het middel zijn aangevoerd. Het herhaalt slechts (sub a), b) en c) dat er, anders dan het Hof oordeelde, geen wijziging van omstandigheden was; de sub d) vermelde stelling dat het Hof ten onrechte geen rekening hield met de behoeften van de kinderen in dit geval, gelet op de "normaliter" op te leggen alimentatiebedragen voor kinderen van die leeftijd, opgroeiend in een milieu als van de moeder, vindt m.i. geen steun in het recht, gezien HR 4 mei 1979 NJ 1979, 631.

Daar ik het middel in geen van zijn onderdelen gegrond acht, concludeer ik tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden,

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl NJ 1981, 497 RvdW 1981, 81
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?