18 juni 1982
Eerste Kamer
Req.nr. 5941
AT
Hoge Raad der Nederlanden
Beschikking
in de zaak van:
[de vrouw],
wonende te [woonplaats],
VERZOEKSTER tot cassatie,
advocaat: Mr. R.A.A. Duk,
PD - HR 11/6/1982,
t e g e n
[de man],
wonende te [woonplaats],
VERWEERDER in cassatie,
advocaat: Mr. H.J. Snijders,
PD - HR 11/6/1982.
1. Het geding in voorgaande instanties
Nadat bij vonnis van de Rechtbank te Rotterdam van 16 april 1973 tussen partijen, gehuwd op 31 oktober 1951, de echtscheiding was uitgesproken, waarbij [de man] - de man - werd veroordeeld tot het levensonderhoud van [de vrouw] - de vrouw - uit te keren een bedrag van f 50, -- per week, en nadat deze Rechtbank bij beschikking van 28 augustus 1978 dat bedrag met ingang van 1 april 1978 nader had vastgesteld op f 100, -- per maand, heeft de vrouw bij verzoekschrift van 2 oktober 1979 de Rechtbank te Rotterdam verzocht de alimentatie met ingang van 1 oktober 1979 te stellen op f 400, -- per maand, althans op een bedrag dat de Rechtbank in goede justitie meent te moeten vaststellen; de man heeft zich hiertegen verweerd en in reconventie verzocht de beschikking van de Rechtbank van 28 augustus 1978 te wijzigen in dier voege dat zijn alimentatieverplichting wordt gesteld op nihil, althans op een zodanig lager bedrag dan f 100, -- per maand als de Rechtbank in goede justitie vermag vast te stellen; bij beschikking van 21 januari 1980 heeft de Rechtbank met wijziging voor zover nodig van haar beschikking van 28 augustus 1978, bepaald dat de man met ingang van 1 januari 1980 als bijdrage in het levensonderhoud van de vrouw heeft te voldoen f 150, -- per maand.
Van deze beschikking is de vrouw in hoger beroep gekomen bij het Gerechtshof te 's-Gravenhage. Zij heeft dit Hof verzocht de beschikking van de Rechtbank te vernietigen en het door de man te betalen bedrag aan alimentatie te bepalen op f 400, -- per maand met ingang van 1 oktober 1979, althans een bedrag dat het Hof in goede justitie meent te moeten vaststellen ingaande een door het Hof in goede justitie vast te stellen datum; hiertegen heeft de man zich verweerd en incidenteel appellerend verzocht bij beschikking, uitvoerbaar bij voorraad, de beschikking van de Rechtbank van 21 januari 1980 te vernietigen en alsnog de beschikking van de Rechtbank te Rotterdam in dier voege te wijzigen, dat de alimentatieverplichting van hem ten behoeve van de vrouw wordt gesteld op nihil, althans op een zodanig lager bedrag als het Hof in goede justitie vermag vast te stellen, subsidiair de alimentatieverplichting per 1 oktober 1980 te beeindigen, althans een zodanige afbouwregeling daarvan te treffen als het Hof in goede justitie vermag vast te stellen, tegen welk verzoek de vrouw zich heeft verweerd.
Het Gerechtshof te 's-Gravenhage heeft daarop bij beschikking van 28 mei 1980 in het principale appel: de beschikking van de Arrondissementsrechtbank te Rotterdam van 21 januari 1980 vernietigd, met wijziging van de beschikking van dezelfde Rechtbank van 28 augustus 1978 in dier voege dat de man met ingang van 1 januari 1980 aan de vrouw tot haar levensonderhoud dient te betalen een bedrag van f 200, -- per maand (in de toekomst) bij vooruitbetaling te voldoen;
in het incidentele appel: bepaald dat de man met ingang van 1 januari 1982 geen bijdrage verschuldigd is tot het levensonderhoud van de vrouw; en
in het principale en incidentele appel: het anders of meer verzochte afgewezen.
Van deze beschikking heeft de vrouw beroep in cassatie ingesteld, hetwelk ertoe leidde dat de Hoge Raad bij beschikking van 5 december 1980 (NJ 1981,311) de beschikking van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 28 mei 1980 heeft vernietigd en de zaak heeft verwezen naar het Gerechtshof te Amsterdam ter verdere behandeling en beslissing.
Bij beschikking van 30 september 1981 heeft het Gerechtshof te Amsterdam in het principale appel de beschikking van de Rechtbank te Rotterdam van 21 januari 1980 vernietigd met wijziging van de beschikking van dezelfde Rechtbank van 28 augustus 1978 in dier voege dat de man met ingang van 1 januari 1980 aan de vrouw tot haar levensonderhoud dient te betalen f 200, -- per maand, en in het incidentele appel bepaald dat de man met ingang van 1 januari 1985 geen bijdrage tot levensonderhoud aan de vrouw is verschuldigd, en dat op de door het Hof vastgestelde alimentatie de wettelijke verhogingen niet van toepassing zijn, met afwijzing in het principale en het incidentele appel van het meer of anders verzochte. 's Hofs beschikking van 30 september 1981 is aan deze beschikking gehecht.
2. Het geding in cassatie
De vrouw heeft beroep in cassatie ingesteld tegen de beschikking van het Hof te Amsterdam van 30 september 1981; het desbetreffende verzoekschrift is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
De man heeft verzocht het beroep te verwerpen.
De Advocaat-Generaal van Soest heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden beschikking.
3. Beoordeling van de middelen
3.1 Middel I stelt de vraag aan de orde of de Rechter, die in een door de alimentatiegerechtigde aangevoerde wijziging van omstandigheden grond ziet tot verhoging van de alimentatie, uitsluitend op grond van diezelfde wijziging van omstandigheden tevens mag treden in het verzoek van de alimentatieplichtige om een einddatum voor de alimentatieverplichting vast te stellen. Met het middel moet die vraag ontkennend worden beantwoord.
Daargelaten het in het tweede lid van artikel 401 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek bepaalde, zal de Rechter ingevolge het eerste lid van dit artikel slechts tot wijziging van een uitspraak betreffende alimentatie mogen overgaan, indien de verzoeker stelt en de Rechter aannemelijk oordeelt dat na de vorige uitspraak een wijziging van omstandigheden is ingetreden die, wanneer alle overige relevante omstandigheden gelijk zouden zijn gebleven, tot een wijziging in de zin als verzocht zou nopen. Weliswaar brengt de aard van de alimentatiebeschikking mede dat, is aan die voorwaarde om in het verzoek te treden voldaan, de Rechter bij zijn beslissing op het verzoek rekening mag houden met alle ten tijde van zijn beschikking bestaande relevante omstandigheden, maar deze vrijheid gaat niet zover dat hij alsdan de alimentatie kan wijzigen in andere zin dan verzocht. Een wijziging van omstandigheden, die is aangevoerd en in aanmerking genomen als grond voor een verhoging van de alimentatie, kan derhalve niet tevens dienen als grond voor het in behandeling nemen van een verzoek tot verlaging of, waar het te dezen om gaat, van een verzoek tot intrekking van de alimentatie vanaf een bepaalde datum. Middel I treft derhalve doel.
3.2 Het Hof dat ingevolge het verwijzingsarrest had te onderzoeken of de man aan zijn in zijn incidenteel appel herhaalde verzoek om de alimentatie in tijdsduur te beperken enige na de vorige uitspraak ingetreden wijziging van omstandigheden ten grondslag heeft gelegd die, wanneer alle overige omstandigheden gelijk zouden zijn gebleven, tot een wijziging als door de man verzocht zou nopen, heeft niet vastgesteld dat de man zulks heeft gedaan. Evenmin blijkt daarvan uit de stukken; de man heeft zich in dit verband in feite slechts beroepen op enkel tijdsverloop sedert die uitspraak, welk tijdsverloop, gezien het op de toekomst gerichte karakter van alimentatiebeschikkingen, in die uitspraak als een natuurlijk uitgangspunt ligt opgesloten en derhalve op zichzelf niet als wijziging van omstandigheden in de zin van het eerste lid van artikel 401 kan worden aangemerkt.
Een en ander betekent dat het Hof bedoeld verzoek van de man niet in behandeling had mogen nemen. Middel II, dat zich richt tegen 's Hofs in het kader van die behandeling gegeven beslissing dat de wettelijke indexering wordt uitgesloten, behoeft derhalve geen bespreking meer.
3.3 Het vorenstaande brengt mede dat 's Hofs beschikking moet worden vernietigd en dat de Hoge Raad de zaak zelf kan afdoen. Het vorige cassatieberoep richtte zich uitsluitend tegen de beslissing in het door de man ingestelde incidentele appel; de beslissing in het principaal appel van de vrouw, waarbij de alimentatie werd vastgesteld op f 200, -- per maand ingaande 1 januari 1980, is dus onaantastbaar geworden en moet worden overgenomen.
4. Beslissing
De Hoge Raad :
(1) vernietigt de beschikking van het Gerechtshof te Amsterdam van 30 september 1981;
(2) in het principaal appel:
vernietigt de beschikking van de Rechtbank te Rotterdam van 21 januari 1980 en wijzigt de beschikking van deze Rechtbank van 28 augustus 1978 in dier voege dat de man met ingang van 1 januari 1980 aan de vrouw tot haar levensonderhoud dient te betalen een bedrag van f 200, -- per maand bij vooruitbetaling te voldoen; wijst af het meer of anders gevorderde;
in het incidenteel appel:
bekrachtigt de beschikking van de Rechtbank te Rotterdam van 21 januari 1980 voor zover daarbij het verzoek van de man is afgewezen;
(3) compenseert de kosten van het geding in cassatie en van het geding in hoger beroep, zo in het principaal als in het incidenteel appel, aldus dat elk der partijen haar eigen kosten draagt;
(4) verleent aan beide partijen vergunning om in cassatie kosteloos te procederen.
Deze beschikking is gewezen door de vice-president Drion als voorzitter en de raadsheren Snijders, Haardt, Royer en Martens, en in het openbaar uitgesproken door de vice-president Ras op 18 juni 1982.