ECLI:NL:HR:1983:AC7836

ECLI:NL:HR:1983:AC7836, Hoge Raad, 18-01-1983, 1311 Besch

Instantie Hoge Raad
Datum uitspraak 18-01-1983
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer 1311 Besch
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Cassatie
Zittingsplaats Den Haag
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:PHR:1983:AC7836
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Aangehaald door 8 zaken

Aangehaald door

Samenvatting

‘Franse Madonna’; de Rechtbank heeft i.c. wegens de ingewikkeldheid van de zaak op onaanvaardbare wijze afbreuk gedaan aan het belang van klager als proces-partij door te oordelen over privaatrechtelijke stellingen; de ongegrondverklaring van het beklag is onvoldoende gemotiveerd.

Uitspraak

18 januari 1983

Strafkamer

nr. 1311 Besch.

JvA

Hoge Raad der Nederlanden

Beschikking

op het beroep in cassatie tegen een beschikking van de Arrondissementsrechtbank te 's-Hertogenbosch op een klaagschrift als bedoeld in artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering, ingediend door:

[klager] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1951, wonende te [woonplaats].

1. De bestreden beschikking

De Rechtbank heeft ongegrond verklaard het door klager ingediende beklag over de voorgenomen teruggave van het in bovenstaande beschikking omschreven kunstvoorwerp aan de Rooms- Katholieke Kerk in Batz-sur-Mer (Frankrijk) .

2. Het cassatieberoep

Het beroep is ingesteld door de klager. Namens deze heeft Mr. G.M.M. den Drijver, advocaat te 's-Gravenhage, het navolgende middel van cassatie voorgesteld:

"Schending van het recht en/of verzuim van op straffe van nietigheid in acht te nemen vormen, doordat de Rechtbank in haar bestreden beschikking het gedane beklag tegen het voornemen van de Officier van Justitie te 's-Hertogenbosch ongegrond heeft verklaard on de gronden als in de bestreden beschikking uiteengezet, zulks ten onrechte op grond van de in bijgaande toelichting op dit middel ontwikkelde redengeving.

TOELICHTING

A. Inleiding.

1. De onderhavige zaak betreft in essentie de vraag aan wie een in beslag genomen antiek houten beeld van Madonna met kind door de Officier van Justitie moet worden teruggeven: aan requirant tot cassatie onder wie dit beeld op 12 oktober 1981 in beslag is genomen, danwel aan de Rooms-Katholieke kerk te Batz-sur-Mer (Frankrijk ) resp. de Franse Staat, van welke het beeld op of omstreeks 27 februari 1978 werd gestolen. Dit beeld werd door requirant tot cassatie - een te Rosmalen (N-B). gevestigde antiquair - in Nederland gekocht voor f 26.000, -- , terwijl hij nadien dit beeld voor ca. f 4.500, -- heeft laten restaureren. Na de restauratie heeft [klager] het beeld enige malen geëxposeerd, o.m. op beurzen te Breda en Maastricht, en doen afbeelden o.a. in de catalogus die ter gelegenheid van de beurs te Maastricht werd uitgegeven. Bij die gelegenheden is het beeld als afkomstig uit de kerk te Batz-sur-Mer door een derde herkend, die van zijn ontdekking anoniem kennis heeft gegeven aan de politie, welke kennisgeving geleid heeft tot de inbeslagneming, waarover het in deze cassatie gaat.

2. De bestreden beschikking van de Rechtbank te 's-Hertogenbosch verklaart het beklag tegen het voornemen van de Officier van Justitie tot teruggave van het beeld aan de RK kerk te Batz- sur-Mer ongegrond op grond van de overwegingen 3-7, inhoudende dat te dezen Frans recht van toepassing is dat eigendomsverkrijging van het beeld door [klager] zou uitsluiten, terwijl de Rechtbank daaraan in overweging 8 (in een de beslissing niet dragende, immers ten overvloede gegeven overweging) toevoegt, dat indien Nederlands recht te dezen van toepassing zou zijn, er wellicht vraagtekens gezet zouden kunnen worden bij de goede trouw waarmee [klager] beweert het bezit van het beeld te hebben verworven en dat op grond van art. 593 BW voorshands dubieus is of [klager] i.c. de revindicatie door de Franse eigenaar met succes zou kunnen pareren.

In het onderstaande zal [klager] zowel de juistheid van de de beschikking dragende als van de ten overvloede gegeven overwegingen bestrijden, onder de aantekening dat indien zijn betoog, dat op de onderhavige kwestie géén Frans recht van toepassing is, gegrond zou zijn, de bestreden beschikking reeds om die reden niet in stand kan blijven.

3. Natuurlijk is [klager] zich er wel van bewust dat naar het oordeel van de wetgever in gevallen als deze aan de Rechter alleen wordt opgedragen om een beslissing te geven die

"op het eerste gezicht redelijk en maatschappelijk niet onverantwoord is en die ieders rechten op de betrokken voorwerpen onverlet laat" (MvT op Wet 22 mei 1958, Stb 296, Kamerstukken 4034, pag. 12; zie ook: A.L.M. onder HR 6 mei 1980, NJ 1981, 427 en HR 20 mei 1980, NJ 1981, 428, 1)

alsmede dat:

"de strafrechtelijke autoriteit die met de teruggave belast wordt, niet (moet) worden gedwongen bij de vervulling van zijn taak op de stoel van de burgerlijke rechter te gaan zitten. Het strafproces is er uiteraard niet op berekend, na voldoende hoor en wederhoor der betrokken personen, een uitspraak te geven in eigendoms- of bezitskwesties. "

Een en ander neemt echter niet weg, althans naar de mening van [klager] , dat indien met grote mate van waarschijnlijkheid aangenomen moet worden, dat de beslagene naar burgerlijk recht als eigenaar van het in beslag genomen voorwerp moet worden aangemerkt, het beklag van die beslagene tegen het voornemen om het in beslag genomen voorwerp terug te geven aan een ander dan aan hem, door de strafrechter gehonoreerd behoord te worden en dat een andersluidende beslissing van de Rechter die over het beklag heeft te oordelen, in cassatie behoort te worden vernietigd. De juistheid van deze mening zou met zich brengen dat in een geval als het onderhavige, waarin de Rechter het beklag uitsluitend ongegrond heeft verklaard op grond van zijn oordeel, dat de beslagene naar burgerlijk recht niet als eigenaar zou moeten worden aangemerkt, deze beslissing in ieder geval vernietigd moet worden wanneer aangenomen moet worden dat de beslagene naar burgerlijk recht wel als eigenaar moet worden aangemerkt. In zodanig geval zou de teruggave aan een ander dan de beslagene niet "op-het-eerste gezicht-redelijk-en-maatschappelijk-niet-onverantwoord" wezen, hetgeen i.c. eens te meer klemt, wanneer men zich realiseert, dat wanneer de Madonna met kind aan de Franse kerk teruggeven zou worden en het beeld vervolgens naar Frankrijk zou worden vervoerd, de mogelijkheden van [klager] om zijn beeld ooit terug te krijgen praktisch gesproken nihil zijn. Het vorenstaande betekent dat het betoog van [klager] in deze strafzaak - gelet op de civielrechtelijke beschouwingen die de Rechtbank aan haar bestreden beschikking ten grondslag heeft gelegd - noodzakelijkerwijze voornamelijk van (internationaal) privaatrechtelijke aard is.

B. Overwegingen 3-7.

4. Het is naar huidig internationaal privaatrecht niet aan twijfel onderhevig, dat de vraag of iemand zich jegens een derde met succes kan beroepen op het zakelijk recht van eigendom met betrekking tot een roerende lichamelijke zaak en derhalve een door deze derde ingestelde revindicatie met succes kan afweren, beheerst wordt door de wet van het land waar deze roerende zaak zich bevindt ten tijde dat de revindicatie wordt ingesteld, de lex rei sitae. Zulks geldt ook in een geval als het onderhavige, waarin wellicht moet worden aangenomen dat het roerend goed verkregen werd van een non-dominus. Zie: J.C. Schultsz, Eigendomsverkrijging bij koop van roerende goederen in het Westeuropees Internationaal Privaatrecht (1955), pag. 252 e.v., en het daar op pag. 252/253 gegeven literatuur- en jurisprudentieoverzicht, J.G. Sauveplanne, Elementair Internationaal Privaatrecht (1977), pag. 40, E. Cohen Henriquez, I.P.R. trends (1980), pag. 187 e.v., F. Schwind, Handbuch des Oesterreichischen Internationalen Privatrechts (1975), pag. 264 e.v., G. Kegel, Internationales Privatrecht (1977), pag. 327 e.v., Cheshire's Private International Law (1974) , pag. 527 e.v., Dicey and Morris, The Conflict of Laws (1980), Rule 79, F. Rigaux, Droit international privé, II (19.79), pag. 336/337, art. 22 van de Italiaanse Codice civile, art. 102 van het Zwitserse ontwerp IPR-Gesetz en het daarbij behorende Begleitbericht, art. 5 van het Haagse conventie nopens de toepasselijke wet op de eigendomsovergang bij internationale koopovereenkomsten van roerende lichamelijke zaken van 15 april 1958, die in art. 3 nog deze uitbreiding bevat, dat de koper zich jegens de revindicerende derde tevens kan beroepen op zakelijke rechten die hij volgens de wet van een vorige situs met betrekking tot het roerende goed heeft verkregen.

5. Met andere woorden de vraag of te dezen [klager] zich tegenover de RK kerk te Batz-sur-Mer met succes kan beroepen op een eigendoms- of bezitsrecht ten aanzien van het Madonna-beeld, wordt uitsluitend beheerst door Nederlands recht, nu het Madonna-beeld zich hier te lande bevindt en nu het eigendomsrecht waarop [klager] zich beroept, wordt ontleend aan een tussen Nederlanders in Nederland gesloten koopovereenkomst ter zake van een in Nederland gesitueerde roerende zaak. Zulks brengt mede, dat de vraag of [klager] zich kan beroepen op het recht van eigendom beheerst wordt door de artt. 639 cq. 2014 BW: òfwel [klager] ontleent zijn zakelijk recht op het Madonnabeeld aan de door hem gesloten koopovereenkomst met [betrokkene 1] , die zelf eigenaar was geworden op grond van een transaktie met een voorganger die reeds ex art. 639 of ex art. 2014 BW (danwel op basis van een daarmee overeenstemmend artikel uit een wet van een voorgaande situs van het roerend goed) eigenaar is geworden - in welk geval [klager] eigenaar is geworden ex art. 639 BW - Ofwel [klager] heeft bezit verkregen van een non-dominus in welk geval hij eigenaar is geworden - aangenomen zijn goede trouw ten tijde van de bezitsverschaffing - op grond van art. 2014 BW, nu de diefstal van het beeld reeds meer dan drie jaar voor het beslag heeft plaatsgehad. Zie hieromtrent ook: J.C. Schultsz, Mededelingen NVIR, no. 33 (1954), pag. 4-7, en Cohen Henriquez, l.c., pag. 189.

In dat laatste geval is mede van belang of het feitelijk bezit, dat [klager] krachtens de zakelijke overeenkomst die met de feitelijke levering gepaard ging, aan [betrokkene 1] ontleende, verkregen werd krachtens een geldige titel, dat wil in het onderhavige geval zeggen aan een rechtsgeldige (koop)overeenkomst (verg. HR 13 maart 1981, NJ 1982, 57, m.n. W.M.K. ) die [betrokkene 1] tot levering van het Madonna-beeld aan [klager] verplichtte. Ook deze kwestie dient in het onderhavige geval ten voordele van [klager] te worden beslist. Zoals reeds eerder gememoreerd, betrof het hier een koopovereenkomst tussen twee in Nederland gevestigde Nederlandse contractspartijen ter zake van een in Nederland gesitueerd roerend goed dat krachtens deze overeenkomst op Nederlands territoir van bezitter-eigenaar verwisselde. Zo al aangenomen zou moeten worden, dat het enkel feit, dat het verkochte en geleverde roerende goed uit Frankrijk afkomstig was, voldoende reden is om aan deze koopovereenkomst een internationaal karakter te verlenen, op grond waarvan de op deze overeenkomst toepasselijke wet gevonden moet worden aan de hand van ip-rechtelijke collisie- regels

zie daarover laatstelijk nog: L. Strikwerda, Partij- autonomie en het internationale geval, Studiekring Offerhaus, reeks i.p.r. no. 12 (1981)

en aangenomen dat niet geoordeeld zou moeten worden, dat de onderhavige casus uitsluitend verknoopt is met de Nederlandse rechtssfeer op grond waarvan alléén Nederlands recht toepasselijk zou (behoren) te zijn, dan nog zou moeten worden geoordeeld dat de rechtsgeldigheid van de koop waaraan [klager] zijn bezit ontleent, alleen bezien moet worden naar Nederlands recht. Immers ook bij een internationale koop van roerende lichamelijke zaken zou naar hedendaagse ipr-opvattingen Nederlands recht van toepassing

zijn. Men zie voor een summier overzicht daaromtrent de in 1982 voor de Vereeniging Handelsrecht uitgebrachte preadviezen over "De internationale koop van roerende zaken, naar materieel en internationaal privaatrecht", pag. 233/234. Naar Nederlands recht zou de in dit geval gesloten koopovereenkomst volledig geldig zijn.

Tegen die achtergrond bezien is het volstrekt onbegrijpelijk, dat en hoe de Rechtbank heeft kunnen oordelen dat de vraag of [klager] als eigenaar of bezitter van het beeld kan worden aangemerkt, moet beoordeeld worden naar Frans recht.

Wellicht heeft de Rechtbank zich daarbij - doch dan ten onrechte - laten leiden door HR 13 mei 1966, NJ 1967, 3 (HB), het zogenoemde Alnati-arrest, waarin de HR als beginsel heeft uitgesproken dat:

"het kan voorkomen, dat voor een vreemde staat bij de inachtneming van bepaalde van die staat afkomstige voorschriften ook buiten zijn territoir zo grote belangen zijn betrokken, dat ook de Nederlandse rechter daarmee behoort rekening te houden ... . "

en langs een daaraan analoge redenering aangenomen dat art. 20 van de Franse Loi du 31 décembre 1913 sur les monuments historiques - voor zover hier van belang luidende: "L'acquisition faite en violation de l'article 18, deuxième et troisième alinéa's, est nulle. Les actions en nullité ou en revendication peuvent être exercées à toute époque ... " - de tussen [klager] en [betrokkene 1] gesloten verkoopovereenkomst nietig maakt ongeacht het feit dat deze koopovereenkomst naar Nederlands ipr uitsluitend wordt geregeerd door Nederlands recht.

(N.B. hierbij, dat noch ULIS noch ULFIS op deze koopovereenkomst van toepassing zijn, nu de onderhavige koopovereenkomst geen internationale koopovereenkomst is in de zin van art. 1 van die beide wetten. Wel zou deze overeenkomst vallen onder de Haagse Conventie nopens de op de internationale koop van roerende lichamelijke zaken toepasselijke wet van 15 juni 1955 - aangenomen dat deze ook door Nederland zou zijn geratificeerd - doch ook deze zou in dit geval (zie art. 3) Nederlands recht aanwijzen als het toepasselijke recht.)

Nog afgezien daarvan dat de betekenis van het Alnati-arrest heden ten dage aan betekenis lijkt te hebben ingeboet,

Zie daaromtrent o.m .: R. van Rooij, Revue Critique du Droit International Privé, 1980, pag. 68-79, n.a.v. HR 12 januari 1979, NJ 1980, 526 (JCS) inzake: [A] / [B].

een dergelijke analoge redenering komt in ieder geval onaanvaardbaar voor in het onderhavige geval, waar het gaat om een in Nederland tussen twee Nederlanders gesloten koopovereenkomst ter zake van een in Nederland gesitueerde, in Nederland af te leveren, roerende lichamelijke zaak. In een dergelijk geval dient, hoe dan ook, alleen Nederlands recht beslissend te zijn voor het antwoord op de vraag of de koopovereenkomst rechtsgeldig is gesloten en of de koper bezit en/of eigendom heeft verkregen. In verband met de eisen van het handels- en rechtsverkeer kan immers niet worden aanvaard, dat de koper bij een dergelijke transactie bedacht moet zijn op, of beducht moet zijn voor, allerlei mogelijkerwijze in aanmerking komende buitenlandse rechtsstelsels die, anders dan het Nederlandse recht, te dezen bezits- en eigendomsovergang op de koper zouden uitsluiten. Naar [klager] meent is te dezen zeer illustratief hetgeen de HR heeft overwogen in het zojuist gememoreerde arrest inzake [A] / [B] met betrekking tot een - weliswaar onroerend - goed op de Nederlandse Antillen, dat door een Surinaams ingezetene werd gekocht van de Antilliaanse eigenaar, terwijl Surinaams deviezenrecht een dergelijke transactie - behoudens voorafgaande toestemming, die niet verkregen was - met nietigheid bedreigde:

"Aangezien de koper ten tijde van de koop ingezetene van Suriname was, gold voor hem het door de Surinaamse deviezenregeling 1947 gestelde verbod om (anders dan krachtens een te dezen niet verkregen vergunning) in het buitenland gelegen onroerende goederen onder bezwarende titel te verkrijgen. Al brengt de Regeling mee dat op overtreding van het verbod de sanctie van nietigheid is gesteld - hetgeen het Hof heeft aangenomen-, heeft het Hof terecht de onderhavige koopovereenkomst geldig geacht. Het aanzienlijk belang dat voor de Nederlandse Antillen is verbonden aan het ongestoorde verloop van het rechtsverkeer met betrekking tot onroerend goed op de Nederlandse Antillen, staat immers niet toe aldaar de door het Surinaamse recht voorgeschreven nietigheid van de koopovereenkomst te aanvaarden. De beslissing van het Hof is reeds om deze reden juist."

(onderstreping van mij, d.Dr.).

Een soortgelijke redenering met betrekking tot roerend goed dient te worden aangenomen in de onderhavige transactie die - met uitzondering van het feit dat het beeld uit Frankrijk afkomstig is - uitsluitend verband houdt met de Nederlandse rechtssfeer. Op deze gronden meent [klager] dat de Rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld, dat te dezen geen Nederlands doch Frans recht van toepassing is.

B. Overweging 8.

6. Volledigheidshalve merkt [klager] op, dat ook de ten overvloede, in overweging 8 van de beschikking geformuleerde, opmerkingen over het ontbreken van goede trouw aan de zijde van [klager] en over de betekenis en strekking van art. 593 BW goede grond ontberen. Zoals reeds gememoreerd, heeft [klager] het beeld op enige antiekbeurzen ten toon gesteld en het in een internationaal verspreide catalogus doen afbeelden. Zou hij te dezen niet te goeder trouw zijn geweest, dan zou hij dat in ieder geval hebben nagelaten, aangezien de speuracties van de politie in geval van diefstal van dit soort antiek, naar een ieder (zelfs een. leek) weet, uiteraard eerst uitgaan naar antiekbeurzen en naar met het oog daarop uitgegeven catalogi. De tweede opmerking-ten- overvloede, dat het hier zaken buiten de handel zou betreffen, die geen voorwerp van bezit kunnen zijn, kan eenvoudig worden weerlegd door hetgeen Beekhuis/Mijnssen in Asser 3-1 (1980), pag. 83 daarover hebben opgemerkt:

"De res extra commercium werden verder gevormd door de res divini iuris, onderscheiden in res sacrae, sanctae et religiosae, d.w.z. zaken, bestemd voor de eredienst, begraafplaatsen e.d. Ook voor deze categorie is handhaving van de term 'zaken buiten de handel' in het moderne recht niet te verdedigen; zij kunnen in beginsel voorwerp van een vermogensrecht zijn."

(onderstreping van mij, d.Dr. ).

D. Slotopmerking.

7. Doch zelfs indien men rechtens zou moeten aanvaarden, dat in de onderhavige zaak teruggave van het Maria-beeld aan de Franse kerk op grond van de Franse wetsbepalingen wel zou moeten plaatsvinden, dan nòg kan - met het oog op de belangen van [klager] in deze - bezwaarlijk worden gezegd, dat zich hier een geval voordoet waarin teruggave van de bestolene "op het eerste gezicht redelijk en maatschappelijk niet onverantwoord is", nu volgens art. 20 van voornoemde Loi du 31 décembre 1913 "L'acquéreur ou sous-acquéreur de bonne foi, entre les mains duquel l'objet est revendiqué, a droit au remboursement de son pris d'acquisition"-i.c. f 26.000, -- - en nu volgens art. 6302 [klager] als bezitter te goeder trouw een retentierecht heeft uit hoofde van de uitgaven ad f 4.500, -- die hij tot behoud en ten nutte van het Madonna-beeld heeft moeten maken. Zolang voor de restitutie van de koopsom en deze kosten geen zekerheid is gesteld, is teruggave van het beeld aan een ander dan [klager] onredelijk en maatschappelijk niet aanvaardbaar. Cf. HR 6 juni 1978, NJ 1979, 29".

3. De conclusie van het Openbaar Ministerie

De Advocaat-Generaal Remmelink heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot verwijzing van de zaak naar het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch teneinde haar op het bestaande klaagschrift opnieuw te berechten en af te doen.

4. De motivering van de bestreden beschikking

Ter motivering van de bestreden beschikking heeft de Rechtbank het navolgende overwogen:

"dat de officier van justitie, gehoord [betrokkene 2] en [betrokkene 3] , mededeelt voornemens te zijn het litigieuze beeld terug te geven aan de R.K. Kerk in Batz-sur-Mer in Frankrijk, als bewaarder (gardien) van het beeld voor de Franse Staat;

dat uit het proces-verbaal nr. 197 van 28 oktober 1981 genoegzaam is gebleken dat het onderhavige beeld in de nacht van 27 of 28 februari 1978 uit de kerk van Batz-sur-Mer is ontvreemd;

dat bij een beslissing naar redelijkheid en in overeenstemming met algemeen gangbare maatschappelijke normen, nu het betreft een kunstvoorwerp dat toebehoort aan de Franse staat, allereerst dient te worden overwogen wat rechtens is volgens het franse recht, zulks op grond dat de openbare orde in privaatrechtelijke zin des woords zich verzet tegen toepassing van het nederlandse "echt, indien tengevolge daarvan aan franse regelingen tot bescherming van het nationale kunstbezit hun effect zou worden ontnomen;

dat het franse recht en met name de Loi du 31 décembre 1913 sur les monuments historiques Dalloz Code Civel 80/81 pag. 1255) geclasseerde kunstvoorwerpen buiten de handel plaatst en voorzover aan de Franse Staat toebehorend onvervreemdbaar zijn;

Iedere verkrijging in strijd met de bepalingen van genoemde wet van 1913 is nietig;

dat uit het verhandelde in raadkamer van 10 maart 1982 duidelijk is geworden, dat het onderhavige beeld is geclasseerd in de zin van de wet van 1913 en wel sinds 1935 waardoor naar frans recht de betreffende zaak na verlies of diefstal ten allen tijde van een ieder kan worden opgevorderd; dat daarnaast ook naar nederlands recht geldt de regel, dat zaken buiten de handel geen voorwerp van bezit kunnen zijn, zodat ten aanzien van die voorwerpen artikel 2014 van het Burgerlijk Wetboek niet van toepassing is voor zover de bestemming ten publieke nutte met een dergelijk bezit in strijd zou zijn;

dat een aan de franse staat toebehorend beeld als het onderhavige, dat door de franse staat aan de kerk van Batz-sur-Mer als beheerder was afgestaan en door deze in het kerkgebouw was geplaatst, zozeer een openbare bestemming heeft dat daarmee particulier bezit van het betreffende beeld onverenigbaar is, zodat ook het nederlandse recht een bevestiging van de onttrekking aan die publieke functie door toewijzing van het beeld aan klager als bezitter niet gedoogt;

dat de rechtbank ten overvloede nog opmerkt, dat ten aanzien van de goede trouw bij de verkrijging door klager van het onderhavige beeld, gelet op de merkwaardige verwerving door klagers leverancier [betrokkene 1] en de doorlevering op dezelfde dag, op zijn minst enige vraagtekens zijn te plaatsen en voorts dat artikel 593 van het Burgerlijk Wetboek bepaalt, dat zaken buiten de handel geen voorwerp van bezit kunnen zijn, zodat het vooralsnog dubieus is of klager bij toepassing van het nederlandse recht met succes zou kunnen ageren tegen teruggave van het beeld aan de franse eigenaar;

dat de rechtbank van oordeel is dat het op het eerste gezicht redelijk is en maatschappelijk niet onverantwoord om het litigieuse beeld terug te geven aan de R.K. Kerk te Batz-sur-Mer in haar hoedanigheid van bewaarder, welke beslissing klagers recht in burgerrechtelijke zin onverlet laat. "

5. Beoordeling van het middel

5.1. De in artikel 118, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering voorziene mogelijkheid om een inbeslaggenomen voorwerp te doen teruggeven aan een ander dan degene onder wie het is inbeslaggenomen, vormt een uitzondering op de in het eerste lid van gemeld artikel neergelegde regel, dat bedoeld voorwerp - zodra het belang van de strafvordering zich niet meer tegen de teruggave daarvan verzet - wordt teruggegeven aan degene bij wie het is inbeslaggenomen.

Hiervan uitgaande behoort de rechter die over een beklag als bedoeld in het derde lid van gemeld artikel 118 moet oordelen te onderzoeken welke beslissing op het eerste gezicht redelijk en maatschappelijk niet onverantwoord is. Daarbij is hij niet gehouden een uitspraak te geven in eigendoms- of bezitskwesties en evenmin om in gevallen waarin een teruggave van het inbeslaggenomen voorwerp aan degene bij wie het is inbeslaggenomen hem op het eerste gezicht redelijk en maatschappelijk niet onverantwoord voorkomt, niettemin nader te onderzoeken of degene aan wie de Officier van Justitie voornemens is dat voorwerp terug te geven daarop wellicht een "beter recht" heeft. Hij dient zich evenwel van een en ander te onthouden, indien de klager daardoor in zijn redelijk belang kan worden geschaad. Zulks is het geval wanneer - zoals in casu - wegens de ingewikkeldheid der zaak een summiere behandeling in raadkamer zich niet leent voor een nader onderzoek als evenbedoeld. Een burgerrechtelijke procedure biedt alsdan een passender kader, aangezien de klager dan zelf als wederpartij fungeert van degene aan wie de Officier van Justitie voornemens is het inbeslaggenomen voorwerp terug te geven. Artikel 552a, vierde lid, van het Wetboek van Strafvordering schrijft daarentegen slechts voor dat, voordat de rechter een met redenen omklede beschikking geeft, "de klager in de gelegenheid is gesteld te worden gehoord".

5.2. Door de ongegrondverklaring van het beklag te motiveren zoals onder 4 is weergegeven, heeft de Rechtbank het onder 5.1 overwogene uit het oog verloren.

Immers, gelet op de omstandigheden dat:

(a) de Rechtbank kennelijk is uitgegaan van de juistheid van de in het klaagschrift vervatte stelling, dat klager het op 12 oktober 1981 inbeslaggenomen beeld in of omstreeks 1979 heeft gekocht en geleverd gekregen van A.M.J. de Bruijn en sedertdien in zijn bezit heeft gehad;

(b) door de Rechtbank enerzijds is vastgesteld dat gemeld beeld in de nacht van 27 of 28 februari 1978 - zijnde meer dan drie jaren vóór voormelde inbeslagneming - uit de R.K. Kerk te Batz-sur-Mer in Frankrijk is ontvreemd, doch anderzijds niet is vastgesteld dat klager bij de verkrijging van het beeld te kwader trouw is geweest,

zou het in de rede hebben gelegen, dat de Rechtbank, gelet op het bepaalde in artikel 2014, eerste en tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek, het op het eerste gezicht redelijk en maatschappelijk niet onverantwoord zou hebben geacht, dat het beeld aan klager zou worden teruggegeven.

Dat de Rechtbank het beklag niettemin ongegrond heeft verklaard vloeit blijkens de motivering van de bestreden beschikking voort uit hetgeen de Rechtbank heeft overwogen ten aanzien van het - volgens de Rechtbank te dezen toepasselijke - Franse recht en de Franse regelingen ter bescherming van het nationale kunstbezit. Daarbij heeft de Rechtbank zich klaarblijkelijk aangesloten bij hetgeen volgens het proces- verbaal van de behandeling van het onderhavige beklag in raadkamer van 10 maart 1982 aldaar is aangevoerd door de pastoor van de parochie Batz-sur-Mer [betrokkene 2] , de vertegenwoordiger van de gemeente Batz-sur-Mer [betrokkene 3] en hun raadsman Mr. B.L. Sluis. Aldus is echter op onaanvaardbare wijze afbreuk gedaan aan het belang van klager als proces-partij, doordat aan klager en diens raadsman de gelegenheid is onthouden om op hetgeen door genoemde [betrokkene 2] , [betrokkene 3] en hun raadsman in raadkamer naar voren was gebracht te reageren op een wijze welke in een burgerrechtelijke procedure mogelijk zou zijn geweest, namelijk in een schriftelijke conclusie, voor het opstellen waarvan hun in een zodanige procedure een redelijke termijn zou zijn gegund. Dientengevolge hebben klager en zijn raadsman pas in cassatie - in welke instantie hun stellingen over de inhoud van vreemd recht, en voor zover zij zijn van feitelijke aard echter niet meer ten toets kunnen komen - een naar behoren met redenen omkleed verweer kunnen voeren tegenover het door de Rechtbank overgenomen betoog van de personen die in raadkamer de teruggave van het beeld aan de R.K. Kerk te Batz-sur-Mer kwamen bepleiten.

5.3. Uit het vorenoverwogene vloeit voort dat de Rechtbank de ongegrondverklaring van het beklag niet naar de eis van artikel 552b, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering met redenen heeft omkleed. Het middel is mitsdien gegrond voor zover het hierover klaagt en behoeft voor het overige geen bespreking.

6. Slotsom

Het vorenstaande brengt mee, dat de bestreden beschikking niet in stand kan blijven en verwijzing moet volgen.

7. Beslissing

De Hoge Raad vernietigt de bestreden beschikking en verwijst de zaak naar het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch teneinde haar op het bestaande klaagschrift opnieuw te berechten en af te doen.

Deze beschikking is gegeven door de president Moons als voorzitter en de raadsheren Bronkhorst, De Groot, De Waard en Jeukens, in bijzijn van de griffier Sillevis Smitt-Mülder, in raadkamer van 18 januari 1983.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl NJ 1983, 445 met annotatie van Th.W. van Veen
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?