L.
Nr. 1311
Rekest
Parket, 28 september 1982
Mr. Remmelink.
Conclusie inzake:
[klager].
Edelhoogachtbare Heren,
Deze zaak betreft het volgende: Rekwirant (antiquair) heeft in juni 1979 van een groothandelaar in antiek, zekere [betrokkene 1] een antieken houten beeld van Madonna met kind gekocht voor f 26.000, waaraan hij nog voor f 4500, -- heeft laten restaureren. Naderhand bleek, dat het beeld in februari 1978 gestolen was uit een kerk te Batz-sur-Mer (Fr), en toebehoorde aan de Franse staat weshalve het in beslag werd genomen. [betrokkene 1], van wie requirant het beeld gekocht heeft, stelt, dat hij het beeld in zijn zaak te Hilvarenbeek gekocht heeft van lieden, die het (naar hij had waargenomen) hadden gekocht op een markt te Brussel. Nog dezelfde dag verkocht hij het beeld aan requirant. De Officier wil ex art. 118 lid 3 Sv het beeld teruggeven aan de kerk. Requirant heeft tegen dit voornemen een klaagschrift ingediend, waarin hij zich, zoals te verwachten was, beroept op zijn "betere recht", hem toekomend krachtens de artt. 2014 en 637 BW. De Rechtbank heeft echter overwogen, dat het op het eerste gezicht redelijk en maatschappelijk niet onverantwoord is het beeld terug te geven aan de kerk. De Rechtbank kent daarbij predominerende waarde toe aan de omstandigheid, dat het hier betreft een kunstvoorwerp, dat het Franse recht, met name de wet van 31 december 1913 (Dalloz Code Civil 80/81, p. 1255) als geclasseerd kunstvoorwerp buiten de handel heeft geplaatst en als aan de Franse Staat toebehorend als onvervreemdbaar heeft aangemerkt, zijnde iedere verkrijging in strijd met deze Franse wet nietig, (zij het dat, zoals requirant stelt, de bezitter te goeder trouw wel recht heeft op teruggave van de koopprijs enz. ). Voorts beroept de Rechtbank zich nog op de in Nederland geldende regel, dat res extra commercium geen voorwerp van bezit kunnen zijn, zodat ten aanzien hiervan art. 2014 BW niet van toepassing is, voor zover de bestemming ten publieke nutte met een dergelijk bezit in strijd zou zijn, hetgeen hier het geval is.
Tegen voormelde beschikking heeft requirant zich van beroep in cassatie voorzien, waarin hij één middel van cassatie voorstelt.
Allereerst bestrijdt requirant de opvatting van de Rechtbank, dat te dezen het Franse recht van toepassing zou zijn, en beroept zich daarbij op een grote hoeveelheid literatuur en doctrine. Voor zover ik kan nagaan, lijkt mij hieraan inderdaad een standpunt ten grondslag te liggen, dat met de stelling van de Rechtbank niet te verenigen is. Zelf zou ik mij ook nog willen beroepen op Rechtbank Amsterdam 27 november 1931, W 12415, waarin wordt gesteld, dat in het algemeen de rechtstoestand van roerend goed wordt beheerst door de wet van de plaats waar het goed zich bevindt, in casu dus door de Nederlandse wet. Weliswaar hebben wetsbepalingen, die de bescherming van de bestolen eigenaar beogen, de strekking om in volle omvang van kracht te blijven, ook nadat de goederen het land hebben verlaten en derden daarop rechten hebben verkregen, maar hiermee behoeft echter slechts rekening te worden gehouden, voor zover zij niet met de rechten van derden, die onder de wetgeving van eigen land zijn verkregen, in strijd zijn, hetgeen zich in een geval als hier voordoet: De termijn gedurende men alsdan aan revindicatie blootstaat is immers naar Nederlands recht drie jaar, en deze periode is voorbij. In deze geest ook Rechtbank Amsterdam 27 november 1932, NJ 1935, p. 657. Zie ook het door Cohen Henriquez, IP Trends, p. 189, vermelde vonnis van Rechtbank Amsterdam, 23 november 1976. Hiertegenover zou men kunnen stellen Hof Den Haag, 16 oktober 1963, NJ 1965, no. 248, maar ik meen, dat hier meer aanknopingspunten met het buitenlandse recht aanwijsbaar waren.
Het tweede argument van de Rechtbank, dat naar Nederlands recht deze zaken geen voorwerp van bezit zouden kunnen zijn, lijkt mij evidentelijk onhoudbaar. Ik verwijs hiertoe met requirant naar Asser-Beekhuis, 1980, p. 90.
Het vorenstaande houdt in, dat de Rechtbank m.i. niet op voldoende gronden heeft vastgesteld, dat de Officier gezegd kon worden zich te hebben laten leiden door hetgeen op het eerste gezicht redelijk en maatschappelijk niet onverantwoord was. Weliswaar zijn de regels van burgerlijk recht hier niet doorslaggevend, en heeft de beslissing van het OM geen civielrechtelijke gevolgen, dat neemt niet weg, dat men met requirant in zijn schriftuur moet erkennen - ook de Rechtbank doet dat uiteraard -, dat dit oordeel wel door de voorschriften van het civiele recht essentieel kan worden beïnvloed. Vgl. ook in deze geest Mevrouw Vellinga-Schootstra, Inbeslagneming en huiszoeking, diss. Groningen, 1982, p.227, waar wordt verwezen naar HR 6 juni 1978, NJ 1979, no. 29. Welnu, dan is een beschikking onvoldoende gemotiveerd, wanneer daarin het burgerlijk recht verkeerd wordt uitgelegd.
Anders zou het worden, wanneer de Rechtbank zou hebben vastgesteld, dat requirant te kwader trouw was. Dat doet de Rechtbank echter niet. Zij stelt slechts in een overweging ten overvloede (die ik echter als een subsidiaire zou willen opvatten) dat "ten aanzien van de goede trouw bij de verkrijging van het beeld gelet op de merkwaardige verwerving van het beeld door [betrokkene 1] en de doorlevering op dezelfde dag op zijn minst enige vraagtekens zijn te plaatsen."
Aan het vorenstaande kan nog worden toegevoegd, dat het karakter van de onderhavige bepaling, een praktische ordemaatregel binnen het kader van de Nederlandse strafvordering, ook meebrengt, dat weliswaar rekening wordt gehouden met het als onderdeel van onze maatschappelijke opvattingen te beschouwen geldende Nederlandse burgerlijk recht, maar dat men zich bij voorkeur niet zal hoeven bezig te houden met afwijkende buitenlandse regelingen. Uniformiteit en practikabiliteit dreigen dan verloren te gaan.
De in het slot van de cassatieschriftuur aangevoerde stelling, dat, ook al zou op grond van toepassing van Frans recht teruggave in beginsel geïndiceerd zijn, deze in casu toch niet gelast had kunnen worden, nu geen zekerheid is gesteld voor restitutie van de koopsom en vergoeding van de kosten, gemaakt voor behoud van het beeld, gaat m.i. niet op. Het lijkt mij, temeer daar requirant een dergelijke claim niet ter terechtzitting heeft gedaan, en de Rechtbank hieromtrent niets heeft vastgesteld niet mogelijk, dat de cassatierechter deze omstandigheden bij de toetsing van de motivering van de beslissing van de Rechtbank mede een rol laat spelen.
Het middel aannemelijk achtend concludeer ik, dat Uw Raad de beschikking waarvan beroep zal vernietigen, en de zaak zal verwijzen naar het Hof te 's-Hertogenbosch, teneinde haar op het bestaande klaagschrift opnieuw te berechten en af te doen.
De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden,