17 mei 1983
Strafkamer
nr. 74.896
JC
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een bij verstek gewezen arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 29 april 1982 in de strafzaak tegen :
[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1954, wonende te [woonplaats].
1. De bestreden uitspraak
Het Hof heeft de verdachte niet-ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep, voorzover dit is gericht tegen de bij na te melden vonnis gegeven vrijspraken en heeft voor het overige in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Arrondissementsrechtbank te Rotterdam van 28 april 1981 - de verdachte vrijgesproken van het hem bij inleidende dagvaarding onder parketnummers 019646-80, 022671-81 onder II en 07698-81 telastegelegde en hem ter zake van "diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft. door middel van braak" en "opzettelijk gebruik maken van een vervalst geschrift als: ware het echt en onvervalst, terwijl uit dat gebruik nadeel kan ontstaan" veroordeeld tot: negen maanden gevangenisstraf.
2. Het. cassatieberoep
Het. beroep - dat zich. kennelijk niet richt tegen de gegeven vrijspraken - is ingesteld door de verdachte. Deze heeft de navolgende middelen van cassatie voorgesteld:
I Het Gerechtshof. heeft de bepalingen voor de betekening van de dagvaarding in Hoger Beroep geschonden door te verzuimen na te gaan of de dagvaarding tijdig was en kon zijn uitgereikt .
Toelichting: Zoals uit de stukken blijkt. was ondergetekende. op het. tijdstip van de behandeling in staat, van faillissement en dit houdt in dat alle poststukken worden uitgereikt aan de Curator. In het geval van ondergetekende deed zich de omstandigheid voor, dat de betekening van de dagvaarding in hoger beroep geschiedde aan de 'burgemeester' die vervolgens voor toezending per gewone post verantwoordelijk is.
De toezending per gewone post - met. die vertraging houdt het parket van het Openbaar Ministerie uiteraard rekening in verband met de fatale termijn, van 10 dagen die op straffe van nietigheid door de wet is voorgeschreven - gebeurt dus in feite niet aan de gedagvaarde, maar aan diens curator Een parket van. het Openbaar Ministerie dat zich van zijn verantwoordelijkheid bewust is, zal zich dus in geval van een faillissement bedienen van de mogelijkheid om de uitreiking op te dragen aan: een "dienaar der openbare macht" (art. 587 sub 2 W.v.Sv.).
Een afschrift van de dagvaarding was toegezonden aan de toegevoegd raadsman, die zich met de curator in verbinding stelde en van die curator vernam dat de gefailleerde gedaagde 'zoek' was en dat hij diens adres niet kende. Deze onwaarheid gaf de curator kennelijk een grond om de dagvaarding niet, althans veel te laat, door te sturen naar het hem bekende adres. De dagvaarding kon dus niet geacht worden tijdig te zijn uitgereikt .
De toegevoegd raadsman was - hoewel hij het dossier niet had ingezien - op de zitting van het Gerechtshof aanwezig en heeft uitgelegd, waarom hij niet vergezeld was door zijn cliënt . Het Gerechtshof had alstoen de dure plicht om na te gaan of wel aan de rechten van de verdachte was voldaan. Dit nalatende schond het Gerechtshof een op straffe van nietigheid voorgeschreven vorm.
Dit formele verzuim beroofde ondergetekende van zijn materieel verweer in het tweede ten laste gelegde feit (de beweerde valsheid. in geschrifte) en zijn raadsman van het pleidooi voor redelijke straftoemeting in het licht van de zwaarte van de feiten waarvan de verdachte was en zou worden vrijgesproken, gesteld tegenover de zwaarte van het ene feit waarvoor hij zou worden veroordeeld. (In feite werd hij veroordeeld voor twee feiten maar ook dan werd de redelijkheid bij de straftoemeting uit het oog verloren zoals in het derde middel tot cassatie wordt uiteengezet. Als ondergetekende zich had kunnen verdedigen tegen de beschuldiging van valsheid in geschrifte zou hij daarvan ongetwijfeld, eveneens zijn vrijgesproken en hij zet dit bovendien nader uiteen in het verband van het tweede middel tot cassatie.)
Zoals uit het bovenstaande blijkt is het belang van ondergetekende bij deze grond voor cassatie zeker niet gelegen in uitstel van executie, die hij voor het hem toekomende deel van de straf node - het kan maar beter achter de rug zijn en niet meer als een belastende dreiging boven de verdere ontwikkeling van zijn. bestaan hangen - op de koop toe neemt. Zijn belang bij deze formele grond is, dat hem niet alleen is tekort gedaan in de toekenning van zijn rechten maar hem feitelijk zwaar onrecht is aangedaan.
II Het Gerechtshof heeft verzuimd kennis te nemen van de door de Rechtbank gebezigde bewijsmiddelen ter zake van de aan de requirant tot cassatie ten laste gelegde valsheid in geschrifte, zodat daardoor de wettelijke bepalingen voor de behandeling ter terechtzitting zijn geschonden,
althans het Gerechtshof heeft niet opgemerkt dat de schriftkundige rapporten van 24 februari 1981 en 20 februari 1981 (in het proces-verbaal van de Rechtbank onder de stukken waarvan de inhoud is meegedeeld genoemd onder 7 en 8) zich niet in het strafdossier bevinden, zoals ondergetekende heeft opgemerkt toen hij zich in verband met deze schriftuur van cassatie ter strafgriffie van de Hoge Raad wilde vergewissen of deze bewijsmiddelen wel juist waren toegepast.
SUBSIDIAIR
het Gerechtshof heeft niet opgemerkt dat het schriftkundig rapport van ir. H. Hardy (nr. 8 van de bewijsmiddelen) door de Rechtbank niet is aangehaald in de gebezigde bewijsmiddelen en dus ook niet heeft onderzocht of dit bewijsmiddel mogelijk afbreuk zou doen aan het aangenomen bewijs.
Toelichting: Zoals in het eerste middel tot cassatie reeds aangevoerd voelt ondergetekende, zich ernstig gedupeerd door de luchtige wijze waarop de door de Politie verzamelde bewijsstukken tegen hem zijn gebruikt zonder dat hij in de gelegenheid.is geweest zich daartegen behoorlijk te verdedigen. Ter
verduidelijking wil hij daaraan toevoegen, dat zowel Rechtbank als Gerechtshof blijk gegeven hebben van grote juridische deskundigheid in hun waardering van de door de Politie verzamelde bewijsmiddelen door bij de juridische evaluatie van die middelen in overwegende mate tot vrijspraak te komen.
In het geval van de ten laste gelegde valsheid in geschrifte kon ondergetekende echter kennelijk niet zonder deskundige raadsman de juiste argumentatie vinden tegen het aangevoerde bewijs, anders dan een wanhopig beroep op de situatie en de gang van zaken die voor zijn onschuld pleiten. Bij het Gerechtshof is hem door de in het eerste middel uiteengezette, ongelukkige gang van zaken zelfs ieder verweer ontnomen.
Ter illustratie van zijn gevoel dat al te lichtvaardig tot zijn schuld is besloten wil ondergetekende de houding van zijn toegevoegde raadsman bij de Rechtbank aanvoeren. Hoewel hij in voorlopige hechtenis verkeerde voor een feit waarvan hij door de Rechtbank was vrijgesproken, raadde deze raadsman - die op de zitting had blijk gegeven het dossier niet te kennen en zich nauwelijks met zijn cliënt over deze uitgebreide zaak had onderhouden - hem af om hoger beroep in te stellen. Wat het Gerechtshof kon constateren zònder een raadsman ter verdediging het woord te laten voeren, namelijk dat de Rechtbank in eerste aanleg ten onrechte het zware feit van 'oplichting' bewezen had geacht, had deze raadsman over het hoofd gezien.
Helaas moet ondergetekende in het verband van dit middel tot cassatie vaststellen dat ook het Gerechtshof al te gemakkelijk heeft aangenomen dat de Rechtbank het wel bij het rechte eind zou hebben.
Bij de behandeling van het hoger beroep voor het Gerechtshof, als hij daartoe tenminste in de gelegenheid was geweest, zou ondergetekende in het licht hebben gesteld hoe de situatie was met betrekking tot het hem ten laste gelegde feit van 'valsheid in geschrifte' . Hij is bekend (gemaakt) met de omstandigheid dat de Hoge Raad de feiten niet toetst, maar de gebezigde bewijsmiddelen - voorzover tenminste wijzend in de richting van zijn schuld, hetgeen ondergetekende niet kon nagaan - behoren te worden beschouwd in samenhang met de feitelijke lezing van de verdachte en het is toch een hoog rechtsbeginsel dat het ten laste gelegde feit moet zijn bewezen, overtuigend en wettig, zonder dat op de verdachte de plicht rust om tegenover onvolledig bewijs zijn onschuld te bewijzen. Als dus de gebezigde bewijsmiddelen ruimte laten voor twijfel, behoort de verdachte te worden vrijgesproken en dat geldt toch evenzeer als hij de aangevoerde bewijsmiddelen bestrijdt en niet wordt toegelaten tot het bewijs van zijn onschuld.
Evenals ten aanzien van het bij het eerste middel opgemerkte, heeft. dus ondergetekende wezenlijk belang bij een behandeling door het Gerechtshof waarin ook hij wordt gehoord. Zo de Hoge Raad in het gebrekkige gebruik van de genoemde bewijsmiddelen niet al voldoende grond ziet om het arrest van het Gerechtshof te vernietigen en zelf de zaak af te doen, doch de zaak. terugverwijst naar het Gerechtshof te 's-Gravenhage of een ander Hof, zal ondergetekende zijn verweer ten aanzien van dit onderdeel van de veroordeling opschrift stellen op de voet van art. 410 Sv. Hoe was immers de feitelijke situatie, aan het onderzoek waarvan Rechtbank noch Gerechtshof aandacht hebben besteed respectievelijk niet zijn toegekomen?
Ondergetekende deed de boekhouding van het bedrijf in kwestie en wat was zijn materieel belang daarbij ? Stond hij in loondienst, kreeg hij een vergoeding voor enkele diensten of was hij in feite ondernemer ?
Wat was de positie van de beide andere heren ? Waren zij werknemers van het bedrijf of waren zij verkapte mede-ondernemers? En hoe waren de verhoudingen tussen de diverse ondernemende personen ?
Dit zijn vragen die van belang zijn voor de achtegrond van de ten laste gelegde overboeking ten bedrage van fl. 1.175, --- Waarom heeft de Rechtbank geen acht geslagen op de mededeling ter terechtzitting van de verdachte dat dat bedrag hem toekwam en dat hij zonder tussenkomst van de andere twee heren over dat bedrag kon beschikken door gebruik te maken van de bankrekening waarvoor hij als enige gemachtigd was ?
Om die vragen op hun waarde te kunnen schatten is het nodig om te weten dat [betrokkene 1] zijn zaak wilde (doen) omzetten in een B.V. en dat zulks zou worden gefinancierd door ondergetekende, in dier voeg: dat deze 40% van de aandelen zou nemen. De overige 60% zou [betrokkene 1] gelijkelijk verdelen tussen zijn beide personeelsleden, die dan dus voorzover zij het met elkaar eens konden worden de macht binnen de onderneming zouden uitoefenen echter zonder ondergetekende definitief (60% is minder dan 2/3) te kunnen uitschakelen .
Ondergetekende was zich volledig bewust van de onderlinge machtsstrijd tussen de andere heren en hechtte er aan zijn positie zo zuiver mogelijk te houden. Toen hij dan ook een voorschot van fl. 1.175, -- had gedaan, wilde hij dat bevestigd zien door een overboeking die door beide heren was ondertekend. Hij had er geen enkel belang bij hun handtekeningen te vervalsen.
Of er nu wel of geen vervalsing heeft plaats gevonden is hem nog steeds een raadsel. Ondergetekende twijfelt daar nog wel aan, want de beide zogenaamd benadeelden hebben niet eigener beweging aangifte van die beweerde vervalsing gedaan: de Politie is uit eigen particuliere motivatie een onderzoek gaan instellen omdat. het "vermoeden" bestond dat de verdachte ook bij [betrokkene 1] wel het een en ander zou hebben uitgehaald. Dat hele onderzoek heeft tenslotte een feit aan het licht gebracht: beweerde vervalsing van een terechte overboeking ad fl. 1.175, --.
Helemaal nog los van de vraag of in dit geval wel aan het wettelijk vereiste van 'benadeling' voor veroordeling kan zijn voldaan, doet zich de vraag voor naar de waarheid van de aangenomen vervalsing. als enig overgebleven belasting uit een uitgebreid onderzoek.
Bij ondergetekende is de vraag gerezen of de beide heren elkaars handtekening kunnen hebben gezet, maar die gedachte heeft hij verworpen omdat de opsporing van de vervalsing niet door deze heren is geëntameerd, maar geheel uit de koker van de Politie is gekomen. Het is natuurlijk denkbaar dat de heren hebben afgesproken om elkaars handtekening te zetten om later eventueel een onverwachte aanval te kunnen doen als daar in de zakelijke ontwikkelingen aanleiding voor zou zijn.
Al met al blijft de vraag naar de waarde van de gebezigde bewijsmiddelen overeind en die twijfel behoort niet in het nadeel van de beschuldigde te worden uitgelegd.
III a) Voor de motivering van de strafoplegging heeft het Gerechtshof kennelijk de door de Rechtbank gehanteerde strafmaat die ingegeven was door de veelheid en zwaarte van de ten laste gelegde feiten, zonder daarbij voldoende in aanmerking te nemen dat de verdachte in overgrote mate van het hem ten laste gelegde werd vrijgesproken of met andere woorden de opgelegde straf stond niet in verhouding tot de ernst van de bewezen verklaarde feiten, als uitgangspunt genomen in stede van tot een zelfstandig oordeel te komen aan de hand van de ook in hoger beroep bewezen verklaarde feiten, aldus komend tot een onbegrijpelijk oordeel waarmee het recht geschonden is,
b) In strijd met het recht heeft het Gerechtshof het feit waarvan de requirant in hoger beroep werd vrijgesproken veel te licht gewaardeerd bij de vaststelling, van de uit die vrijspraak volgende strafvermindering,
c) Evenmin als de Rechtbank heeft het Gerechtshof bij de strafoplegging in rekening gesteld dat de tijd in voorarrest. doorgebracht niet in betrekking stond tot de feiten waarvoor requirant tot cassatie werd veroordeeld, maar verband hield met een feit waarvan hij is vrijgesproken, zodat hij feitelijk onschuldig is gevangen gehouden onder verdenking van een zwaar feit, waarvan hij is vrijgesproken, en in zodanig geval behoort de in voorarrest veelvoudig in rekening gebracht te worden.
d) Door ten onrechte artikel 63 W.v.S. in de strafoplegging te betrekken heeft het Gerechtshof blijk gegeven het recht ter miskennen en de schijn opgeroepen als zou de aan ondergetekende opgelegde straf mede bevatten andere feiten waarvoor hij nog niet veroordeeld was of wel veroordeeld, maar nog niet onherroepelijk.
Toelichting: Op 24 maart 1981 werd ondergetekende gehecht ter zake van een bepaald feit. De zwaarte van dat feit blijkt wel uit het vastzetten van ondergetekende als verdachte. In hoog tempo werd een uitgebreid dossier rond hem opgebouwd. De zaak waarover ondergetekende in het tweede middel tot cassatie zo uitvoerig heeft geschreven werd bij het dossier betrokken, omdat de behandelende rechercheur "het vermoeden" had dat daar ook wel wat mis zou zijn. Deze vooringenomenheid zette zich door op 14 april 1981 toen ondergetekende als verdachte voor de Rechtbank stond: gedetineerd met een omvangrijk dossier en bovendien nog openstaande zaken elders. Hier moest veroordeeld worden en een zware straf. worden opgelegd. Daaraan kon de Rechtbank zich niet onttrekken.
De 'openstaande zaak' in Breda werd ongetwijfeld in de straftoemeting betrokken (volgens de instructie van art. 63 S) en de Politierechter aldaar zou dan met toepassing van. art. 63 tot een niet-belastende strafmodaliteit komen. De veroordeelde zou zich dan immers beroepen op zijn langdurige gevangenisstraf.
Op 28 april 1981 deed de Rechtbank uitspraak en sprak vrij van het feit waarvoor hij in voorlopige hechtenis verkeerde. DE ONDERGETEKENDE WERD NIET VRIJGELATEN MAAR VOORTGAAND VAST GEHOUDEN OMDAT .. Hier werd dus voorlopige hechtenis toegepast zonder dat het feit werd omschreven. Hoe zou dat worden behandeld als ondergetekende een greep in de kas van zijn compagnon zou doen met het argument "och, straks heb ik toch nog wat tegoed" ? Ook toen hoger beroep werd ingesteld, werd hij niet vrij gelaten. Pas op 20 mei 1981 werd de hechtenis opgeheven.
Op 18 juni 1981 veroordeelde de Politierechter te Breda hem tot 'drie maanden met aftrek' (wel of niet met toepassing van 63 S: ? ) kennelijk in de mening verkerend dat onschuldige hechtenis kan worden geconverteerd in voorarrest. Kreeg ondergetekende nu een soort van schadevergoeding in de vorm van dubbeltelling van zijn onschuldig doorgebrachte gevangenschap ? Het vonnis uit Breda is hem bekend geworden uit het arrest van het Gerechtshof waarvan thans beroep tot cassatie .... Het Openbaar Ministerie bewaart de zaak kennelijk totdat hij weer vast zit en dan aansluitend te grazen kan worden genomen. Als dat geen geknoei is ..... Hoe żit dat met art. 63 S ????.
Het Gerechtshof heeft blijkbaar geprobeerd om zich uit de knoeierige gedachtengangen van eerdere justitiële- en rechtscolleges te bevrijden, maar heeft daarbij de zaak alleen maar onoverzichtelijker gemaakt. De requirant tot. cassatie voelt het aldus:
bij de Rechtbank is de strafmaat mede bepaald door het odium van misdadigheid dat hem was opgelegd - een jaar gevangenisstraf is niet weinig - en daarvan zou door het Gerechtshof moeten worden afgetrokken (gefrustreerd als behandeld in het eerste middel) het volgende. Ten eerste alles wat kon worden toegeschreven aan de opeenstapeling van onbewezen feiten, ten tweede dat wat voor de openstaande zaken onbewust in rekening was gebracht en ten derde een ruime compensatie voor het geknoei met de voorlopige hechtenis.
In de uitspraak van het Gerechtshof echter niets van dit alles.
Wat de requirant tot cassatie nu van de Hoge Raad mag verwachten is: inscherping van de plicht des rechters om te straffen voor de bewezen verklaarde feiten zonder een mogelijk latere veroordeling in rekening te stellen. De bewezen verklaarde feiten zijn door de Rechtbank te zwaar bemeten, maar bovendien heeft het Gerechtshof van het overwegend zwaarste feit vrijgesproken zonder dat in de strafoplegging tot uitdrukking te brengen. Wat is dan de zin van vrijspraak ? Verder heeft het Gerechtshof kennelijk - gezien de verwijzing naar 63 S - de veroordeling door de Politierechter Breda 'meegenomen' . Ten onrechte, want die zaak kan nog behandeld moeten worden en Gerechtshof noch requirant hebben de zekerheid dat alsdan met in acht neming van art. 63 een niet-vrijheidsbenemende strafmodaliteit zal worden. toegepast. Bijna zeker zal hij dan dubbel gestraft worden. En. als hij 'ontslag van rechtsvervolging' krijgt, omdat de Officier om welke reden dan ook besluit dat vonnis niet aan hem te betekenen ? Dan zou hij, in de gedachtengang van het Gerechtshof, zijn straf al te pakken hebben.
Deze verborgen motiveringen zijn vreemd aan het Nederlandse rechtsstelsel. Met vrijheid wordt geen ruilhandel bedreven.
3. De conclusie van het Openbaar Ministerie
De Advocaat-Generaal Leijten heeft geconcludeerd tot verwerping. van het beroep .
4. Bewezenverklaring en bewijsvoering
Ten laste van verdachte is bewezenverklaard:
hij, verdachte, heeft. te Rotterdam op 5 juni 1980 tezamen en in vereniging met anderen, in een pand (een pakhuis) gelegen aan de [a-straat 1] , waartoe zij zich de toegang hadden verschaft door een hangslot waarmee (één van) de toegangsdeur (en) van dat pand afgesloten was te verbreken (met een betonschaar) met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening weggenomen een hoeveelheid goederen. (± 60 balen met theedoeken), welke hoeveelheid goederen toebehoorde, aan [betrokkene 2] ;
hij, verdachte, heeft op of omstreeks 17 oktober 1979; to Spijkenisse opzettelijk gebruik gemaakt van een vervalst geschrift, namelijk een bankgiro-formulier, waaruit enig recht of enige bevrijding van schuld kon ontstaan of dat bestand was om tot bewijs van enig feit te dienen, als ware dat geschrift echt en onvervalst, terwijl uit dat, gebruik enig, nadeel kon en is ontstaan.
Die vervalsing heeft daaruit bestaan dat hij, verdachte, dat formulier heeft ingevuld en ondertekend. net als opdrachtgever [A] , als over te maken bedrag f. 1.175,- en als begunstigde [betrokkene 3] ( [rekeningnummer] Amro-bank Poortugaal) en als handtekeningen handtekeningen die door moesten gaan voor handtekeningen van de gemachtigden van die opdrachtgever.
Dat gebruik heeft daaruit bestaan, dat hij, verdachte, dat formulier heeft doen toekomen aan de Rabobank te Spijkenisse als bevestiging van een door hem, verdachte, per telefoon opgegeven overboeking van een bedrag van f.1.175, -- van de rekening van genoemde opdrachtgever naar genoemde rekening van [betrokkene 3] .
Deze bewezenverklaring steunt op de navolgende bewijsmiddelen:
A. de verklaring ter terechtzitting van verdachte:
Na een tevoren daartoe met de mij bekende [betrokkene 4] , [betrokkene 5] , [betrokkene 6] , en een zekere " [betrokkene 7] " gemaakte afspraak, hebben wij op 5 juni 1980 in een pakhuis te Rotterdam circa 60 balen met theedoeken weggenomen die toebehoorden aan de mij bekende [betrokkene 2] .
Wij hadden ons de toegang tot dat pakhuis verschaft door met een betonschaar het hangslot, waarmee de toegangsdeur van dat pand afgesloten was, kapot te knippen.
De door ons weggenomen goederen behoorde ons niet toe en wij hadden van niemand recht of toestemming die goederen weg te nemen en ons toe te eigenen.
Na I mei 1979 heb ik de boekhouding en andere administratieve handelingen geregeld voor "[A] " te Spijkenisse. Daartoe heb ik op een gegeven moment een bank-giro-formulier ingevuld met als opdrachtgever "[A] ", met als over te maken bedrag: f 1.175, -- en met als begunstigde " [betrokkene 3] .", welke firma een bankrekening onder nummer [rekeningnummer] bij de Amro-bank te Poortugaal had.
Op of omstreeks. 17 oktober 1979 heb ik dit formulier vervolgens gebracht naar de Rabobank te Spijkenisse als bevestiging van een tevoren door mij per telefoon opgegeven overboeking van een bedrag van f 1.175, -- van de rekening van genoemde opdrachtgever naar genoemde rekening van " [betrokkene 3] .".
B.1. een door [verbalisant 1] , wachtmeester der Rijkspolitie le klasse en behorende tot de groep Poortugaal, voor fotocopie conform getekende fotocopie van een ambtsedig proces-verbaal nr. 5124/1980 van 9 februari 1981, opgemaakt door [verbalisant 2] , opperwachtmeester- districtsrechercheur en behorende tot de recherchegroep der Rijkspolitie te Dordrecht, en [verbalisant 1] voornoemd, voor zover inhoudende als op 5 februari 1981 aan de verbalisanten afgelegde verklaring van
[betrokkene 2] :
'Ik ben directeur van " [B] ". Onder de naam van dit bedrijf handel ik in diverse goederen, zoals thee- en glasdoeken. Ongeveer 2 jaar geleden heb ik 68 balen thee - en glasdoeken gekocht. Na de inkoop sloeg ik de handel op in een pakhuis van mij aan de [a-straat 1] te Rotterdam.
Op 6 mei 1980 heb ik een werknemer van mij twee balen met theedoeken mee laten brengen. Hij verklaarde toen dat de rest er ook nog was. In totaal heb ik ongeveer 8 balen verkocht, zodat er nog circa 60 balen. moesten zijn. Begin juli 1980 kwam ik bij het pand [a-straat 1] te Rotterdam. Ik zag dat er een ander hangslot aan de deur hing. Eenmaal binnen zag ik dat de balen met theedoeken alle ontvreemd. waren. Deze goederen waren geheel mijn eigendom en ik had niemand het recht noch de toestemming gegeven deze goederen weg te nemen en zich toe te eigenen" ;
B.2. een proces-verbaal nr. 5050/1981 van 28 januari 1981, op ambtseed/ambtsbelofte opgemaakt door [verbalisant 1] , [verbalisant 3] , [verbalisant 4] en [verbalisant 5] , allen wachtmeester der Rijkspolitie le klasse en behorende tot de groep Poortugaal, voor zover inhoudende als op 12 november 1980 aan de verbalisanten [verbalisant 3] en [verbalisant 5] afgelegde verklaring van [betrokkene 8] :
"Ik ben werkzaam bij de Rabobank te Spijkenisse. Ik bekleed de functie van adjunct-direkteur en hoofd algemene zaken, als zodanig ben ik bevoegd om de volgende aangifte te doen.
Op of omstreeks 17 oktober 1979 verscheen aan de balie van onze bank, [verdachte] . Hij overhandigde een bank-giro-formulier ten name van [A] voor een bedrag ad f 1.175, -- ten gunste van rekeningnummer [rekeningnummer] ten name van [betrokkene 3] . Poortugaal met omschrijving: Telefonische overboeking Amro Poortugaal, rekening nummer 1711.
Het bank-giro-formulier was ons inziens ondertekend door de firmanten van autospuiterij v/h J. [betrokkene 1] . Doordat [verdachte] voornoemd ons dit bank-giro-formulier overhandigde, werden wij bewogen om dit geld over te boeken. Wij hadden geenszins het vermoeden dat de handtekeningen op het bank-giro-formulier vals waren";
als op 29 oktober 1980 aan de verbalisanten [verbalisant 3] en [verbalisant 5] afgelegde verklaring van [betrokkene 9] , na vertoon van een bank-giro-formulier ten name van 1 [A] ten gunste van [betrokkene 3] ten bedrage van f 1.175, -:
"Sinds 1 mei 1979 ben ik samen met [betrokkene 10] eigenaar van [A] .
[verdachte] regelde voor ons de boekhouding en andere administratieve handelingen.
Thans is ons gebleken dat een bedrag van f 1.175, -- werd overgeschreven naar de rekening van " [betrokkene 3] Vastgoed" te Poortugaal, n.a.v. een telefonische opdracht daartoe aan de bank door [verdachte] . Deze telefonische opdracht zou door ons de dag nadien schriftelijk zijn bevestigd d.m.v. het ondertekenen van een bank-giro-formulier. Nu u dit formulier toont durf ik met zekerheid te beweren dat de daaronder van mij geplaatste handtekening NIET door mij geschreven is. Tevens zie ik, dat de handtekening van mijn compagnon niet daarop door hem is geschreven. Ik plaats nl. mijn handtekening door te schrijven de voorletters […] en niet […] voluit. Door [verdachte] werd in die tijd de post verzorgd.
Bij de AMRO-bank hebben wij een rekening-courant waarvoor wij beiden, mijn compagnon en ik, onze handtekening moesten plaatsen. Slechts wij zijn bevoegd om van deze rekening geld op te nemen, mits het bank-giro-formulier voorzien is van beide handtekeningen. Door het plaatsen van een valse handtekening onder stukken van de bank werd ten laste van onze rekening geld afgeboekt. Hierdoor hebben wij nadeel geleden voor een aanzienlijk bedrag";
als op 29 oktober 1980 aan de verbalisanten [verbalisant 3] en [verbalisant 5] afgelegde verklaring van [betrokkene 10] , na vertoon van een bank-giro-formulier ten name van [A] ten gunste van [betrokkene 3] ten bedrage van f 1.175, -:
"Sinds 1 mei 1979 ben ik samen met [betrokkene 9] eigenaar van de [A] .
[verdachte] regelde voor ons de boekhouding en andere administratieve handelingen.
Thans is gebleken dat een overboeking van f 1.175, -- naar de rekening van " [betrokkene 3] Vastgoed" te Poortugaal plaatsvond naar aanleiding van een telefonische opdracht aan de Rabobank te Spijkenisse door [verdachte] . Deze telefonische opdracht, zou door mij en mijn compagnon een dag daarna schriftelijk zijn bevestigd door ondertekening van een bank-giro-formulier. Nu u mij het betreffende formulier toont, durf ik met 100% zekerheid te beweren dat de daaronder zogenaamd van mij geplaatste handtekening NIET door mij werd gezet. Ook zie ik dat de daaronder zogenaamd van mijn compagnon afkomstige handtekening, niet de handtekening is van hem.
Bij de Amro-bank hebben wij een rekeningcourant waarvoor ik èn mijn compagnon beiden onze handtekening moeten plaatsen. Slechts wij beiden zijn bevoegd om van deze rekening geld op te nemen, mits het daarbij gebruikte bank-giro-formulier is voorzien van de handtekeningen van ons beiden. Door het plaatsen van een valse handtekening onder stukken van de bank werd ten laste van onze rekening geld afgeboekt. Hierdoor hebben wij nadeel geleden voor een aanzienlijk bedrag;
als relaas van verrichtingen van verbalisanten:
"Terzake mogelijke valsheid in geschrifte met gebruikmaking van een bank-giro-formulier van het bedrijf " [betrokkene 1] ", werden de verdachte met diens toestemming een aantal schrijfproeven afgenomen die aan het gerechtelijk laboratorium van het ministerie van justitie te Rijswijk ter hand gesteld zijn.
Ook het bank-giro-formulier dat verdachte [verdachte] aan de RABO-bank te Spijkenisse had overhandigd om een bedrag ad f 1.175, -- ten laste van de rekening van " [betrokkene 1] " over te boeken op rekeningnummer [rekeningnummer] ten gunste van [betrokkene 3] te Poortugaal, is voor nader schriftonderzoek in handen gesteld van het gerechtelijk laboratorium";
C.1. een rapport nr. 61133/IX/80 van 20 januari 1981, opgemaakt door [betrokkene 11] , schriftkundige aan het Gerechtelijk Laboratorium van het Ministerie van Justitie te Rijswijk, op de door haar afgelegde eed als vast gerechtelijk deskundige, voor zover inhoudende :
"Als resultaat van het door ons ingestelde vergelijkend schriftonderzoek in de zaak contra [verdachte] , deel ik U het volgende mee.
De betwiste handtekeningen voor [betrokkene 10] en [betrokkene 9] , voorkomend op een bank-giro-formulier van de Rabobank, zijn vergeleken met de overgelegde vergelijkingshandtekeningen van rechthebbende [betrokkene 10] en. [betrokkene 9] .
Bij vergelijking van de betwiste handtekeningen voor [betrokkene 10] en [betrokkene 9] op het bank-giro-formulier zijn ten opzichte van het vergelijkingsschrift van genoemden een aantal belangrijke te noemen verschillen geconstateerd in de vormgevingen van de letters en details van de schrijfbewegingen. Aard en kwaliteit van deze verschillen zijn dusdanig dat geconcludeerd kan worden dat beide betwiste handtekeningen op het formulier met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid vals zijn d.w.z. met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid niet gezet door [betrokkene 10] en [betrokkene 9] " ;
C.2. een rapport nr. 61133/IX/80 van 24 februari 1981, opgemaakt door [betrokkene 11] voornoemd, op de door haar afgelegde eed als vast gerechtelijk deskundige, voor zover inhoudende:
"Als resultaat van het door ons ingestelde voortgezette vergelijkend schriftonderzoek in de zaak contra [verdachte] , deel ik U het volgende mee.
Het voortgezette onderzoek heeft onder meer betrekking gehad op de handtekeningen voorkomend op het betwiste bank-giro-formulier van de Rabobank.
Het betwiste schrift is vergeleken met de overgelegde schrijfproeven van verdachte.
Voor wat betreft de betwiste handtekeningen voor [betrokkene 10] en Willem [betrokkene 9] zijn in een aantal letters overeenkomsten aangetroffen met het overgelegde vergelijkingsschrift van [verdachte] .
Te noemen zijn o.a. de letters […] , […] en […] en in mindere mate de letter […] in de betwiste handtekening [betrokkene 10] en de letters […] , […] , […] en […] in de betwiste handtekening [betrokkene 9] .
Een enkele betwiste schrijfbeweging kon niet als zodanig in het vergelijkingsschrift worden gesignaleerd, hetgeen mogelijk te wijten is aan het feit dat het hier nabootsing betreft van echte handtekeningen van de rechthebbenden. Aard en kwaliteit van de wel geconstateerde overeenkomsten zijn echter dusdanig dat geconcludeerd mag worden dat de hier bedoelde betwiste handtekeningen waarschijnlijk door [verdachte] zijn gezet".
5. Beoordeling van het eerste middel
5.1. De dagvaarding van verdachte om in hoger beroep terecht te staan ter terechtzitting van het Hof van 8 januari 1982 is volgens de daaraan gehechte akte van uitreiking op 18 december 1981 betekend op de wijze als voorgeschreven in artikel 588, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering. 5.2. Het proces-verbaal van die terechtzitting houdt onder meer in:
"De verdachte ... is niet verschenen. De raadsman van verdachte, mr. H. v.d. Schoor, advocaat te Rotterdam, is wel ter terechtzitting aanwezig. Op vordering van de procurureur-generaal verleent het gerechtshof verstek tegen de niet verschenen verdachte en beveelt, dat met de behandeling van de zaak zal worden voortgegaan. De procureur-generaal deelt mede dat verdachte telefonisch heeft verzocht om aanhouding van de behandeling van zijn zaak ter terechtzitting; verdachte heeft namelijk nog niet de getuigen, die hij wil laten oproepen, kunnen bereiken. Gelet op het verzoek van de verdachte schorst het hof, gehoord de procureur-generaal, het onderzoek tot de terechtzitting van 16 april 1982 te 10.15 uur .. .. ".
Dat de raadsman, zoals het middel stelt, "heeft uitgelegd, waarom hij niet vergezeld was van zijn cliënt", vindt geen grondslag in de stukken van het geding.
5.3. Onder deze omstandigheden was het Hof niet gehouden ervan blijk te geven dat het heeft onderzocht of de dagvaarding in hoger beroep geldig is betekend. De in de toelichting op het middel vervatte stelling, dat het Hof verzuimd heeft zulks na te gaan, mist feitelijke grondslag.
5.4. Het middel faalt derhalve.
6. Beoordeling van het tweede middel
6.1. De in het middel genoemde rapporten van 20 februari 1981 en 24 februari 1981, in het proces- verbaal van de terechtzitting der Rechtbank van 14 april 1981 vermeld als stukken waarvan de korte inhoud is medegedeeld, bevinden zich bij de ingevolge artikel 433, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering door de Griffier van het Hof aan de Griffier van de Hoge Raad toegezonden stukken van het geding.
6.2. Het Hof heeft in de bestreden uitspraak overwogen, dat het de stukken van het geding heeft gezien. 6.3. Nu geen aanwijzing bestaat van het tegendeel moet dan ook worden aangenomen, dat het Hof ook van de onderhavige gedingstukken heeft kennisgenomen.
6.4. Voor zover het middel dit laatste betwist mist het feitelijke grondslag.
6.5. Voor het overige miskent het middel, dat de waardering en de selectie van het bewijsmateriaal zijn voorbehouden aan de rechter die over de feiten oordeelt en geen motivering behoeven.
6.6. Het middel treft mitsdien geen doel.
7. Beoordeling van het derde middel
7.1. Ten aanzien van de strafoplegging heeft het Hof overwogen en beslist:
"dat na te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de aard van de feiten en de omstandigheden, waaronder zij zijn begaan en met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte, voorzover van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken, waarbij het hof in aanmerking neemt, dat verdachte van 24 maart 1981 tot 20 mei 1981 terzake van parketnummer: "07698-81 in voorlopige hechtenis is geweest en waarbij het hof voorts met toepassing van artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht in rekening, brengt dat verdachte is veroordeeld:
bij vonnis van de politierechter te Alkmaar d.d. 29 oktober 1979 terzake van "diefstal", meermalen gepleegd, tot een gevangenisstraf van drie maanden, waarvan twee maanden voorwaardelijk, proeftijd twee jaren, met aftrek van voorarrest;
bij vonnis van de arrondissementsrechtbank te Breda van 18 juni 1981 terzake van bedreiging, met enig misdrijf tegen het leven gericht, meermalen gepleegd, en overtreding van een voorschrift; vastgesteld bij artikel 3 van de "Vuurwapenwet 1919", meermalen gepleegd, tot een gevangenisstraf van drie maanden met aftrek van voorarrest, met onttrekking aan het verkeer van het inbeslaggenomene;
"bij vonnis van de kantonrechter te Almelo d. d ... 16 januari 1981 terzake van een overtreding tot een geldboete van f 200, -- , vervangende hechtenis vier dagen" .
7.2. In aanmerking genomen, dat volgens de wet terzake van de bewezenverklaarde feiten een gevangenisstraf kan worden opgelegd van ten hoogste acht jaren heeft het Hof aldus de oplegging van negen maanden gevangenisstraf naar de eis der wet met redenen omkleed.
7.3. Daaraan doet niet af, dat de Rechtbank terzake van dezelfde feiten alsmede terzake van oplichting van welk laatste feit het Hof verdachte heeft vrijgesproken - verdachte had veroordeeld tot een jaar gevangenisstraf.
7.4. De opvatting van het middel, dat voorarrest terzake van een feit waaraan de verdachte onschuldig zou zijn en waarvan hij is vrijgesproken "veelvoudig" in rekening gebracht behoort te worden, vindt geen steun in het recht, in het bijzonder niet in artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht.
7.5. Artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht, dat deel uitmaakt van de zesde titel van het eerste boek, handelende over samenloop van strafbare feiten, verplicht de rechter bij de strafoplegging rekening te houden met een vroegere hem bekende het maximum der op te leggen straf beperkende veroordeling "met toepassing der bepalingen van dezen titel voor het geval van gelijktijdige berechting". Daarbij is niet van belang of die vroegere veroordeling al dan niet kracht van gewijsde heeft bekomen.
7.6. Het Hof heeft, in verband met voormeld artikel overwegende als onder 1 is weergegeven, er rekenschap van gegeven die regel niet uit het oog te hebben verloren. Uit die overweging in haar geheel bezien kan - anders dan in het middel wordt betoogd - bezwaarlijk worden afgeleid, dat het de feiten terzake waarvan verdachte is veroordeeld bij de in die overweging vermelde vonnissen als strafverhogende omstandigheden in aanmerking heeft genomen.
7.7. Het middel is mitsdien tevergeefs voorgesteld.
8. Slotsom
Nu de middelen niet tot cassatie kunnen leiden, terwijl de Hoge Raad ook geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, moet het beroep worden verworpen .
9. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de president Moons als voorzitter en de raadsheren Bronkhorst, De Groot, Hermans en Haak, in bijzijn van de griffier Sillevis Smitt-Mülder, en uitgesproken op 17 mei 1983.