eb
Nr. 74 896
Zitting 5 april 1983
Mr. Leijten
Conclusie inzake:
[verdachte]
Edelhoogachtbare Heren,
In deze zaak is verzoeker tot cassatie bij arrest van het hof te Den Haag van 29 april 1982, waarbij het in deze zaak op 28 april 1981 door de rechtbank te Rotterdam gewezen vonnis werd vernietigd, wegens, kort gezegd, gekwalificeerde diefstal en opzettelijk gebruik maken van een vervalst geschrift bij verstek veroordeeld tot negen maanden gevangenisstraf met aftrek. De rechtbank, die ook veroordeelde voor oplichting, waarvan het hof verzoeker vrijsprak, had hem een jaar gevangenisstraf opgelegd.
Tegen het arrest van het hof heeft verzoeker zich van beroep in cassatie voorzien. Door hem zijn vervolgens in een schriftuur, waarin hij meedeelt, dat zijn beroep in cassatie uiteraard niet is gericht tegen de in het arrest vervatte vrijspraken, drie middelen van cassatie voorgesteld en uitvoerig toegelicht.
Het eerste middel houdt de klacht in, dat het hof - zo lees ik het middel - heeft verzuimd te onderzoeken of de dagvaarding in appèl op juiste wijze was uitgebracht.
De betekenings- of uitreikingsvoorschriften met betrekking tot, onder meer, dagvaardingen in strafzaken, hebben ten doel zoveel mogelijk waarborgen te scheppen, dat die dagvaardingen de betrokkenen daadwerkelijk bereiken. Daarom wordt elke foute uitreiking gedekt door (vrijwillige) verschijning van de betrokkene (art. 590 Sv.).
In dit geval blijkt uit het zittingsproces-verbaal van het hof van 8 januari 1982, dat de raadsman van verzoeker toen wel, verzoeker zelf niet ter zitting aanwezig was en dat de procureur- generaal toen ter zitting meedeelde, "dat verdachte telefonisch heeft verzocht om aanhouding van de behandeling van zijn zaak ter terechtzitting; verdachte heeft namelijk nog niet de getuigen, die hij wil laten oproepen, kunnen bereiken".
De behandeling van de zaak is toen aangehouden tot 16 april 1982. Ik zou menen, dat uit het voorgaande blijkt, dat het hof er minstens van uit mocht gaan dat de dagvaarding in hoger beroep verzoeker had bereikt en dat dus een onderzoek als door verzoeker verlangd, niet meer nodig was. Daarop stuit dit eerste middel af.
Het tweede middel houdt allereerst de klacht in, dat het hof niet in zijn oordeel heeft kunnen laten meewegen de inhoud van de rapporten van 20 februari 1981 en 21 februari 1981 (van welke rapporten ter zitting van de rechtbank de korte inhoud is meegedeeld). Zie ik het goed, dan houdt de klacht dus in, dat het hof op een onvolledig dossier heeft recht gedaan.
Echter: die rapporten bevinden zich thans wel in het dossier van deze strafzaak, dat ik onder mij heb en nu het hof in zijn arrest vermeldt: "gezien de dagvaardingen en de overige stukken van het geding" terwijl, zoals het hof bekend moest zijn uit het zittingsproces-verbaal van de rechtbank, ook die rapporten tot de gedingstukken behoorden, moet het ervoor gehouden worden, dat ook van die rapporten door het hof kennis is genomen.
Voorts wordt onder dit middel naar voren gebracht - subsidiair - dat het hof niet opgemerkt zou hebben dat de rechtbank het schriftkundig rapport van ir. […] - het rapport van 20 februari 1981 - niet voor het bewijs heeft gebezigd. Rechtbank en hof waren echter vrij om uit het beschikbaar bewijsmateriaal dat deel te kiezen, dat hun goed toescheen, zonder dat zij hoefden te beargumenteren waarom zij de gegevens uit het ene rapport wel, die uit het ander rapport niet van belang achtten voor de vraag naar de bewezenverklaring.
Wat in dit middel overigens nog naar voren wordt gebracht betreft beschouwingen, die in cassatie niet aan de orde kunnen komen en gegevens van feitelijke aard, waarvan de waardering is voorbehouden aan de rechter, die over de feiten oordeelt. Ik acht dit middel niet aannemelijk.
Het derde middel klaagt over de ongenoegzaamheid van de strafmotivering, de manier waarop artikel 63 Sr. is toegepast, en over de omstandigheid dat er geen rekening mee is gehouden (niet veelvoudig in rekening is gebracht) dat verzoeker voorlopige hechtenis heeft ondergaan voor een feit, waarvoor hij is vrijgesproken. Gelet op de door het hof bewezenverklaarde - twee - feiten, die samen met maximaal 8 jaren gevangenisstraf kunnen worden bestraft, terwijl diezelfde maximumstraf ingevolge art. 57 Sr. ook gold voor de - drie - door de rechtbank bewezenverklaarde feiten, gelet ook op het feit, dat het hof de door de rechtbank opgelegde straf van één jaar heeft verlaagd tot negen maanden kon het hof ter motivering van de in appel opgelegde straf volstaan met de standaardformule, plus vermelding der ondergane voorlopige hechtenis (artikel 63 Sr. laat ik hier nog even buiten beschouwing).
Wat precies de klacht inzake art. 63 Sr. inhoudt is mij niet geheel duidelijk geworden. Het hof was wettelijk verplicht op de voet van art. 57 Sr. rekening te houden met - al dan niet onherroepelijk - geworden veroordelingen van verzoeker nu de onderhavige feiten op 5 juni 1980 en op of omstreeks 17 oktober 1979 en dus (ten dele) vóór de data waarop die andere veroordelingen vielen (29 oktober 1974, 18 juni 1981 en 16 januari 1981) zijn begaan. De bedoeling daarvan is er voor te waken, dat de maximumstraffen, die zouden gelden bij gelijktijdige berechting niet worden overschreden. Uit de vermelding van die vroegere veroordelingen valt niet af te leiden, dat die vroegere veroordelingen - de "recidive"-strafverzwarend heeft gewerkt.
Dat op veelvoudige manier (is bedoeld door verdubbeling, althans vermeerdering van het feitelijke tijdsbestek?) rekening zou moeten worden gehouden bij de strafoplegging met voorlopige hechtenis ondergaan terzake van een feit, waarvoor men later wordt vrijgesproken is niet juist. Artikel 27 lid 4 Sr. handelt over gevallen als het onderhavige en bepaalt dat dan de in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebrachte tijd gewoon (dit is enkelvoudig) bij de uitvoering van de straf voor het andere feit of de andere feiten, in mindering zal worden gebracht.
Omdat ik ook het derde middel niet gegrond acht concludeer ik tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden,