Hoge Raad der Nederlanden
derde kamer
22 juli 1985.
nr. 22.780
ARREST
gewezen op het beroep in cassatie van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [X] B.V. te [Z] (gemeente [Q]) tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Leeuwarden van 3 februari 1984 betreffende de van haar door de voormalige gemeente [Z] voor het afgeven van na te melden hinderwetvergunning geheven leges.
1. Aanslag en bezwaar.
Aan belanghebbende is door Burgemeester en Wethouders van de voormalige gemeente [Z] op 1 november 1982 een nieuwe - de gehele inrichting aan de [a-straat 1] te [Z] omvattende - vergunning als vereist bij de Hinderwet verleend. Burgemeester en Wethouders hebben voor het afgeven van die vergunning van belanghebbende leges geheven ten bedrage van f. 22.360,67, op het aanslagbiljet gespecificeerd als: "leges f. 39, -- , publikatiekosten f. 239,62, advieskosten [A] f. 22.082,05". Deze aanslag is, na daartegen gemaakt bezwaar, door Burgemeester en Wethouders gehandhaafd.
2. Legesverordening.
In de voormalige gemeente [Z] gold in 1982 een legesverordening; waarvan de te dezen van belang zijnde bepalingen luiden als volgt:
Artikel 1.
Aard van de belasting.
Voor het door of vanwege de gemeente verlenen van de in deze verordening omschreven diensten worden overeenkomstig de bepalingen van deze verordening rechten geheven onder de naam "leges".
Artikel 2.
Belastingplicht.
De leges worden geheven van degene op wiens verzoek of aanvrager dan wel ten behoeve van wie een in deze verordening omschreven dienst wordt verleend.
Artikel 3.
Algemeen.
Voor zover in deze verordening niet anders is bepaald voor:
Artikel 32.
Hinderwet.
Voor het afgeven van:
1.Een vergunning, als bedoeld. in artikel 2, of een tijdelijke vergunning, als bedoeld in artikel 16 van de Hinderwet:
Indien een inrichting valt onder meer dan één der bovengenoemde categorieën, geldt het hoogste tarief van die categorieën.
2. een vergunning, als bedoeld in artikel 6a van de Hinderwet:
5. Het bedrag der in de 1 tot en met 4 genoemde leden wordt verhoogd met de publikatiekosten die door de gemeente moet worden gemaakt in verband met de toepassing van de Wet Algemene Bepalingen Milieuhygiëne.
6. Het bedrag der in de 1 tot en met 4 genoemde leden wordt eveneens verhoogd met de kosten van de ten behoeve van de belanghebbende door de gemeente in te winnen externe adviezen.
3. Geding voor het Hof.
Belanghebbende is van de uitspraak van Burgemeester en Wethouders in beroep gekomen bij het Hof.
Het Hof heeft de vaststaande feiten en het tussen partijen bestaande geschil omschreven als volgt:
Belanghebbende heeft blijkens haar statuten ten doel - voor zover hier van belang - de: handel in hout en aanverwante artikelen en wat tot een en ander behoort, alles in de meest ruime zin.
Zij exploiteert in dit verband een onderneming te [Z]. Op 10 juli 1980 verzocht belanghebbende om een vergunning op grond van de Hinderwet.
Op 9 juli 1980 gaven Burgemeester en Wethouders opdracht aan [A] BV te [R] (: [A]) om te adviseren. inzake de betreffende hinderwetvergunning.
[A] raamde -- blijkens haar schrijven van 5 augustus 1980 aan Burgemeester en Wethouders - de kosten op f. 10.500, -- , exclusief omzetbelasting, en de te besteden tijd op 12 1/2 werkdag, waarbij eventuele besprekingen met diverse instanties en belanghebbende alsmede eventuele metingen niet ingecalculeerd waren.
De behandeling van belanghebbendes verzoek werd opgeschort in verband met een mogelijke verplaatsing van haar onderneming.
Bij schrijven van 22 mei 1981 deelden Burgemeester en Wethouders belanghebbende mede, dat die verplaatsing, een langer tijdsbestek zou vragen dan oorspronkelijk was gepland, zodat de hinderwetprocedure diende te worden afgewerkt, waartoe zij [A] opdracht hadden gegeven om het verzoek van belanghebbende van 10 juli 1980, ter verkrijging van een hinderwetvergunning, weer ter hand te nemen.
Tevens deelden Burgemeester en Wethouders mede, dat de daaraan verbonden kosten voor rekening van belanghebbende zouden komen, welke kosten geraamd werden op f. 10.500, -- , exclusief omzetbelasting.
Bij schrijven van 11 juni 1981 bevestigde belanghebbende aan Burgemeester en Wethouders; de ontvangst van voormeld schrijven van 22 mei 1981 en vermeldde voort. als - met een vertegenwoordiger van de gemeente - gemaakte afspraak dat zij in een zo vroeg, mogelijk stadium bij het betreffende onderzoek zou worden ingeschakeld, onder meer, omdat de kosten van het onderzoek zo laag mogelijk moesten blijven.
Bij schrijven van 1 juli 1981 deelden Burgemeester en Wethouders aan belanghebbende mee dat zij van de inhoud van haar voormelde schrijven van 11 juni 1981 goede nota hadden genomen. Voorts houdt dat schrijven in: "De legeskosten voor de hinderwetvergunning bedragen inderdaad plusminus f. 50, -- , daarnaast worden ...... de kosten van een externe deskundige in rekening gebracht, omtrent de raming van de kosten verwijzen wij naar ons schrijven de dato 22 mei. j.l.".
Een schrijven van [A] de dato 14 juli 1981 aan Burgemeester en Wethouders houdt naar aanleiding van een bespreking ten stadhuize en een bezoek aan het bedrijf van belanghebbende op 9 juli 1981 - onder meer - in, dat diverse voor de Hinderwet essentiële onderdelen niet op de tekeningen zijn aangegeven en het aanvraagformulier niet volledig is ingevuld, weshalve [A] Burgemeester en Wethouders adviseert belanghebbende te verzoeken de aanvraagstukken te verbeteren en/of aan te vullen.
Een schrijven de dato 28 oktober 1981 van [A] aan Burgemeester en Wethouders houdt een verzoek om aanvullende gegevens in.
Bij schrijven van 16 december 1981 zond [A] aan Burgemeester en Wethouders een declaratie toe, in
welk schrijven mededeling werd gedaan van een overschrijding ten aanzien van de kostenraming de dato 5 augustus 1980 ten bedrage van f. 10.500, -- , exclusief omzetbelasting.
Het schrijven geeft hierbij de volgende toelichting:
"Deze is veroorzaakt door:
- het verrichten van geluidmetingen op 9 juli 1981, inclusief rapportage;
- het maken van akoestische berekeningen welke in de conceptvoorwaarden zijn verwerkt;
- bespreking geluidmeetrapport op oktober j.l .;
- loon- en prijsstijgingen sinds 1980 omdat onze raming was gebaseerd op het prijspeil juli 1980.
De kosten met betrekking tot de bespreking van de conceptvoorwaarden welke gehouden wordt op 17 december a.s. benevens eventuele aanpassing van de 1e versie conceptvoorwaarden zijn hier uiteraard niet bij inbegrepen".
Bij schrijven van 7 januari 1982 hebben Burgemeester en Wethouders aan [A] om het totaalbedrag van de adviseringskosten gevraagd ten einde belanghebbende daaromtrent te kunnen inlichten.
Bij schrijven van 7 januari 1982 hebben Burgemeester en Wethouders belanghebbende van een en ander mededeling gedaan, op welk schrijven belanghebbende reageerde bij schrijven van 29 januari 1982.
Bij schrijven van 13 mei 1982 deelden Burgemeester en Wethouders aan belanghebbende mede, dat de totale kosten van [A] f. 22.082,05, inclusief omzetbelasting bedroegen.
Bij schrijven van 8 november 1982 deelden Burgemeester en Wethouders aan belanghebbende mee, dat de hinderwetvergunning gereed lag, onder opgaaf van het ter zake door belanghebbende verschuldigde bedrag, welke opgaaf als volgt was gespecificeerd:
Het geschil betreft de vraag of belanghebbende het bedrag wegens advieskosten door [A] ad f. 22.082,05 verschuldigd is - zoals Burgemeester en Wethouders, verdedigen - dan wel f. 10.500, -- + 18%. omzetbelasting ten bedrage van f. 1.890, -- , zijnde in totaal f. 12.390, -- zoals belanghebbende voorstaat.
Het: Hof heeft de standpunten van partijen weergegeven als volgt:
Namens belanghebbende is in het beroepschrift en namens en door haar mondeling ter voormelde zittingen van 27 mei 1983 en 21 november 1983 gesteld - zakelijk weergegeven -:
Primair merken Burgemeester en Wethouders de externe advieskosten ten onrechte aan als onderdeel van een belastingaanslag, aangezien het hier niet gaat om leges bedoeld in artikel 277 aanhef en onder a, van de gemeentewet of rechten onder b van genoemd artikel, ter zake van het genot van door of vanwege het gemeentebestuur verstrekte diensten, doch om: afwenteling van kosten, welke Burgemeester en Wethouders via de gewone rechter dienen te incasseren.
Subsidiair is, zo van een belastingaanslag wel sprake is, die aanslag, voor wat betreft het bedrag ad f. 22.082,05, haar ten onrechte opgelegd, omdat artikel 32, lid 6, van de Legesverordening spreekt van "kosten van de ten behoeve van de belanghebbende door de gemeente in te winnen externe adviezen".
De adviezen van [A] zijn allerminst ten behoeve van haar maar uitsluitend ten behoeve van de gemeente uitgebracht. De adviezen zijn uitgebracht zonder dat daarover overleg met haar heeft plaatsgevonden; zij waren buitengewoon onpraktisch en zijn door de gemeente niet gevolgd bij het verlenen van de vergunning.
Overigens wil zij niet terugkomen op het door haar ter zake aanvaarde: bedrag ad. f. 12.390,- en de bedragen ad. f. 39, -- en f. 239, 62, zodat zij het geschil wil beperken tot een bedrag van f. 22.082,05 - f. 12.390, -- = f. 9.692,05.
Meer subsidiair is de gemeente onzorgvuldig geweest met betrekking tot haar belangen. Zij heeft niet gevraagd om het dure bureau van [A]. TNO zou goedkoper geweest zijn.
Burgemeester en Wethouders hebben de kosten onvoldoende beperkt en daarmee hun zorgplicht jegens haar onvoldoende in acht genomen.
Nog meer subsidiair zijn Burgemeester en Wethouders gebonden aan de offerte van f. 10.500, -- , exclusief omzetbelasting, in hun schrijven van 22 mei 1981, nu dit bedrag bij dat schrijven is overeengekomen.
De uitspraak van Burgemeester en Wethouders moet worden vernietigd en de aanslag verminderd tot een aanslag van f. 22.360,67 - f . 9.692,05 = f. 12.668,62.
Door Burgemeester en Wethouders is schriftelijk en mondeling namens hen ter voormelde zittingen aangevoerd - zakelijk weergegeven -:
De onderhavige aanslag is opgelegd krachtens de door de Kroon goedgekeurde Legesverordening en wel voor de in de artikelen 1, 2 en 32 bedoelde dienstverlening, bestaande uit het afgeven van een vergunning krachtens de Hinderwet aan belanghebbende. Artikel 32, lid 6, van de Legesverordening bepaalt, dat het bedrag van de onder 1 tot en met 4 genoemde leges verhoogd wordt met de kosten van de ten behoeve van de belanghebbende door de gemeente in te winnen externe adviezen. Het gehele bedrag f. 22.082,05 is daarom terecht als leges in de aanslag opgenomen, aangezien hier sprake is van belastingheffing. Zulks is ook in overeenstemming met de wil van de wetgever. Aanvragen om hinderwetvergunningen, welke - zoals de onderhavige aanvraag - moeilijk liggen, worden altijd aan een deskundige voorgelegd, waarbij de gemeente er steeds naar streeft om de kosten zo laag mogelijk te houden. De gemeente heeft overigens die kosten niet in de hand doch is daarbij van de externe deskundige afhankelijk.
Het verschil tussen het oorspronkelijk geraamde bedrag en de uiteindelijke hoogte van de nota valt als volgt te verklaren:
- niet gecalculeerd waren de besprekingen welke mogelijkerwijs met diverse instanties en het bedrijf gehouden moesten worden tijdens de procedure;
- eveneens waren niet gecalculeerd de kosten van eventuele metingen.
Van besprekingen is sprake geweest op 9 juli 1981 en 5 oktober 1981, tevens heeft er een geluidsmeting plaatsgevonden.
De aan de besprekingen en geluidsmeting verbonden werktijd kan, inclusief de verslaglegging, worden bepaald op 6 à 7 werkdagen, waardoor het totaal aantal declarabele dagen voor [A] stijgt van 12,5 (oorspronkelijke raming) tot 19,5.
De einddeclaratie heeft betrekking op 21,6 dagen, waardoor uiteindelijk er slechts sprake is van een overschrijding van de oorspronkelijke raming met: 2,1 dag.
Dit komt ongeveer neer op een overschrijding met 10%. Zij achten dit zonder meer aanvaardbaar, omdat zeer moeilijk een exacte raming kan worden. gemaakt.
Voorts kan de stijging van de declaratie voor een deel worden verklaard door de in de periode 1980 - 1981 plaatsgehad hebbende prijsstijgingen en het feit dat de advisering over de hinderwetaanvraag van belanghebbende na een onderbreking van plusminus 10 maanden opnieuw ter hand moest worden genomen.
Op hun verzoek heeft [A] bij schrijven van 8 juni 1983 aan hen een overzicht laten toekomen van de verrichte werkzaamheden ten behoeve van belanghebbende. Alhoewel hieruit geen exacte tijdsbesteding - valt af te leiden, menen zij toch dat hiermede- genoegzaam wordt aangetoond dat [A] in alle redelijkheid tot de indiening van de door belanghebbende bestreden nota kon komen. Ten slotte heeft [A] hun nog medegedeeld, dat het onmogelijk is een vergelijking te trekken met andere hinderwetvergunningen. Elke aanvraag om vergunning wordt in principe naar een zelfde procedure afgewerkt.
In hoeverre zulks mogelijk is, is afhankelijk van de vraag in hoeverre er zich problemen voordoen die om nadere studie en onderzoek. vragen. Bij elke aanvraag ligt dit verschillend. De betreffende kosten zijn gemaakt naar aanleiding van belanghebbendes aanvraag om een vergunning. Het zijn kosten voor een advies van een externe deskundige, welk advies de gemeente behoefde ten einde op verantwoorde wijze op belanghebbendes aanvraag te kunnen beslissen. Het zijn derhalve kosten die zonder enige twijfel vallen onder artikel 32, lid. 6, van de Legesverordening.
Zij hebben, alvorens met [A] in zee te gaan, een raming van de desbetreffende kosten gevraagd en aan belanghebbende duidelijk gemaakt, dat het om een raming ging. Van een overeenkomst, waarbij met belanghebbende de hoogte van de door haar verschuldigde advieskosten werd bepaald op f. 10.500,-, exclusief omzetbelasting, is geen sprake. Van onzorgvuldigheid van hun kant is, gezien de werkelijke gang van zaken, eveneens geen sprake.
Zij concluderen tot bevestiging van de bestreden uitspraak.
Het Hof heeft omtrent het geschil overwogen:
Blijkens artikel 277 van. de gemeentewet worden de door de gemeente gevorderde leges voor gemeentelijke belastingen gehouden. Uit de memorie van antwoord (bladzijde 19, linker kolom) bij voormeld gemeentewetsartikel blijkt, dat - voor zover hier van belang - kosten als die van deskundigen bij hinderwetvergunningen door de gemeente in de leges volledig aan de belanghebbenden zullen kunnen worden doorberekend.
Artikel 32, lid 6, van de Legesverordening bepaalt in dit verband: Het bedrag der in de 1 tot en met 4 genoemde leges wordt eveneens verhoogd met. de kosten van de ten behoeve van de belanghebbende door de gemeente in te winnen externe adviezen. Het Hof merkt hierbij op, dat. het het woord "leden" in die bepaling - daarbij gelet op de tekst van de artikelen 12, leden 4, 5 en 7, en 13, leden 2 en 4, van de Legesverordening - aanmerkt als een kennelijke drukfout en dit woord leest als: "leges"
Ook de kosten van externe deskundigen worden derhalve voor belastingen gehouden, zodat het Hof, nu de onderhavige aanslag, gedagtekend 8 november 1982, is gebaseerd op voormeld artikel 32, lid. 6, daarbij gelet op de artikelen 281 en. 283 van de gemeentewet, in casu bevoegd is.
Belanghebbende heeft aangevoerd, dat de onderhavige externe adviezen niet ten behoeve van haar maar ten behoeve van de gemeente zijn ingewonnen, doch ten onrechte, nu immers de gemeente die adviezen heeft ingewonnen naar aanleiding van belanghebbendes verzoek tot afgifte van een hinderwetvergunning, ten einde - naar Burgemeester en Wethouders onweersproken hebben gesteld - op verantwoorde wijzer op belanghebbendes aanvraag te kunnen beslissen.
De onderhavige aanslag werd geheel in overeenstemming met de Legesverordening opgelegd.
De rechter moet recht spreken volgens de wet en mag in geen geval de innerlijke waarde of de billijkheid van de wet beoordelen.
Het Hof kan daarom slechts aan belanghebbendes grief, dat de aanslag tot een te hoog bedrag is opgelegd, tegemoetkomen voor zover er duidelijk sprake is van een willekeurige en onredelijke belastingheffing, welke de wetgever bij het toekennen van de bevoegdheid tot het heffen van de leges niet op het oog kan hebben gehad.
Gelet op de aard en hoeveelheid van de door [A] verrichte werkzaamheden, zoals deze blijken uit de specificaties in de door Burgemeester en Wethouders bij hun schrijven van 30 juni 1983 overgelegde correspondentie, en op hetgeen Burgemeester en Wethouders daaromtrent in voormeld schrijven van 30 juni 1983 - onbetwist - hebben aangevoerd, is aan het. Hof van een zodanige willekeurige en. onredelijke belastingheffing in casu niet gebleken.
Belanghebbende beroept zich op een overeenkomst tussen haar en de gemeente, waarbij het bedrag der door haar te dragen kosten voor externe adviezen op f. 10.500, -- , exclusief omzetbelasting, zou zijn vastgesteld.
Gelet op de betwisting van een zodanige overeenkomst door Burgemeester en Wethouders, de mededeling van Burgemeester en Wethouders aan belanghebbende, dat de kosten van een externe deskundige voor haar rekening komen, het omschrijven van het bedrag van f. 10.500, -- , exclusief omzetbelasting, als raming (brieven van 22 mei 1981 en 1 juli 1981) en de mededelingen van Burgemeester en Wethouders aan belanghebbende met. betrekking tot het verloop van de desbetreffende kosten (brieven van 7 januari 1982, 10 februari 1982 en van 13 mei 1982), is het Hof van oordeel, dat belanghebbende onvoldoende feiten en omstandigheden heeft aangevoerd om de door haar gestelde overeenkomst aannemelijk te maken, zodat het Hof belanghebbendes beroep daarop verwerpt. Belanghebbende heeft geen feiten en omstandigheden aangevoerd, terwijl aan het Hof daarvan ook op andere wijze niet is gebleken, waaruit blijkt, dat de gemeente bij belanghebbende het vertrouwen heeft gewekt, dat belanghebbende de betreffende kosten slechts voor f. 10.500, -- , exclusief omzetbelasting, diende te dragen, zodat het Hof aan belanghebbendes stelling, dat Burgemeester en Wethouders aan hun offerte van f. 10.500, -- , exclusief omzetbelasting, gebonden zouden zijn, mede gelet op het vorenoverwogene, voorbijgaat.
Ook belanghebbendes grief, dat Burgemeester en Wethouders onzorgvuldig met haar belangen zijn omgegaan, welke grief het Hof verstaat als een beroep op het zorgvuldigheidsbeginsel, snijdt geen hout, nu uit de gang van zaken voorafgaande aan en ter voorbereiding van de beslissing tot het verlenen van de onderhavige vergunning aan belanghebbende, zoals die gang van zaken blijkt uit de vaststaande feiten, uit hetgeen Burgemeester en Wethouders daaromtrent, onweersproken, hebben gesteld, en uit de voormelde door Burgemeester en Wethouders bij schrijven van 30 juni 1983 overgelegde correspondentie, van de door belanghebbende gestelde onzorgvuldigheid niet blijkt.
Het Hof verwerpt daarom ook belanghebbendes beroep op het zorgvuldigheidsbeginsel.
Het beroep is niet gegrond.
Op dezer gronden heeft het Hof de uitspraak van Burgemeester en Wethouders bevestigd.
4. Geding in cassatie.
Belanghebbende heeft van 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld en heeft daarbij de volgende klachten aangevoerd:
Belanghebbende is van oordeel, dat 's Hofs uitspraak niet in stand kan blijven wegens verzuim van vormen, voor zover de niet-inachtneming daarvan uitdrukkelijk met nietigheid is bedreigd of zodanige nietigheid voortvloeit uit de aard van de niet in acht genomen vorm, subsidiair wegens schending van het recht met uitzondering van het recht van vreemde staten.
Belanghebbendes klachten concentreren zich op de waardering van de volgende feiten: Het door de gemeente [Z] ingeschakelde adviesbureau [A] maakt voor de gemeente [Z] een raming van haar kosten bij brief de dato 5 augustus.1980, welke raming neerkomt op een bedrag van f. 10.500,-, exclusief omzetbelasting. [A] geeft aan, dat bij deze begroting niet zijn begrepen besprekingen en geluidsmetingen. Deze brief wordt echter nooit aan belanghebbende ter kennis gebracht. Belanghebbende krijgt deze pas te zien vóór de tweede mondelinge behandeling bij het Gerechtshof. De gemeente deelt bij brief de dato 22 mei 1981 aan belanghebbende mede, dat de kosten van de deskundige geraamd worden op f. 10.500,-, exclusief omzetbelasting. De restricties die [A] ten aanzien van de gemeente maakt, maakt de gemeente niet ten aanzien van belanghebbende. De gemeente gewaagt er evenmin van, dat de offerte van [A] waar zij zich op baseert, 9 maanden oud is.
Belanghebbende heeft haar betoog op deze feiten bij de tweede mondelinge behandeling toegespitst. Belanghebbende had kenbaar gemaakt, dat zij de kosten zo laag mogelijk wilde houden en tijdig bij het onderzoek wenste te worden ingeschakeld. De gemeente geeft - kennelijk - opdracht tot werkzaamheden, die niet zijn geraamd, zoals het houden van besprekingen en het doen van geluidsmetingen, zonder belanghebbende mede te delen, dat dit leidt tot extra. kosten. Voor belanghebbende was niet kenbaar, dat deze werkzaamheden tot extra kosten zouden leiden. In feite heeft de gemeente een a priori onjuiste opgave gedaan, en deze te laat gecorrigeerd. Hoe zou belanghebbende moeten hebben begrijpen, dat de raming maar een raming was voor het halve werk? Normaal voorzienbare - en in feite ook wel door [A] voorziene - werkzaamheden als besprekingen en geluidsmetingen moesten toch onder een dergelijke raming begrepen zijn!
Hoewel belanghebbende niet heeft betoogd, dat tussen haar en der gemeente een overeenkomst was gesloten, vindt zij wel, dat de gemeente enigermate- gebonden is aan haar opgave. Een afwijking van bijna 100% hoeft belanghebbende niet te tolereren.
Belanghebbende is van oordeel, dat de overheid ten minste dezelfde zorgvuldigheid moet betrachten tegenover de burger, als de burgers tegenover elkaar. Dit klemt nog te meer ingeval de betreffende burger geen invloed heeft op de omvang van de opdracht, maar uitsluitend de overheid deze bepaalt.
Het is geoorloofd om in dit geval aansluiting te zoeken bij het civiele recht. De problematiek die zich hier voordoet is in feite civielrechtelijk, slechts door een merkwaardige wetgeving, waarbij het doorberekenen van overeenkomsten van derden onder leges wordt begrepen, is deze problematiek onder het belastingrecht gebracht. Wat een- beginsel van- goede trouw vormt in het civiele recht, is het beginsel van behoorlijk bestuur in het administratieve recht.
Der raming, richtprijs of globale opgave komt met name voor bij het regiecontract. (Overigens ook het contract, dat [A] met de gemeente sloot). De aannemer is in principe gebonden aan zijn opgave, tenzij deze de opdrachtgever tijdig waarschuwt, dat er een aanmerkelijke overschrijding te verwachten is en partijen tezamen nog kunnen beramen op welker wijze een groter overschrijden dan aanvaardbaar is, te achten kan worden vermeden. Doet de aannemer dit niet, dan acht men een overschrijding van de richtprijs met meer dan 10%, niet toelaatbaar (vergelijk Asser-Kamphuijsen, deel. III, bijzondere overeenkomsten bladzijde 340 en volgende).
De gemeente heeft pas achteraf laten weten, dat de rekeningen aanmerkelijk hoger uitvielen, dan was geraamd. Belanghebbende acht het handelen van der gemeente in strijd met het beginsel van het mogen vertrouwen op opgewekte verwachtingen (rechtszekerheidsbeginsel en/of het zorgvuldigheidsbeginsel). Het Hof overweegt in het algemeen, dat hem van onzorgvuldigheid niets gebleken is, zonder in te gaan op belanghebbendes grief, dat de gemeente een bedrag in rekening brengt, zonder enige waarschuwing vooraf, dat bijna het dubbele is van het tevoren geraamde bedrag, terwijl bij deze raming geen voorbehoud was gemaakt.
Het Hof heeft zijn uitspraak onvoldoende gemotiveerd, althans een onjuiste uitleg gegeven aan de begrippen beginselen van behoorlijk bestuur casu quo zorgvuldigheidsbeginsel.
Door Burgemeester en Wethouders van de gemeente [Q], de rechtsopvolgster van de voormalige gemeente [Z], is een vertoogschrift ingediend.
De Advocaat-Generaal Moltmaker heeft op 21 maart 1985 geconcludeerd tot vernietiging van de uitspraak van het Hof alsmede die van Burgemeester en Wethouders en tot vermindering van het door de gemeente aan leges gevorderde bedrag met een bedrag van f. 22.082,05.
5. Ambtshalve aanwezig bevonden grond voor cassatie.
5.1. Artikel 270 van de gemeentewet bepaalt dat een gemeentelijke belastingverordening in de daartoe leidende gevallen de in die bepaling, genoemde gegevens moet vermelden.
Met de woorden "in de daartoe leidende gevallen" is blijkens de memorie van toelichting (bladzijde 23, linker kolom) behorende bij het wetsontwerp dat heeft geleid tot evenvermelde bepaling beoogd tot uitdrukking te brengen dat de desbetreffende gegevens slechts in de verordening behoeven te worden opgenomen voor zover zulks met het oog op de aard van de belasting mogelijk en nodig is.
5.2. Wat betreft het tarief brengt zulks mede, dat de verordening niet - zoals artikel 269 (oud) van de gemeentewet voorschreef - het bedrag van de belasting behoeft te vermelden, maar dat ook op andere wijze kan worden aangegeven tot welke belastingverplichtingen het belastbare feit leidt, mits daarbij op voldoende duidelijke wijze aan de belastingplichtige inzicht wordt gegeven in het beloop van het van hem te heffen bedrag.
5.3. Artikel 32, aanhef en onder 5 en 6, van de Legesverordening houdt in dat tot de leges verschuldigd voor de in artikel 32, aanhef en onder 1 tot en met 4, vermelde diensten tevens behoren de aldaar nader omschreven - door de gemeente ten behoeve van de aanvrager van de vergunning gemaakte - publikatiekosten en kosten van externe adviezen.
Deze bepalingen laten de belastingplichtige die een hinderwetvergunning wil aanvragen, in het onzekere omtrent de vraag tot welk bedrag door de gemeente publikatiekosten zullen worden gemaakt en of in zijn geval een extern adviesbureau zal worden ingeschakeld en, zo ja, welke omvang de adviesaanvraag zal hebben en welke kosten daaraan zullen zijn verbonden. Zij stelt de belastingplichtige mitsdien niet in staat de omvang van de voor het afgeven van de vergunning verschuldigde leges te leren kennen en is daarom niet in overeenstemming met het bepaalde in artikel 270 van de gemeentewet.
5.4. Aan het vorenoverwogene onder 5.3. doet de in de memorie van antwoord (bladzijde 19, linker kolom) bij meerbedoeld wetsontwep voorkomende opmerking dat kosten van deskundigen bij hinderwetvergunningen door de gemeenten volledig aan de belanghebbenden kunnen worden doorberekend, niet af omdat daarbij niet kan zijn gedacht aan een wijze van doorberekening die de belastingplichtige op de zojuist bedoelde wijze in het onzekere laat omtrent de omvang van zijn verplichtingen.
5.5. Het Hof heeft mitsdien artikel 32, aanhef en onder 5 en 6, van de Legesverordening ten onrechte verbindend geoordeeld. 's Hofs uitspraak kan niet in stand blijven en de klachten behoeven geen bespreking.
6. Na cassatie.
De Hoge Raad kan de zaak afdoen. De aanslag dient te worden verminderd tot een bedrag van f. 39, -.
7. Beslissing.
De Hoge Raad vernietigt de uitspraak van het Hof en die van Burgemeester en Wethouders en
vermindert de aanslag tot een aanslag ten bedrage van f. 39, --.
Aldus gewezen door mrs. Van Dijk, vice-president, Van Vucht, Van der Vorm, Stoffer en Baardman, raden. Uitgesproken door de vice-president voornoemd ter raadkamer van 22 juli 1985, in tegenwoordigheid van de waarnemend- griffier mr. Verdegaal.