ECLI:NL:HR:1985:BH3455

ECLI:NL:HR:1985:BH3455, Hoge Raad, 21-08-1985, 22 930

Instantie Hoge Raad
Datum uitspraak 21-08-1985
Datum publicatie 09-01-2026
Zaaknummer 22 930
Rechtsgebied Bestuursrecht; Belastingrecht
Procedure Cassatie
Zittingsplaats Den Haag
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:PHR:1985:3
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Aangehaald door 3 zaken

Aangehaald door

Samenvatting

Is te Curaçao gevestigde n.v. binnenlands belastingplichtige? Motiveringsgebrek.

Uitspraak

Hoge Raad der Nederlanden

derde kamer

21 augustus 1985.

nr. 22.930

ARREST

gewezen op het beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 15 februari 1984 betreffende de aan belanghebbende,

de naamloze vennootschap naar Antilliaans recht [X] ( [X] ) N.V.,

opgelegde navorderingsaanslag in de vennootschapsbelasting over het jaar 1975/1976.

1. De navorderingsaanslag.

Aan belanghebbende is over het jaar 1975/1976 een navorderingsaanslag in de vennootschapsbelasting, zonder verhoging, opgelegd naar een belastbaar bedrag van f 2.045.000, --.

2. Geding voor het Hof.

Belanghebbende is van de navorderingsaanslag in beroep gekomen bij het Hof.

Het Hof heeft als vaststaande aangemerkt:

"Belanghebbende, een vennootschap naar Antilliaans recht, opgericht te Curaçao op of omstreeks 30 september 1975 met een geplaatst en volgestort aandelenkapitaal van NF 2.000.000, -- , kantoor houdend op Curaçao, maakt deel uit van het [A] concern (hierna: het concern).

Dit concern houdt zich voornamelijk bezig met de sleepvaart, berging en bevoorradingsvaart. Deze en andere transportactiviteiten worden uitgevoerd door de verschillende werkmaatschappijen in binnen- en buitenland. De in Nederland gevestigde vennootschappen zijn vrijwel alle opgenomen in een fiscale eenheid voor de vennootschapsbelasting.

Belanghebbende fungeert vanaf de oprichting als groepsverzekeringsmaatschappij van het concern. Haar activiteiten zijn in hoofdzaak gericht op de verzekering en herverzekering van het drijvend materieel - circa 300 vaartuigen met een gezamenlijke waarde van ruim NF 1.250.000.000,- - behorende tot de werkmaatschappijen van het concern.

Voordien bestond er bij de verschillende werkmaatschappijen op het gebied van de cascoverzekering een grote verscheidenheid van regelingen die voor het concern als geheel nog een onbepaalbaar groot risico lieten bestaan. Door de oprichting van een eigen verzekeringsmaatschappij kon de verzekeringstechnische situatie van het concern worden verbeterd doordat de werkmaatschappijen als voorheen verzekerd konden blijven op een eigen polis met een passende premiestelling, terwijl voor het concern het risico op de vloten als geheel meetbaar zou zijn.

Bovendien kon door oprichting van een eigen verzekeringsmaatschappij het verschil in premieniveau tussen de assurantie- en de reassurantiemarkt binnen het concern worden gehouden.

Bij de keuze van Curaçao als vestigingsplaats van de groepsverzekeringsmaatschappij hebben onder meer de volgende overwegingen een rol gespeeld:

- er bestonden op Curaçao geen wettelijke regelingen die de oprichting en het functioneren van een dergelijke verzekeringsmaatschappij belemmerden;

- op Curaçao was reeds jaren een aantal tot het concern behorende maatschappijen gevestigd, die waren gehuisvest in een volledig geoutilleerd kantoor met in totaal circa 30 personeelsleden;

- ook [B] , de assurantiemakelaars van het concern, hadden een vestiging op Curaçao, de [C] N.V. waarmee belanghebbende ingaande 1 oktober 1975 een overeenkomst sloot op grond waarvan zij een beroep kon doen op de bij [B] aanwezige vakkennis op verzekeringsgebied;

- met de Antilliaanse fiscus kon een regeling worden getroffen inhoudende dat

1. winst uit verzekeringsactiviteiten voor 90 percent wordt belast tegen het tarief 2,4 - 3 percent en voor 10 percent tegen het tarief 24 - 30 percent, vermeerderd met 15 opcenten.

2. winst uit beleggingen wordt belast naar het voor beleggingsmaatschappijen geldende tarief van 2,4 - 3 percent.

Tot directeur van belanghebbende is per 30 september 1975 benoemd de heer [D] te Curaçao, die toen als adjunct-directeur was verbonden aan [X] (Antilles) N.V. en reeds sinds 1969 in de Antillen woonde en werkte. Ten tijde van zijn benoeming beschikte de heer [D] over kennis en ervaring op het gebied van scheepvaart, wetgeving, financieel beheer en administratie maar niet op het gebied van verzekeringen. Hij werd bij de uitoefening van zijn taak geassisteerd door twee personeelsleden die bij de aanvang van hun werkzaamheden evenmin over specifieke verzekeringskennis beschikten.

De kosten van de directeur en de twee assistenten en de overige kosten (kantoorruimte, kantoorfaciliteiten) werden door de Curaçaose concernmaatschappijen - ook wel aangeduid als de walorganisatie - althans in het begin slechts gedeeltelijk en voor forfaitaire bedragen aan belanghebbende doorberekend.

De specifieke werkzaamheden van belanghebbende kunnen als volgt worden omschreven:

Als basis voor het afsluiten van nieuwe verzekeringen of het continueren van bestaande dient de schadestatistiek van de afgelopen drie boek jaren.

Deze statistiek wordt bijgehouden door belanghebbende, door [B] en door de werkmaatschappijen.

De onderhandelingen vinden plaats in twee fasen, te weten verzekerde/makelaar

makelaar/belanghebbende.

Namens de verzekerden treedt de afdeling Risk Management, een stafafdeling van de topholding onder leiding van de heer [E] op.

Onmiddellijk na het bereiken van overeenstemming over de voorwaarden wordt door [B] een beursnota opgemaakt en gefiatteerd door belanghebbende.

Na ontvangst van de gefiatteerde beursnota maakt [B] de sluitnota op ten behoeve van de verzekerde.

Vervolgens wordt de polis opgemaakt en ondertekend door belanghebbende. Tussentijdse mutaties worden vastgelegd in een "addendum" op de sluitnota en in een "rider" op de polis.

Premies worden per kwartaal berekend en door belanghebbende in "rekening-courant bijgeboekt ten laste van [B] .

Aan het begin van het jaar zendt [B] haar rekening voor de haar toekomende courtage aan belanghebbende. Ook deze wordt door belanghebbende in rekening-courant met [B] geboekt.

Partijen rekenen periodiek met elkaar af, waarbij als regel geldt dat [B] pas aan belanghebbende hoeft te betalen als de werkmaatschappijen aan hun verplichting hebben voldaan.

Na het optreden van een schade maakt de kapitein een schaderapport op, dat vervolgens via de technische dienst van de werkmaatschappij naar Risk Management Division gaat. [B] ontvangt hiervan een kopie.

[B] maakt een schademelding op en stuurt deze aan belanghebbende. [B] benoemt namens belanghebbende een expert die de schade opneemt en een schatting maakt van de te verwachten reparatiekosten. De rekening van de expert wordt betaald door [B] en doorbelast aan belanghebbende. De schaderekening gaat samen met het expertiserapport ter fiattering naar belanghebbende. Na fiattering zendt [B] een kreditnota aan de verzekerde en een boekingsslip aan belanghebbende. Het saldo van de diverse rekeningen-courant wordt periodiek vereffend.

Verhaal op derden en verweer tegen aansprakelijkstelling door derden gebeurt door [B] namens en in overleg met belanghebbende.

In geval van total loss wordt via [B] onderhandeld tussen verzekerde en verzekeraar over de wijze van afwikkeling.

De gang van zaken met betrekking tot de herverzekering is ongeveer gelijk aan de hiervoor weergegeven gang van zaken met betrekking tot de verzekering.

Belanghebbende heeft het risico op de door haar afgesloten verzekeringsovereenkomsten voor dezelfde bedragen en tegen dezelfde voorwaarden herverzekerd onder aftrek van een integraal eigen risico van - in 1975/76 - NF 2.500.000, -- per jaar, waarbij is bepaald dat "total loss" schades - ongeacht het eigen risico - volledig door herverzekeraars zullen worden vergoed. Daarnaast is er sprake van een gering verschil in de franchise-bepalingen in de verzekerings- en herverzekeringscontracten betreffende een extra eigen risico voor averij particulier.

Belanghebbende treft per jaar een voorziening tot een bedrag van het maximaal voor haar rekening komende risico en brengt alle door haar betaalde schades (exclusief total loss schades) ten laste van die voorziening.

De verzorging van belanghebbendes boekhouding en jaarrekening vindt op Curaçao plaats.

Belanghebbendes winst- en verliesrekening over het boekjaar 1975/76 vertoont het volgende beeld:

Het Hof heeft, na te hebben overwogen dat in geschil is of belanghebbende ter zake van vorenvermelde winst hier te lande als binnenlands dan wel buitenlands belastingplichtige moet worden aangemerkt, welke vragen de Inspecteur bevestigend en de belanghebbende ontkennend beantwoordt, voorts omtrent de standpunten van partijen het volgende vermeld:

"De inspecteur is van mening dat belanghebbendes activiteiten in Curaçao van te geringe omvang en betekenis waren om daaraan enig winstvormend vermogen toe te kennen. Hij grondt dit oordeel onder meer op de omvang van de personeelsbezetting, het gebrek aan kennis en ervaring van het personeel op het gebied van verzekeringen, de geringe kosten van de organisatie en de inhoud van een aantal tot de stukken van het geding behorende van [B] afkomstige interne memo's en brieven.

Op grond van het voorgaande komt hij primair tot de conclusie dat in de onderwerpelijke periode de werkelijke leiding van belanghebbendes onderneming in [Q] was gevestigd, subsidiair dat belanghebbende een vaste inrichting heeft in Nederland te weten het hoofdkantoor van het concern in [Q] en meer subsidiair dat [B] ( [Q] ) moet worden aangemerkt als vaste vertegenwoordiger en/of vaste inrichting van belanghebbende in Nederland.

Belanghebbende heeft zowel het primaire standpunt als het subsidiaire en meer subsidiaire standpunt van de inspecteur bestreden.

Partijen doen hun vorenomschreven standpunten steunen op de gronden vermeld in de gedingstukken.

Partijen hebben aan hun aldus gegeven uiteenzettingen ter zitting verder geen argumenten toegevoegd."

Het Hof heeft omtrent het geschil overwogen:

"Met betrekking tot de vraag of belanghebbende binnenlands belastingplichtig is:

dat, nu belanghebbende het standpunt inneemt dat zij terecht geen aangifte heeft gedaan, terwijl de inspecteur niettemin een navorderingsaanslag heeft opgelegd, de bewijslast dat de aanslag terecht en tot het juiste bedrag is opgelegd, rust op de inspecteur;

dat vaststaat dat belanghebbende is opgericht naar Antilliaans recht, statutair op Curaçao is gevestigd en door de Antilliaanse autoriteiten is aangemerkt als een aldaar gevestigd lichaam;

dat vanaf de oprichtingsdatum van belanghebbende een op Curaçao wonende persoon directeur was van belanghebbende;

dat bedoelde directeur bij de uitoefening van zijn taak werd geassisteerd door twee eveneens op Curaçao woonachtige personeelsleden; dat belanghebbende vanaf de oprichting heeft kunnen beschikken over de ter plaatse benodigde kantoorruimte en kantoorfaciliteiten; dat de verzorging van de boekhouding en de jaarrekening op Curaçao plaatsvond;

dat weliswaar bij de directeur en de beide andere personeelsleden van belanghebbende kennis en ervaring op het gebied van verzekering en herverzekering, aanvankelijk althans, ontbraken, maar dat op grond van de op 1 oktober 1975 ingegane overeenkomst met [C] N.V. steeds een beroep kon worden gedaan op de bij [B] aanwezige vakkennis op verzekeringsgebied; dat voorts de voor de uitoefening van het verzekeringsbedrijf evenzeer van belang zijnde kennis van het bedrijf van de verzekerden en de aard van de te verzekeren objecten, wel bij de directeur van belanghebbende aanwezig was;

dat uit het feit dat de personeels- en kantoorkosten van belanghebbende - aanvankelijk althans - laag waren in dit geval naar 's Hofs oordeel niet mag worden afgeleid dat de op Curaçao verrichte werkzaamheden slechts van geringe betekenis waren; dat immers de desbetreffende kosten in het begin slechts gedeeltelijk en voor forfataire bedragen door de walorganisatie aan belanghebbende werden doorberekend;

dat overigens niet is gesteld of gebleken dat het niet doorberekende gedeelte van deze kosten op enigerlei wijze ten laste van de Nederlandse concernwinst is gebracht;

dat ook de door de Inspecteur overgelegde memo's en brieven afkomstig uit de dossiers van de makelaars [B] te [Q] , het Hof niet hebben kunnen overtuigen van de juistheid van zijn stelling dat de werkelijke leiding van belanghebbendes onderneming door de concernleiding te [Q] werd uitgeoefend;

dat uit evenbedoelde correspondentie vooreerst niet blijkt dat een employé van het concern in Nederland, als directeur of anderszins formeel bevoegd was om belanghebbende te besturen;

dat anders dan de inspecteur meent naar 's Hofs oordeel uit bedoelde correspondentie ook niet valt af te leiden dat personen werkzaam bij het concern in Nederland, in het bijzonder de heren [F] , destijds hoofddirecteur en [E] , destijds hoofd van de afdeling Risk Management de onderneming van belanghebbende in feite hebben bestuurd; dat met name niet aannemelijk is geworden dat bedoelde personen zich op meer dan incidentele basis en meer dan voor de uitoefening van hun concerntaak vereist was met de zaken van belanghebbende hebben bezig gehouden;

dat het op zichzelf beschouwd ook niet voor de hand ligt dat concernfunctionarissen hun bevoegdheden te buiten zijn gegaan door taken tot zich te trekken, die tot het werkterrein van de directeur van belanghebbende behoren, aangezien een dergelijke overschrijding van afgebakende bevoegdheden in een groot, internationaal werkend concern, als waarvan hier sprake is, gemeenlijk niet wordt geduld;

dat in dit licht bezien het commentaar, dat de concerndirecteur [F] in zijn brief van 6 oktober 1982 geeft op de door de inspecteur overgelegde correspondentie, het Hof alleszins aannemelijk voorkomt; dat op grond van het vorenoverwogene het Hof de primaire stelling van de inspecteur verwerpt.

Met betrekking tot de vraag of het hoofdkantoor van het concern in [Q] dient te worden aangemerkt als een vaste inrichting van belanghebbende:

dat niet is gesteld of gebleken dat aan belanghebbende in de onderwerpelijke periode personeel of kantoorruimte in het hoofdkantoor van het concern ter beschikking stond;

dat evenmin is gesteld of gebleken dat een aldaar werkzame functionaris van het concern een duurzame machtiging had om namens belanghebbende overeenkomsten te sluiten en deze daarvan gewoonlijk gebruik maakte in Nederland;

dat gelijk hiervoor reeds is overwogen het hoofdkantoor van het concern niet kan worden aangemerkt als een plaats waar leiding wordt gegeven in de zin van artikel 2, lid 2, letter a van de Belastingregeling voor het Koninkrijk;

dat mitsdien ook de subsidiaire stelling van de inspecteur moet worden verworpen.

Met betrekking tot de vraag of [B] [Q] als vaste vertegenwoordiger of vaste inrichting van belanghebbende kan worden aangemerkt:

dat de inspecteur naar 's Hofs oordeel er niet in is geslaagd aannemelijk te maken dat [B] in de onderwerpelijke periode als vaste vertegenwoordiger van belanghebbende in de zin van artikel 2, lid 1, letter f van de Belastingregeling voor het Koninkrijk kan worden aangemerkt;

dat ook het beroep van de inspecteur op artikel 6 van de Belastingregeling voor het Koninkrijk faalt aangezien belanghebbende als verzekeringsondernemer hier te lande zaken doet door tussenkomst van een makelaar met een wezenlijk onafhankelijke positie, die daarbij in de normale uitoefening van zijn beroep optreedt en in dat geval blijken de wetsgeschiedenis voormeld artikel 6 toepassing mist;

dat uit al het vorenstaande volgt dat belanghebbende in het onderhavige jaar niet als binnenlands of buitenlands belastingplichtige aan de heffing van vennootschapsbelasting was onderworpen".

Op die gronden heeft het Hof de navorderingsaanslag vernietigd.

3. Geding in cassatie.

De Staatssecretaris van Financiën heeft van 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld.

Hij heeft het volgende middel van cassatie voorgesteld:

Schending van recht, met name van artikel 17, eerste lid, van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken, doordat het Hof heeft beslist, dat belanghebbende in het onderhavige jaar niet als belastingplichtige aan de heffing van vennootschapsbelasting was onderworpen, zulks op gronden welke de beslissing niet kunnen dragen, om een of meer van de volgende redenen:

1. Het Hof oordeelt, dat uit het feit dat de personeels- en kantoorkosten van belanghebbende - aanvankelijk althans - laag waren in dit geval niet mag worden afgeleid dat de op Curaçao verrichte werkzaamheden slechts van geringe betekenis waren. Dit oordeel motiveert het Hof met de overweging, dat de desbetreffende kosten in het begin slechts gedeeltelijk en voor fortaitaire bedragen door de walorganisatie aan belanghebbende werden doorberekend.

Het Hof had de desbetreffende stelling van belanghebbende echter niet zonder nadere motivering als vaststaande mogen overnemen, omdat de inspecteur daartegenover heeft gesteld (onder meer in zijn brief van 12 oktober 1983), dat het geen substantiële bedragen kunnen zijn geweest en dat hij van mening blijft dat de kosten van belanghebbende op de Antillen niet hoger zijn wegens de beperktheid van het gebeuren aldaar. Genoemd oordeel van het Hof is dus niet naar de eis der wet met redenen omkleed.

2. Het Hof overweegt, dat ook de door de inspecteur overgelegde memo's en brieven afkomstig uit de dossiers van de makelaars [B] te [Q] het Hof niet hebben kunnen overtuigen van de juistheid van zijn stelling dat de werkelijke leiding van belanghebbendes onderneming door de concernleiding in [Q] werd uitgeoefend. Aldus stelt het Hof, zo de bewijslast hier al ten volle op de inspecteur zou rusten (quod non), een te zware eis aan het door de inspecteur te leveren bewijs. Het gaat er toch niet om, of het Hof van de juistheid van de stelling van de inspecteur is overtuigd, maar of het de stelling van de inspecteur al dan niet aannemelijk acht.

3. Aan de overweging genoemd onder 2 voegt het Hof toe, dat uit evenbedoelde correspondentie vooreerst niet blijkt dat een employé van het concern in Nederland, als directeur of anderszins, formeel bevoegd was om belanghebbende te besturen.

Deze overweging is niet onjuist, maar niet bijzonder belangrijk, omdat voor de beoordeling van de feitelijke vestigingsplaats van belanghebbende een materiele toets dient te worden aangelegd. Het woord "blijkt" in deze overweging van het Hof versterkt overigens, de hierna te noemen overwegingen ten spijt, de stelling, dat het Hof aan het door de inspecteur geleverde bewijs een te zware eis heeft gesteld.

4. Het Hof oordeelt vervolgens, dat uit bedoelde correspondentie ook niet valt af te leiden dat personen werkzaam bij het concern in Nederland, in het bijzonder de heren [F] , destijds hoofddirecteur, en [E] , destijds hoofd van de afdeling Risk Management de onderneming van belanghebbende in feite hebben bestuurd. Met name is volgens het Hof niet aannemelijk geworden dat bedoelde personen zich op meer dan incidentele basis en meer dan voor de uitoefening van hun concerntaak vereist was met de zaken van belanghebbende hebben bezig gehouden. Hieraan voegt het Hof toe, dat het op zichzelf beschouwd ook niet voor de hand ligt dat concernfunctionarissen hun bevoegdheden te buiten zijn gegaan door taken tot zich te trekken, die tot het werkterrein van de directeur van belanghebbende behoren, aangezien een dergelijke overschrijding van afgebakende bevoegdheden in een groot internationaal werkend concern, als waarvan hier sprake is, gemeenlijk niet worden geduld.

In dit licht bezien komt het commentaar, dat de concerndirecteur [F] in zijn brief van 6 oktober 1982 geeft op de door de inspecteur overgelegde correspondentie, het Hof alleszins aannemelijk voor. Deze overwegingen van het Hof zijn echter onbegrijpelijk. Uit de door de inspecteur overgelegde stukken komt duidelijk naar voren - verwezen zij naar die stukken en naar het commentaar dat de inspecteur daarop heeft gegeven -, dat belanghebbende in feite, anders dan wellicht voor de echte werkmaatschappijen het geval is, vanuit [Q] werd bestuurd en dat de directeur van belanghebbende anders dan wellicht voor de directeuren van de echte werkmaatschappijen het geval is, slechts een zeer beperkte taak heeft. Van een overschrijden van bevoegdheden van concernfunctionarissen is dan geen sprake. Het gehele verzekeringsgebeuren, inclusief belanghebbende, wordt, zoals uit de bedoelde correspondentie is af te leiden, vanuit [Q] geleid. Dat verzekeringsgebeuren gaat het concern als zodanig aan, anders dan de gang van zaken bij een echte werkmaatschappij.

Bij elk probleem, dat het dagelijks administreren te boven gaat, wordt de heer [E] , die in het concern over de verzekeringen gaat, ingeschakeld. Het is ondenkbaar, dat de directeur van belanghebbende, die het toch al aan kennis en ervaring op het gebied van verzekering en herverzekering ontbrak, na de inschakeling van de heer [E] een eigen koers zou kunnen varen. Onbegrijpelijk is dan ook, dat het Hof de uiteenzetting van de heer [F] , waarin de activiteiten van de heer [E] jegens belanghebbende als dienstverlenend en vrijblijvend worden beschreven, aannemelijk heeft kunnen achten. Belanghebbende kan niet met de echte werkmaatschappijen op één lijn worden gesteld.

Het Hof duidt de heer [F] overigens aan als degene die destijds hoofddirecteur was. In het licht van 's Hofs slotoordeel, dat belanghebbende in het onderhavige jaar niet als binnenlands of buitenlands belastingplichtige aan de heffing van vennootschapsbelasting was onderworpen, kan dit niet anders worden verstaan dan dat het Hof ervan is uitgegaan, dat de heer [F] in het onderhavige jaar hoofddirecteur was. In zijn hiervoor genoemde brief schrijft de heer [F] echter, dat hij op 1 mei 1977 als hoofddirecteur in dienst is getreden. De desbetreffende overwegingen van het Hof zijn dan ook onbegrijpelijk.

5. Gezien de duidelijke aanwijzingen, welke zijn te putten uit de door de inspecteur overgelegde stukken voor de stelling, dat de werkelijke leiding van belanghebbendes onderneming door de concernleiding in [Q] werd uitgeoefend, was het Hof verplicht belanghebbende het bewijs van het tegendeel op te dragen.

Door dit na te laten, heeft het Hof de bewijslast onredelijk verdeeld".

Belanghebbende heeft een vertoogschrift ingediend.

Partijen hebben de zaak mondeling doen toelichten: de Staatssecretaris door prof. mr. F.W.G.M. van Brunschot, advocaat te Amsterdam, belanghebbende door mr. L.F. van Kalmthout, advocaat te Rotterdam.

De Advocaat-Generaal mr. Van Soest heeft op 16 januari 1985 geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

4. Beoordeling van onderdeel 1 van het middel.

Uit de bestreden uitspraak blijkt dat het Hof onder meer aan zijn beslissing ten grondslag heeft gelegd de, blijkens de stukken van het geding door belanghebbende gestelde, omstandigheid, dat de personeels- en kantoorkosten van belanghebbende in het begin slechts gedeeltelijk en voor forfaitaire bedragen door de walorganisatie aan belanghebbende werden doorberekend, zulks na te hebben geoordeeld dat deze omstandigheid, gezien de stukken van het geding en gelet op hetgeen ter zitting nog is verhandeld, is komen vast te staan.

Waar echter de Inspecteur mede blijkens diens na de zitting van het Hof van 14 september 1983 aan het Hof gezonden - tot de stukken van het geding behorende - brief van 12 oktober 1983 bovenomschreven omstandigheid gemotiveerd heeft bestreden, is voormeld oordeel niet begrijpelijk, zodat dit oordeel niet naar de eis der wet met redenen is omkleed en mitsdien dit onderdeel van het middel doel treft.

5. Slotsom.

Uit het vorenoverwogene volgt dat 's Hofs uitspraak niet in stand kan blijven en dat verwijzing moet volgen. De overige onderdelen van het middel hoeven geen behandeling.

6. Beslissing.

De Hoge Raad

vernietigt de uitspraak van het Hof en verwijst het geding naar het Gerechtshof te Amsterdam ter verdere behandeling en beslissing van de zaak in meervoudige kamer met inachtneming van dit arrest.

Aldus gewezen door mrs. Vroom, vice-president, Stol, Jansen, Van der Linde en Roelvink, raden. Uitgesproken door de vice-president voornoemd ter raadkamer van 21 augustus 1985, in tegenwoordigheid van de waarnemend-griffier mr. Van den Dries.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl BNB 1985/302 met annotatie van H.J. Hofstra FED 1985/486 FED 1985/611 met annotatie van E. BOS V-N 1985/2292, 3 met annotatie van Redactie
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?