13 juni I986
Eerste Kamer
Nr. 12.673
MV
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
GALVANITAS B.V.,
gevestigd te Oosterhout,
EISERES tot cassatie,
advocaat: Mr. P.S. Kamminga,
tegen
[verweerder],
wonende te [woonplaats],
VERWEERDER in cassatie,
advocaat: Mr. J.C. van Oven.
1. Het geding in feitelijke instanties
Op 22 november 1982 heeft verweerder in cassatie - verder te noemen [verweerder] - zich gewend tot de Kantonrechter te Breda met het verzoek bij vonnis,
1. eiseres tot cassatie - verder te noemen Galvanitas - te veroordelen tot betaling van het bedongen loon à f. 2.061,25 per maand, zulks vanaf 23-9-1982 totdat de overeenkomst rechtsgeldig zal zijn beeindigd, te vermeerderen met het vakantiegeld over die periode en de rente als bedoeld in art. 16389;
2. Galvanitas te veroordelen tot betaling van een bedrag aan loon, over het tijdvak, gelijk aan [verweerder] alsnog bij het einde der dienstbetrekking toekomende vakantie;
3. Galvanitas te veroordelen tot betaling van de wettelijke rente over de bovenvermelde bedragen.
Nadat Galvanitas tegen dat verzoek verweer had gevoerd, heeft de Kantonrechter bij tussenvonnis van 6 april 1983, alvorens verder te beslissen, Galvanitas tot bewijslevering toegelaten en bij
vonnis van 21 september 1983 de vordering afgewezen. Tegen deze vonnissen heeft [verweerder] hoger beroep ingesteld bij de Rechtbank te Breda.
Bij vonnis van 17 juli 1984 heeft de Rechtbank de vonnissen van de Kantonrechter vernietigd en de vordering alsnog toegewezen in voege als in haar vonnis omschreven.
Het vonnis van de Rechtbank is aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen het vonnis van de Rechtbank heeft Galvanitas beroep in cassatie ingesteld. De cassatie- dagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
[verweerder] heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De zaak is voor partijen bepleit door hun advocaten.
De conclusie van de Advocaat-Generaal Biegman- Hartogh strekt tot vernietiging van het bestreden vonnis en tot verwijzing van de zaak naar het Gerechtshof van het ressort.
3. Beoordeling van het middel
3.1 Onderdeel Ia gaat ervan uit, dat "werkweigering - in zijn algemeenheid - een dringende reden tot ontslag oplevert, tenzij met goede grond geweigerd wordt". Deze opvatting kan niet als juist worden aanvaard. Een werkweigering kan immers ingevolge art. 1639p lid 2, aanhef en onder 10°BW slechts dan een dringende reden tot ontslag opleveren indien de werkgever uitvoering van de opdracht in redelijkheid van de werknemer kan vergen. Onderdeel Ia faalt derhalve.
3.2 De Rechtbank heeft kennelijk het verweer van [verweerder], dat hij ziek was, opgevat als een beroep op arbeidsongeschiktheid. Met het woord "ziek" in de in onderdeel c bestreden overweging bedoelt zij dan ook: zodanig ziek, dat zulks arbeidsongeschiktheid met betrekking tot de opgedragen werkzaamheden oplevert, en dus van [verweerder] niet in redelijkheid gevergd kon worden de werkzaamheden (verder) te verrichten. Onderdeel Ic gaat van een verkeerde lezing uit en faalt derhalve evenzeer.
3.3 De werkgever die de dienstbetrekking doet eindigen wegens een dringende reden draagt, wanneer de werknemer de nietigheid van het ontslag inroept en de aangevoerde reden voldoende gemotiveerd weerspreekt, de bewijslast van de dringende reden; indien de werkgever als dringende reden ongeoorloofde werkweigering aanvoert en de werknemer zich beroept op arbeidsongeschiktheid, moet de werkgever dus in beginsel bewijzen dat de werknemer arbeidsgeschikt was. De omstandigheid dat de werknemer "de werkzaamheden staakt tijdens een werkdag en (verder) weigert het werk te hervatten" doet aan dat beginsel niet af. Ook onderdeel Ib is mitsdien vruchteloos voorgedragen.
Opmerking verdient dat de rechter in de omstandigheden van het geval aanleiding kan vinden de werknemer met het bewijs van zijn desbetreffende stelling te belasten, doch de Rechtbank heeft zodanige aanleiding niet aanwezig bevonden - welke beoordeling aan haar als rechter die over de feiten oordeelde was voorbehouden - en het onderdeel klaagt daarover ook niet.
3.4 De Rechtbank heeft in het door Galvanitas aangevoerde geen aanbod gelezen, te bewijzen dat [verweerder] op 23 september 1982 arbeidsgeschikt was. Dat is in het licht van de gedingstukken niet onbegrijpelijk.
Onderdeel IIa treft dus geen doel.
3.5 Het oordeel der Rechtbank, dat niet valt in te zien hoe Galvanitas het bewijs der arbeidsgeschiktheid nog zou kunnen leveren, moet aldus worden verstaan, dat zij op die grond geen aanleiding vond Galvanitas ambtshalve tot bewijslevering toe te laten. Zulks stond haar ingevolge art. 199 lid 2 jo 353 Rv. vrij. Onderdeel IIb is derhalve ongegrond.
3.6 Onderdeel III, dat zelfstandige betekenis mist, behoeft geen bespreking.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
veroordeelt Galvanitas in de kosten van het geding in cassatie, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [verweerder] begroot op f. 2.075, -- , op de voet van art. 57b Rv. te voldoen aan de Griffier.
Dit arrest is gewezen door de vice-president Ras als voorzitter en de raadsheren Martens, Van den Blink, De Groot en Hermans, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer Martens op 13 juni 1986 .