28 november 1986
Eerste Kamer
Nr. 12.821
AT/AB
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
DE RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING te Zutphen,
EISERES tot cassatie,
advocaat: Mr. J.Th. Vermeulen,
tegen
[verweerder],
wonende te [woonplaats],
VERWEERDER in cassatie,
niet verschenen.
1. Het geding in feitelijke instanties
Verweerder in cassatie - verder te noemen [verweerder] - heeft bij exploot van 4 november 1982 eiseres tot cassatie - verder te noemen de Raad - gedagvaard voor de Rechtbank te Zutphen en gevorderd dat [verweerder] wel en terecht in verzet is gekomen tegen het in de inleidende dagvaarding vermelde executoriaal beslag en dit derhalve zal worden verklaard te zijn opgeheven althans gedeeltelijk te zijn opgeheven en wel voor zover het de gedeeltelijke opheffing betreft voor dat deel waarvoor ten onrechte d.d. 27 oktober 1981 een veroordeling is uitgesproken, subsidiair dat [verweerder] wel en terecht in verzet is gekomen tegen voormeld executoriaal beslag voor zover het beslag is gelegd voor in hoofdsom meer dan f. 71,50 en dat voor het meerdere het beslag geacht wordt te zijn opgeheven, met veroordeling van de Raad om aan [verweerder] te vergoeden alle kosten, schaden en interessen, die deze door en ten gevolge van het leggen en liggen van het beslag heeft geleden, lijdt en nog zal lijden, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de Wet.
Nadat de Raad tegen die vordering verweer had gevoerd, heeft de Rechtbank bij vonnis van 7 juni 1984 [verweerder] niet ontvankelijk verklaard in zijn verzet.
Tegen dit vonnis heeft de Raad hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof te Arnhem, daarbij vernietiging van het bestreden vonnis vragend voor zover het betreft het achterwege blijven van een veroordeling van [verweerder] in de kosten van het geding, en alsnog vorderend dat [verweerder] in de kosten van de eerste aanleg alsmede in de kosten van het hoger beroep zal worden veroordeeld.
Bij arrest van 13 februari 1985 heeft het Hof het vonnis van de Rechtbank bekrachtigd voor zover daarvan beroep is ingesteld, en het in hoger beroep gevorderde afgewezen.
Het arrest van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen het arrest van het Hof heeft de Raad beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De conclusie van de Advocaat-Generaal Leijten strekt tot verwerping van het beroep.
3. Beoordeling van het middel
3.1 In deze zaak gaat het om de vraag of de rechter in zaken waarin art. 56 Rv. van toepassing is, verplicht is om de in het ongelijk gestelde partij in de kosten te veroordelen, ook indien de wederpartij niet uitdrukkelijk een kostenveroordeling heeft gevorderd.
In het arrest van 26 jan. 1933, NJ 1933, p.797 heeft de Hoge Raad de eerste zin van art. 56 lid 1 in die zin uitgelegd dat deze bepaling (al wie bij vonnis in het ongelijk gesteld wordt, zal in de kosten verwezen worden) door de rechter moet worden toegepast onafhankelijk van desbetreffende vorderingen van partijen. Een andere opvatting van deze bepaling ware denkbaar geweest, maar de Hoge Raad ziet onvoldoende grond om af te wijken van de uitleg die hij in vermeld arrest heeft gekozen.
3.2 Uit het voorgaande volgt dat het middel gegrond is. De Hoge Raad kan de zaak zelf afdoen. Blijkens 's Hofs in zoverre in cassatie niet bestreden arrest was de enige door de Raad tegen het beroepen vonnis aangevoerde grief, dat de Rechtbank ten onrechte had nagelaten om [verweerder] als volledig in het ongelijk gestelde partij bij dat vonnis in de kosten van het geding te veroordelen en heeft de Raad in zoverre vernietiging van het beroepen vonnis gevraagd met vordering tot veroordeling alsnog van [verweerder] in de kosten van de eerste aanleg en in die van het hoger beroep. Ingevolge het onder 3.1 overwogene is die grief gegrond, zodat het vonnis van de Rechtbank moet worden vernietigd voor zover daarbij een kostenveroordeling achterwege is gebleven, terwijl [verweerder] als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van het geding in eerste aanleg en in die van het hoger beroep moet worden veroordeeld. Nu [verweerder] de bestreden uitspraak niet heeft uitgelokt, noch verdedigd zal de Hoge Raad een kostenveroordeling in cassatie achterwege laten.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
vernietigt het arrest van het Gerechtshof te Arnhem van 13 februari 1985;
vernietigt het vonnis van de Arrondissements-rechtbank te Zutphen van 7 juni 1984, doch uitsluitend voor zover daarbij is nagelaten om [verweerder] als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van het geding te veroordelen;
veroordeelt [verweerder] in de kosten van het geding in eerste aanleg en in die van het hoger beroep, maar houdt de begroting van die kosten bij gebreke van de nodige gegevens aan totdat de Raad die gegevens aan de Hoge Raad heeft verschaft;
bepaalt dat de zaak daartoe wederom zal worden uitgeroepen ter rolle van de Hoge Raad van 19 december 1986.
Dit arrest is gewezen door de vice-president Ras als voorzitter en de raadsheren Martens, Van den Blink, De Groot en Haak, en in het openbaar uitgesproken door de vice-president Ras op 28 november 1986.