Conclusie
A-G Mr. Leijten
1. In cassatie ligt de vraag voor of de Rechtbank te Zutphen, toen zij de huidige verweerder in cassatie als eiser in eerste aanleg bij haar vonnis van 7 juni 1984 niet-ontvankelijk verklaarde in zijn bij dagvaarding aangebracht verzet tegen het te zijnen laste door de Raad voor de Kinderbescherming te Zutphen — de Raad — overeenkomstig het bepaalde bij art. 479g Rv onder het Sociaal Werkvoorzieningsschap Hameland te Groenland gelegde executoriaal derdenbeslag, hem als de in het ongelijk gestelde partij had moeten veroordelen in de aan de zijde van de Raad gevallen proceskosten, hoewel de Raad, die in de procedure verweer voerde, zulk een kostenveroordeling in eerste aanleg niet had gevorderd.
2. De Rechtbank had zulk een kostenveroordeling niet uitgesproken, hoewel zij de eiser in zijn verzet niet-ontvankelijk had verklaard.
Dat wie niet-ontvankelijk wordt verklaard in wat hij vordert, in het ongelijk wordt gesteld als bij art. 56 Rv bedoeld lijkt mij niet voor betwisting vatbaar — Van het vonnis van de Rechtbank ging de Raad in hoger beroep omdat naar zijn mening, als neergelegd in de enige grief tegen het vonnis, de eiser in de proceskosten van de Raad had moeten worden veroordeeld.
De Raad vorderde veroordeling van de oorspronkelijke eiser in de kosten van beide instanties.
3. Het Gerechtshof te Arnhem oordeelde bij arrest van 13 februari 1985 de grief niet gegrond en overwoog daartoe:
2. De grief is niet gegrond. De Raad concludeert in zijn conclusies in eerste aanleg niet tot veroordeling van [verweerder] in de kosten. In de door de Raad in eerste aanleg overgelegde processtukken wordt op geen enkele wijze tot uitdrukking gebracht dat een beslissing over de kosten wordt verlangd. Onder deze omstandigheden heeft de Rechtbank, hoewel zij [verweerder] in het ongelijk stelde, zich terecht onthouden van een beslissing omtrent de kosten. Geen wetsvoorschrift verplichtte de rechtbank tot een beslissing daaromtrent. Met name bestaat geen grond aan het gebruik van het woord 'zal' in de eerste zin van art. 56 lid 1 Rv de betekenis toe te kennen dat het desbetreffend voorschrift van art. 56 Rv voor toepassing in aanmerking komt onafhankelijk van een daartoe strekkende vordering of conclusie.
4. Het hof onthield zich voorts van een uitspraak omtrent de proceskosten in appel. Daar werd de Raad in het ongelijk gesteld. Maar de oorspronkelijke eiser was in hoger beroep niet verschenen en had dus ook geen vordering op dit stuk kunnen doen. De kosten van de niet verschenen wederpartij, tot aan de rechtspraak begroot op nihil compareren niet in het arrest.
5. De Raad stelde tegen het arrest beroep in cassatie in en voerde bij zijn enige middel aan dat artikel 56 Rv voorschrijft dat wie bij vonnis in het ongelijk wordt gesteld in de kosten zal worden verwezen, welke regel door de rechter moet worden toegepast onafhankelijk van de betreffende vordering van partijen, zodat het Hof de eerste zin van artikel 56 Rv onjuist heeft uitgelegd en aldus aan deze regel een verkeerde toepassing heeft gegeven.
6. Ik denk, dat men moet zeggen, dat het middel de heersende leer weergeeft. Anders dan als het gaat om uitvoerbaarverklaring bij voorraad, waar eenzelfde imperatief: 'zal bevolen worden' (art. 52 Rv), naar vrij algemeen wordt aangenomen, niet leidt tot ongevorderde, ambtshalve toepassing van deze uitvoerbaarverklaring, leerde HR 26 januari 1933, NJ 1933, 797 gelijk in het middel zo ongeveer woordelijk is weergegeven.
Daarna heeft de Hoge Raad zich hieromtrent niet meer uitgesproken. Wat de andere rechtspraak betreft heb ik de volgende uitspraken gevonden: Rb. Roermond 5 november 1936, NJ 1938, 68: geen kostenveroordeling ambtshalve; Rb. Utrecht 15 januari 1936, NJ 1937, 404; wel kostenveroordeling ambtshalve; Rb. 's-Gravenhage 1 december 1939, NJ 1940, 411: ambtshalve veroordeling in de proceskosten is niet toelaatbaar in een arbitrale procedure; Ktg. Den Helder 9 november 1939, NJ 1940, 1107: geen kostenveroordeling ambtshalve.
Pres. Rb. Rotterdam 10 december 1943, NJ 1944/1945, 111: geen ambtshalve kostenuitspraak.
Hof Leeuwarden 30 oktober 1946, NJ 1947, 242: wederpartij die in het ongelijk is gesteld wordt in de proceskosten verwezen, ondanks verklaring van de winnende partij dat 'het hem koud laat wie de kosten zal betalen'.
7. Recentere beslissingen heb ik niet kunnen vinden.
8. De grand, old man van het burgerlijk procesrecht, W.L. Haardt, heeft toen hij in ieder geval het laatste adjectief nog niet verdiend had in zijn proefschrift: De veroordeling in de kosten van het burgerlijk geding, 1945, de leer van 1933 verdedigd (p. 43 e.v.) en wat erger is, hij is daar, bij een terugblik veertig jaar later, niet op teruggekomen ('Op gezag van ...', AA, december 1985, p. 704 e.v.).
9. Een SSR-stencil van 5 november 1982, uitgegeven door Mr. W.L. Haardt bevat de volgende passage (p. 6–7)
‘’Zijn er ook gevallen, waarin een kostenveroordeling niet mag worden uitgesproken? Inderdaad:
1....
2. als zij niet gevorderd is? In de literatuur wel verdedigd, maar door de Hoge Raad niet aanvaard; anders dan de uitvoerbaarverklaring bij voorraad van vonnissen, kan een kostenveroordeling ambtshalve worden uitgesproken in vonnissen: HR 26 jan. 1933, W 12573, NJ 1933, p. 797 en ...
3.....’’
10. In de literatuur wel verdedigd. Dat moet ik, gelet op de richting die ik uit wil, toelichten met voorbeelden. Het woordje 'wel', dat de aanval op de gangbare jurisprudentie relativeert, zou men misschien ook kunnen weglaten of wijzigen in: vaak.
11. Star Busmann-Rutten, Hoofdstukken, 3de druk, p. 408:
‘’Uit de woorden van art. 56: 'zal in de kosten verwezen worden' heeft men afgeleid, dat deze veroordeling moet worden uitgesproken ook indien daartoe niet is geconcludeerd. Het voorschrift is echter imperatief gesteld ten einde, anders dan bij compensatie van kosten, een afwijkend oordeel in deze uit te sluiten; aldus Faure II, 4de druk, p. 274; Van Rossem, aant. 4 op art. 56; Vriesendorp, Ambtshalve aanvullen van rechtsgronden, p. 66 ....’’
12. Van Rossem-Cleveringa, Burgerlijke Rechtsvordering I, aant. 6, p. 377:
‘’Moet een veroordeling in de proceskosten worden uitgesproken, ook al is daartoe niet geconcludeerd? De vraag is zeer betwist doch een ontkennend antwoord lijkt naar stellig recht het best te passen bij de regel, dat de rechter geen uitspraak geeft, zo de wet hem bij wege van hoge uitzondering niet tot eigen optreden roept, en van zulk een uitzondering blijkt in dezen zeker niet duidelijk. Een beroep op het woordje 'zal' uit de eerste zin van art. 56 gaat niet op, omdat hiermee slechts wordt uitgesloten, dat de daarmee bedoelde kostenveroordeling aan het vrije oordeel van de rechter is overgelaten. De geschiedenis heldert niets op ....’’
13. In de losbladige Burgerlijke Rechtsvordering is art. 56 Rv door F. Jansen bewerkt (I-103):
‘’Tegenover de mening van vele schrijvers, dat als dan de rechter zich heeft te onthouden, verdedigt Haardt de ambtshalve toepassing van art. 56, daarbij gesteund door veel rechtspraak en wel op deze grond, dat het ' ne ultra petitum' is gebaseerd op de omvang van het geschil, zoals partijen dat door het wederzijds stellen van relevante feiten de rechter voorleggen, terwijl hiertoe niet behoort het strikt processuele sequeel, dat geen onderdeel van het geschil ten principale uitmaakt, doch dat uit de regel van art. 56 voortvloeit (Suppl. 89, januari 1976).’’
14. Ik noem voorts als medestander van Van Boneval-Foure, Star Busmann-Rutten en Van Rossem-Cleveringa: Coops Nederlands Burgerlijk Procesrecht, 9de druk 1980, p. 82 ook noot 74.
15.1. Stein, compendium, 6de druk, p. 166–167 en noot 35 verdedigt de gangbare leer met een argument dat nogal dogmatisch aandoet:
‘’De schrijvers, die van oordeel zijn dat de veroordeling in de proceskosten door de rechter niet ambtshalve mag worden uitgesproken, verliezen uit het oog dat hun opvatting ertoe moet leiden dat de in het ongelijk gestelde eiser niet in de proceskosten zou kunnen worden veroordeeld, tenzij door de gedaagde een daartoe strekkende reconventionele vordering is ingesteld.’’
15.2. Sinds de vordering tot vernietiging van een overeenkomst wegens dwaling etc., die tot betaling van alimentatie bij eenvoudige conclusie van antwoord en zonder reconventie geldend kunnen worden gemaakt, ligt hier m.i. niet meer het criterium voor de beslissing.
16. Vermeld zij dat Hugenholtz-Heemskerk, Hoofdlijnen, 14de druk, 1986, geen eigen standpunt inneemt:
‘’Volgens de Hoge Raad zal de rechter ambtshalve een uitspraak over de kosten moeten doen, ook wanneer dit door partijen niet uitdrukkelijk is gevorderd’’ (nr. 95, p. 105).
17. Nu de wetsgeschiedenis, naar ik op gezag van Van Rossem-Cleveringa aanneem, geen licht verschaft, zo min als de woorden der wet, nu de doctrine zeer verdeeld is maar toch tendeert naar het door het Hof te Arnhem ingenomen standpunt, de 'lagere' rechtspraak evenzeer uiteenlopende uitkomsten biedt en de 'beslissende' uitspraak van de Hoge Raad meer dan een halve eeuw oud is, zal meen ik het teleologische argument een belangrijke rol kunnen gaan spelen: door welke uitleg wordt in deze tijd het meest recht gedaan aan de eisen van redelijke rechtspraak. Daartoe een heel korte excursie naar nieuwere bepalingen inzake proceskosten om op het spoor te komen van thans op dit punt levende gedachten.
18.1. Art. 419 lid 4 Rv, ingevoerd bij de Wet van 20 juni 1963, Stb. 272 geeft de Hoge Raad inzake proceskosten geheel de vrije hand.
18.2. Art. 429k lid 2 jo. 429q lid 4 Rv geeft de rekestenrechter in de feitelijke instanties eenzelfde soort vrijheid. De artikelen zijn ingevoerd bij de Wet van 16 mei 1969, Stb. 200.
18.3. In beide gevallen lijkt die vrijheid te bestaan ongeacht of veroordeling in de kosten al dan niet is gevorderd of verzocht.
18.4. De tendens is duidelijk: meer vrijheid voor de rechter om of het ene of het andere te doen.
19. In de controverse zoals die voor ons ligt bestaat er voor de rechter geen vrijheid — noch in de ene, noch in de andere opvatting. De ene opvatting verdedigt dat de rechter ambtshalve een veroordeling moet uitspreken, de ander dat hij niet meer mag toewijzen dan gevorderd is en dus ambtshalve niet tot kostenveroordeling kan komen.
20. Ik zou willen verdedigen dat de tekst van de wet toestaat, het systeem van de rechtspraak rechtvaardigt en goede rechtspraak verlangt dat rechters in het soort gevallen als waarover het hier gaat vrijheid hebben de in het ongelijk gestelde partij al dan niet in de kosten te veroordelen.
21. Wat betekent het eigenlijk als men zegt dat de rechter ambtshalve beslist? M.i. dat hij zonder vordering of verzoek een beslissing neemt.
22. En 'neemt' moet men dus weer onderscheiden in: kan nemen of moet nemen.
23. De rechter kan in iedere stand van het geding ongevraagd een comparitie van partijen bevelen, ook ambtshalve (art. 19 en 19a Rv). Hij moet dit nooit. Ik bedoel te zeggen: een ambtshalve beslissing is er niet steeds een die dwingend aan de rechter wordt opgelegd.
24.1. Laat mij een ander voorbeeld geven. Art. 339 Rv (beroepstermijn van drie maanden) moet door de rechter ambtshalve worden toegepast. Partijen kunnen nog zo zijn overeengekomen, dat tussen hen een beroepstermijn van vier maanden geldt, de rechter zal de appellant die na 15 weken in appel komt, ambtshalve niet-ontvankelijk verklaren in zijn hoger beroep, ook al is hij op de hoogte (gesteld) van de afspraak.
24.2. Telkens als de rechter ambtshalve een bepaalde beslissing moet nemen, is het met de partij-autonomie gedaan.
25. Hoe is het bij de ambtshalve veroordeling in de kosten? Partijen kunnen, naar algemeen aangenomen wordt, afspreken, dat de verliezende partij niet in de kosten wordt veroordeeld. De rechter mag door die afspraak niet met een beslissing ambtshalve heenbreken, HR 20 december 1934, NJ 1935, p. 708 en HR 12 juni 1936, NJ 1936, 996; Hof 's-Gravenhage 7 november 1940, NJ 1941, 273.
26. Er is dus hier geen sprake van een beslissing die ambtshalve genomen moet worden, wat partijen er ook over hebben afgesproken.
27. Waarom zou die beslissing dan wel ambtshalve genomen moeten worden als de situatie het gemaakt zijn van zo'n afspraak zeer wel kan insluiten en evenmin uitsluit, dat de eisende partij geen veroordeling in de proceskosten heeft gevorderd of verzocht, omdat zij daarvan (desnoods eenzijdig) afstand wilde doen (heeft gedaan)?
28. Van de drie opties:
a. de verliezende partij moet ambtshalve in de kosten worden veroordeeld,
b. de verliezende partij kan niet ambtshalve in de kosten worden veroordeeld, en
c. de verliezende partij kan maar moet niet ambtshalve in de proceskosten worden veroordeeld
komt de derde mij het meest aannemelijk voor.
29. Het is toch minstens opmerkelijk, dat de Raad, vertegenwoordigd door een procureur in een volwaardig proces met conclusie van antwoord en dupliek geen kostenveroordeling van de wederpartij vraagt en ook nergens daarop zinspeelt, hoewel de wederpartij wel vorderde de Raad in haar kosten te veroordelen. Wil de rechter desondanks verplicht zijn die wederpartij ambtshalve in de kosten te veroordelen, dan moet daar, zo lijkt mij, een meer algemeen belang bij betrokken zijn dan dat wat samenvalt met het belang van de winnende partij, die zelf voor dat belang niet is opgekomen. Vergeetachtigheid? Het is bijna onvoorstelbaar en zo ja, waarom hoeft dat hier geen fatale gevolgen te hebben en in zo talloze gevallen wel? Welk algemeen belang is er bij gebaat dat een concrete verliezer de door de rechter begrote proceskosten van de winnaar moet betalen, ook al heeft die dat niet gevraagd? Zoals er wel een algemeen belang bij is betrokken, dat partijen beroepstermijnen niet krachtens afspraak kunnen verlengen (of verkorten?).
30.1. Men zou kunnen zeggen: maar wat is er nu verloren als de rechter in zulke gevallen een kostenveroordeling moet uitspreken? Hebben pp. afgesproken dat ze geen proceskosten van elkaar zullen opvorderen, dan wordt de veroordeling doodgewoon niet geëxecuteerd. Evenzo wanneer de winnende partij geen kostenveroordeling wenst.
30.2. Ik geef toe dat dat een (praktisch) argument is voor de leer van 1933, maar niet zo'n heel sterk argument. De winnaar heeft een titel en de hebzucht kan het wel eens gaan winnen van eerdere afspraak of eerder voornemen. En wat als de winnaar sterft of in staat van faillissement raakt?
31. Inmiddels merk ik op, dat het uitgangspunt van wie de oude leer verdedigt en van wie die aanvalt vaak de vraag betreft of een veroordeling ambtshalve in de proceskosten mag (kan) worden uitgesproken, niet of dit moet.
Verwezen zij naar Haardt, als geciteerd onder 9.2 van deze conclusie. Van Rossem-Cleveringa (nr. 12 conclusie) beantwoordt ontkennend de vraag of een veroordeling in de proceskosten moet worden uitgesproken maar laat in het midden of het mag.
32. Wat is mijn slotsom? Helaas is zij niet geheel enkelvoudig. Naar mijn mening is de rechter, als geen kostenveroordeling is gevorderd, niet verplicht de verliezende partij in de kosten te veroordelen, ruimer gezegd: een uitspraak over de proceskosten te doen. Dat impliceert dat het hem evenmin verboden is zulks te doen.
33. Zou ik met het pistool op de borst voor de keuze worden gesteld: of verplicht of verboden, dan zou ik kiezen voor verboden omdat ik niet inzie waarom de rechter verplicht zou zijn aan een partij een geldsbedrag toe te kennen waarom zij niet heeft gevraagd.
34. In zijn onder 3 van deze conclusie opgenomen dragende overweging heeft het hof vastgesteld, dat de Rechtbank zich terecht heeft onthouden van het geven van een beslissing omtrent de kosten. Dit kan men op twee manieren uitleggen:
a. de Rechtbank had het recht zich te onthouden van het geven van zo'n beslissing;
b. de Rechtbank moest zich onthouden van het geven van zo'n beslissing.
35. Mijn voorkeur gaat, als uiteengezet, uit naar de opvatting waarin de uitleg onder a past: wel bevoegd, niet verplicht.
36. Cassatietechnisch komt mij een keuze niet noodzakelijk voor.
37. Immers het middel (als weergegeven onder 5 van deze conclusie) houdt staande, conform het arrest van 1933, dat de rechter de in het ongelijk gestelde partij in de kosten moet veroordelen, ook als dat niet gevorderd is.
38. Dat zou zowel in de door mij geprefereerde als in de subsidiair aangehangen opvatting niet juist zijn.
39. Het middel faalt dus. Met meer dan gewone nadruk voeg ik daar aan toe: in mijn opvatting. Geen van de drie bij nr. 28 weergegeven opties is een bedreiging voor de wereldvrede. Belangrijkst is dat er een beslissing komt en daarmee, waarschijnlijk, eenheid in de rechtspraak. Wat weer niet wil zeggen, dat het mij 'koud laat' hoe die uitvalt. Normaliter moet men niet te veel rommelen aan procesrechtelijke standpunten, ook al zijn er andere die minstens even goed zijn. In dit geval acht ik het verschil in kwaliteit toch van dien aard, dat ik onder dekking van de zijde van een aantal groten in het procesrecht, mij als oudgediende bij de kleine rebellie van het Arnhemse Gerechtshof aansluit.
40. De conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden,