ECLI:NL:HR:1987:AD6967

ECLI:NL:HR:1987:AD6967, Hoge Raad, 03-03-1987, 80 613

Instantie Hoge Raad
Datum uitspraak 03-03-1987
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer 80 613
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Cassatie
Zittingsplaats Den Haag
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:PHR:1987:AD6967
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Aangehaald door 5 zaken

Aangehaald door

Samenvatting

-

Uitspraak

3 maart 1987

Strafkamer

nr. 80.613

MH

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 21 februari 1986 in de strafzaak tegen:

[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1954, wonende te [woonplaats].

1. De bestreden uitspraak

Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Politierechter in de Arrondissementsrechtbank te Middelburg van 9 oktober 1984 - de verdachte ter zake van "handelen in strijd met artikel 26, tweede lid, van de Wegenverkeerswet" veroordeeld tot twee weken gevangenisstraf, voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, alsmede tot een geldboete van vierhonderdvijftig gulden, subsidiair negen dagen hechtenis, met ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de tijd van negen maanden, waarvan drie maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.

2. Het cassatieberoep

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens hem heeft Mr. J. Sap, advocaat te Middelburg, de volgende middelen van cassatie voorgesteld:

Middel I

Schending van het recht en/of verzuim van vormen op straffe van nietigheid, in het bijzonder van de artt. 350, 358, 415 Sv., 26, 33A WVW, 1, 3 besluit van 9 oktober 1974, Stb 596, 4 van beschikking van 21 oktober 1974, Stort 208, doordien het Hof aan de in de tenlastelegging en bewezen verklaring voorkomende term "onderzoek" een onjuiste, met de Wet strijdige betekenis heeft toegekend, mitsdien het Hof niet heeft beraadslaagd en beslist op de grondslag van de tenlastelegging.

Toelichting

Rekwirant wordt op 9 oktober 1983 aangehouden ter controle van de naleving van voorschriften gesteld bij of krachtens de Wegen Verkeers Wet. Wegens verdenking van overtreding van art. 26 WVW wordt rekwirant vervolgens gevraagd of hij zijn toestemming geeft tot het verrichten van een bloedonderzoek. Rekwirant verleent zijn toestemming.

Blijkens de verklaring van rekwirant ter terechtzitting van de Politierechter d.d. 31 juli 1984 heeft eerst een zekere [dokter 1] te Goes verzocht bloed af te nemen, doch dit lukte niet. Vervolgens wordt rekwirant naar een tweede arts vervoerd, die wel bloed kon afnemen. De verklaring van rekwirant vindt ook steun in het rapport betreffende het bloedonderzoek, waarbij onder categorie A de naam [dokter 1] is doorgestreept en de naam van de arts [dokter 2] is ingevuld.

De vraag naar de toestemming geschiedt voor de eerste bloedafname. Voor de tweede bloedafname is deze procedure niet herhaald.

Het Hof geeft bij de hantering van het begrip "onderzoek" kennelijk aan deze term de betekenis: de totale procedure van bloedonderzoek, aanvangend bij het vragen naar de toestemming tot dat onderzoek en eindigend bij de mededeling van de uitslag van het onderzoek aan de verdachte. Indien éénmaal toestemming tot een dergelijk onderzoek is gegeven, is het in de opvatting van het Hof niet relevant of hier meerdere vena-puncties geschieden en er meerdere artsen bij betrokken moesten worden.

Naar de mening van rekwirant eindigt het onderzoek als bedoeld in art. 26 lid 2 van de Wegen Verkeers Wet soms op een eerder tijdstip, namelijk bij de mededeling van de betrokken arts dat hij of het niet wenselijk acht bloed af te nemen, of niet in staat is tot een bloedafname. Alsdan eindigt het onderzoek. Bloedafname door een tweede arts valt hier niet meer onder. Zoal het recht bestond rekwirant aan het tweede onderzoek te onderwerpen had hier in ieder geval. de toestemming van rekwirant opnieuw moeten worden verkregen.

Middel II

Schending van het recht en/of verzuim van vormen op straffe van nietigheid, in het bijzonder van de artt. 350, 359, 415 Sv, 26, 33A WVW, 1,3. besluit van 9 oktober 1974, Stb 596, 4 van beschikking van 21 oktober 1974, Stort 208, doordien het Hof tot de bewijzen heeft doen medewerken het resultaat van het bloedonderzoek, gebaseerd op de bloedafname door de arts [dokter 2], zulks ten onrechte, nu aan deze tweede bloedafname de toestemming van rekwirant ontbrak, mitsdien de bewezen verklaring niet voldoende met redenen is omkleed.

Toelichting

De eerste arts die rekwirant bezocht kon geen bloed vinden; De tweede wel. Na beeindiging van de eerste poging wordt niet de bedoelde toestemming aan rekwirant gevraagd.

Daargelaten de vraag of er sprake was van een herniewd bloedonderzoek, had rekwirant voor de tweede bloedafname opnieuw om toestemming moeten worden gevraagd. Nu van rekwirant niet gevergd kan worden dat de gegeven toestemming blijft voortduren na een mislukte bloedafname en dat meerdere bloedafnames onder deze zelfde toestemming blijven vallen, is het resultaat van de tweede bloedafname op onrechtmatige wijze verkregen.

3. De conclusie van het Openbaar Ministerie

De Advocaat-Generaal Meijers heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

4. Bewezenverklaring

Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij:

op 9 oktober 1983, in de gemeente Goes, als bestuurder van een voertuig, personenauto, daarmede heeft gereden over de weg, de Patijnweg, na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte van verdachtes bloed bij een onderzoek 2,14 milligram alcohol per milliliter bloed bleek te zijn.

5. Beoordeling van de middelen

5.1. Een ter terechtzitting van het Hof van 7 februari 1986 gevoerd verweer is in het bestreden arrest als volgt weergegeven en verworpen:

OVERWEGENDE, dat door de raadsman namens verdachte ter terechtzitting in hoger beroep is betoogd, dat het bewijs in de onderhavige zaak op onrechtmatige wijze is verkregen, omdat verdachte slechts toestemming heeft gegeven voor bloedafname door een huisarts, die daarin echter niet slaagde, waarna door een andere arts met succes een bloedafname heeft plaatsgevonden zonder dat daarvoor echter opnieuw aan verdachte toestemming was gevraagd;

OVERWEGENDE dienaangaande:

dat -daargelaten of verdachte inderdaad bij twee artsen is geweest om bloed te laten afnemen.

(het na te noemen proces-verbaal vermeldt daaromtrent niets)- uit het ambtsedig procesverbaal nr 1332/83 van de gemeentepolitie te Goes d.d. 20 oktober 1983 blijkt dat verdachte zich bereid heeft verklaard zijn medewerking te verlenen aan - en vervolgens toestemming heeft gegeven tot het verrichten van een bloedonderzoek als bedoeld in artikel 26 tweede lid van de Wegenverkeerswet;

dat voorts verdachte ter terechtzitting in hoger beroep heeft verklaard dat hij zijn toestemming tot bedoeld onderzoek niet op enig tijdstip vòòr de voltooiing ervan heeft ingetrokken en dat het feit dat, na het mislukken van de eerste bloedafname, een tweede bloedafname door een andere arts plaatsvond, hem niet ongewoon voorkwam, zodat hij tegen een tweede venapunktie geen bezwaar heeft gemaakt; dat uit de artikelen 1 en 3 van het Bloedproefbesluit (Besluit van 9 oktober 1974 Stb. 596) en artikel 4 van de Bloedproefbeschikking (Beschikking van 21 oktober 1974 Stert.208) in onderlinge samenhang bezien, volgt dat onder "bloedafname" in de zin van genoemd Besluit moet worden verstaan het afnemen van een hoeveelheid van ongeveer 8 ml bloed door middel van een door een arts te verrichten venapunktie;

dat deze regeling geenszins impliceert dat bloedafname slechts door één venapunktie dient te geschieden;

dat immers aan de deskundigheid en het medisch oordeel van de betreffende arts dient te worden overgelaten óf- en zo ja, op welke wijze, hij dit onderzoek, met inachtneming van de daarvoor geldende voorschriften, zal verrichten;

dat uit het voorgaande volgt, dat de door verdachte gegeven toestemming tot bloedonderzoek zich uitstrekt tot en met de. voltooiing van dit onderzoek, waarbij niet relevant is of dit onderzoek door meerdere artsen en/of door middel van meerdere venapunkties plaatsvindt;

dat het hof derhalve het verweer verwerpt.

5.2. Onder "onderzoek" van bloed, in de zin van art. 33a jo art. 26, lid 2, WVW, is blijkens art. 10 van het Besluit van 9 oktober 1974, Stb. 596 (Bloedproefbesluit) alsmede de artikelen 6 en 13 van de Beschikking van 21 oktober 1974, Stcrt. 1974, 208 (Bloedproefbeschikking) te verstaan een door de Minister van Justitie aangewezen, laboratorium te verrichten onderzoek. De in art. 33a, lid 1, WVW vermelde toestemming tot het verrichten van een onderzoek als evenbedoeld omvat mede die tot het afnemen van zoveel bloed als voor dat onderzoek noodzakelijk is en in art. 4 van het Bloedproefbesluit en art. 4 van de Bloedproefbeschikking nader is bepaald.

6. Slotsom

Nu geen van beide middelen tot cassatie kan leiden, terwijl de Hoge Raad ook geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, moet het beroep worden verworpen.

7. Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de raadsheer Bronkhorst als voorzitter, en de raadsheren De Waard en Keijzer, in bijzijn van de griffier Sillevis Smitt-Mulder, en uitgesproken op 3 maart 1987.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl NJ 1987, 774 VR 1988, 58
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?