ECLI:NL:PHR:1987:AD6967

ECLI:NL:PHR:1987:AD6967, Parket bij de Hoge Raad, 03-03-1987, 80 613

Instantie Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak 03-03-1987
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer 80 613
Rechtsgebied Strafrecht
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:HR:1987:AD6967
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Verwijst naar 1 zaken
Aangehaald door 1 zaken

Verwijst naar

Aangehaald door

Samenvatting

-

Uitspraak

N.E.

Nr. 80.613

Zitting 20 januari 1987

Mr. Meijers

Conclusie inzake:

[verdachte]

Edelhoogachtbaar College,

Blijkens het bestreden arrest is ter terechtzitting van het hof als verweer gevoerd

"dat het bewijs in de onderhavige zaak op onrechtmatige wijze is verkregen, omdat verdachte slechts toestemming heeft gegeven voor bloedafname door een huisarts, die daarin echter niet slaagde, waarna door een andere arts met succes een bloedafname heeft, plaatsgevonden zonder dat daarvoor echter opnieuw aan verdachte toestemming was gevraagd".

Het hof heeft het verweer verworpen, overwegende

"dat - daargelaten of verdachte inderdaad bij twee artsen is geweest om bloed te laten afnemen (het na te noemen proces-verbaal vermeldt daaromtrent niets) - uit het ambtsedig proces-verbaal nr. 1332/83 van de gemeentepolitie te Goes d.d. 20 oktober 1983 blijkt dat verdachte zich bereid heeft verklaard zijn medewerking te verlenen aan- en vervolgens toestemming heeft gegeven tot het verrichten van een bloedonderzoek als bedoeld in artikel 26 tweede lid van de Wegenverkeerswet;

dat voorts verdachte ter terechtzitting in hoger beroep heeft verklaard dat hij zijn toestemming tot bedoeld onderzoek niet op enig tijdstip vóór de voltooiing ervan heeft ingetrokken en dat het feit dat, na het mislukken van de eerste bloedafname, een tweede bloedafname door een andere arts plaatsvond, hem niet ongewoon voorkwam, zodat hij tegen een tweede venapunktie geen bezwaar heeft gemaakt;

dat uit de artikelen 1 en 3 van het Bloedproefbesluit (Besluit van 9 oktober 1974 Stb. 596) en artikel 4 van de Bloedproefbeschikking (Beschikking van 21 oktober 1974 Stcrt. 208) in onderlinge samenhang bezien, volgt dat onder "bloedafname" in de zin van genoemd Besluit moet worden verstaan het afnemen van een hoeveelheid van ongeveer 8 ml bloed door middel van een door een arts te verrichten venapunktie;

dat deze regeling geenszins impliceert dat bloedafname slechts door één venapunktie dient te geschieden;

dat immers aan de deskundigheid en het medisch oordeel van de betreffende arts dient te worden overgelaten òf- en zo ja, op welke wijze, hij dit onderzoek, met inachtneming van de daarvoor geldende voorschriften, zal verrichten;

dat uit het voorgaande volgt, dat de door verdachte gegeven toestemming tot bloedonderzoek zich uitstrekt tot en met de voltooiing van dit onderzoek, waarbij niet relevant is of dit onderzoek door meerdere artsen en/of door middel van meerdere venapunkties plaatsvindt;

dat het hof derhalve het verweer verwerpt".

Het eerste middel strekt ertoe te betogen dat het hof aldus aan de woorden "bij een onderzoek", die in de telastelegging kennelijk zijn gebezigd in de betekenis die daaraan in art. 26, tweede lid WVW toekomt, een onjuiste betekenis heeft toegekend.

Art. 33a, eerste lid WVW spreekt, voorzover hier van belang, van de toestemming van een in dat artikellid bedoelde verdachte

"tot het verrichten van een onderzoek, als bedoeld in artikel 26, tweede lid".

De Wegenverkeerswet noch enige uitvoeringsregel verbieden dat dat onderzoek, voorzover het betreft het aandeel van een arts in dat onderzoek, onder door de betrokken arts te beoordelen omstandigheden in twee of meer fasen geschiedt. Wel zal met betrekking tot het onderzoek, voorzover het de in het Bloedproefbesluit bedoelde bloedafname betreft, moeten vaststaan dat van één en dezelfde verdachte door middel van een venapunctie bloed wordt afgenomen van een hoeveelheid die ten hoogste 15 millimeter mag zijn (artt. 3 en 4 van het Bloedproefbesluit) en doorgaans ongeveer 8 millimeter is (art. 4, tweede lid van de Bloedproefbeschikking) .

De in art. 33a, eerste lid WVW bedoelde toestemming heeft betrekking, niet op de bloedafname, maar op het onderzoek, als bedoeld in art. 26, tweede lid WVW.

Het hof heeft terecht overwogen dat bij de bloedafname de deskundigheid en het medisch oordeel van de desbetreffende arts beslissend zijn voor de wijze waarop hij zijn aandeel in het in art. 26, tweede lid bedoelde onderzoek verricht.

Het hof heeft niet blijk gegeven van een onjuiste opvatting omtrent de wettelijke term "onderzoek".

Het middel, dat van een andere opvatting uitgaat, faalt.

Uit het bovenstaande volgt dat ook het tweede middel niet tot cassatie kan leiden: het hof mocht het resultaat van het onderzoek tot het bewijs laten meewerken.

Ik concludeer tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden,

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl NJ 1987, 774 VR 1988, 58
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?