10 juni 1988
Eerste Kamer
Rek.nr. 7372
HV
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
[verzoeker], wonende te [woonplaats], Spanje, VERZOEKER tot cassatie,
advocaat: Mr. J.W. Lely,
tegen
1. [verweerder 1], wonende te [woonplaats],
2. [verweerder 2], wonende te [woonplaats],
3. [verweerder 3], curator van [betrokkene 1], wonende te [woonplaats],
VERWEERDERS in cassatie,
niet verschenen.
1. Het geding in feitelijke instanties
Met een op 27 november 1987 gedateerd verzoekschrift hebben verweerders in cassatie - hierna te noemen [verweerders] - zich gewend tot de Rechtbank te Amsterdam met het verzoek verzoeker tot cassatie - hierna te noemen [verzoeker] - te verklaren in staat van faillissement.
Nadat [verzoeker] tegen dat verzoek verweer had gevoerd, heeft de Rechtbank bij vonnis van 9 februari 1988 [verzoeker] in staat van faillissement verklaard.
Tegen dit vonnis heeft [verzoeker] hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof te Amsterdam. Bij arrest van 17 maart 1988 heeft het Hof het vonnis van de Rechtbank bekrachtigd. Het arrest van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen het arrest van het Hof heeft [verzoeker] beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De zaak is voor [verzoeker] bepleit door zijn advocaat.
De conclusie van de Advocaat-Generaal Biegman-Hartogh strekt tot verwerping van het beroep.
3. Beoordeling van het middel
3.1 Onderdeel II - onderdeel I bevat geen klacht - berust op de stelling dat voor faillietverklaring vereist is dat, behalve de vordering van de aanvrager(s), aan de orde zijn vorderingen van een ander of anderen uit hoofde van een andere schuldverhouding dan die tussen de aanvrager(s) en de schuldenaar. Die stelling vindt in haar algemeenheid geen steun in het recht. Het onderdeel kan dus niet tot cassatie leiden.
3.2 Onderdeel III, dat voortbouwt op onderdeel II, gaat uit van een verkeerde lezing van de aangevallen uitspraak.
In zijn aangevallen rechtsoverweging 7.9 geeft het Hof, anders dan het onderdeel klaarblijkelijk veronderstelt, niet een eigen oordeel omtrent de vraag aan welke eisen moet zijn voldaan wil sprake zijn van zgn. "pluraliteit". De aangevallen rechtsoverweging is niet meer dan (een deel van) de motivering van 's Hofs oordeel dat het enige wat [verzoeker] blijkens rechtsoverweging 7.6 ter bestrijding van de pluraliteit heeft aangevoerd -- nl. "dat alle vorderingen van aanvragers en alle steunvorderingen voortvloeien uit dezelfde overeenkomst ( ... ) en derhalve voor de toepassing van art. 6 lid 3 F. als één schuld dienen te worden beschouwd" -- feitelijke grondslag mist: de verschuldigde dwangsommen en de verschuldigde koopsommen vloeien, aldus het Hof, niet voort uit één en dezelfde overeenkomst en hebben dus voor de toepassing van art. 6 lid 3 als verschillende vorderingen te gelden. Onderdeel III kan derhalve reeds bij gebrek aan feitelijke grondslag niet tot cassatie leiden.
4. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president Martens als voorzitter, en de raadsheren De Groot, Bloembergen, Haak en Boekman, en in het openbaar uitgesproken door Mr. Hermans op 10 juni 1988.