Nr. 7372 Rekest
(Faillissement)
Parket, 18 april 1988
Mr. Biegman-Hartogh
Conclusie inzake
[verzoeker]
tegen
1. [verweerder 1]
2. [verweerder 2]
3. [verweerder 3], curator van [betrokkene 1]
Edelhoogachtbaar College,
1. In deze, de elfde cassatiezaak tussen [verzoeker], thans verzoeker tot cassatie, en leden van de familie Van Tuijn, en de derde betreffende een faillissementsaanvraag (de vorige was HR 18-4-1986 NJ 1986, 530 G.) , heeft de rechtbank Amsterdam op 9-2-1988 [verzoeker] in staat van faillissement verklaard, en heeft het hof op het hoger beroep [verzoeker] bij arrest van 17-3-1988 dit vonnis bekrachtigd. [verzoeker] heeft zich van beroep in cassatie voorzien en daarbij een middel aangevoerd, bestaande uit drie onderdelen.
2. De klachten betreffen het voor de faillissementstoestand van art. 1 en art. 6 lid 3 Fw. vereiste van pluraliteit van schuldeisers. Zie omtrent dit vereiste in het algemeen HR 22-3-1985 NJ 1985, 548 G. met de conclusie van de A-G mr. Franx onder nrs. 3 en 4 met veel gegevens.
3.1 Onderdeel I bevat, zoals in het kopje wordt aangegeven, slechts een inleiding. Men zou uit het hier. vermelde echter kunnen afleiden dat 's hofs oordeel in r.o. 7.10 omtrent het bestaan van pluraliteit van
schuldeisers en van schulden - op grond waarvan het hof komt tot zijn oordeel in r.o. 8.1 dat [verzoeker] verkeert in de toestand van te hebben opgehouden te betalen - alleen berust op de gronden, omschreven in r.o. 7.8 en 7.9, welke gronden onderling nauw samenhangen. Dit nu is naar mijn mening niet het geval.
3.2 Het hof heeft op p. 10 e.v. van het arrest a quo onder het hoofd: "6. De vorderingen van [verweerders]" uiteengezet welke vorderingen thans verweerders in cassatie [verweerder 1], [verweerder 2] en (de curator van) [betrokkene 1], aan hun faillissementsaanvrage ten grondslag hebben gelegd, namelijk:
1. Voorschot koopsom Bottelmaatschappij Dongen (BMD) (zie r.o. 6.1);
2. Koopsom aandelen [betrokkene 1] Limonadefabrieken (VTL) (zie r.o. 6.3);
3. Een vordering wegens verbeurde dwangsommen met rente (r.o. 6.12);
4. Vorderingen wegens een aantal proceskostenveroordelingen (r.o. 6.13 op p. 15) .
3.3 Vervolgens heeft het hof op p. 16 e.v. van het bestreden arrest onder "7. De pluraliteit" de steunvorderingen vermeld, namelijk:
a. Vorderingen van [betrokkene 2] en [betrokkene 3] terzake van proceskostenveroordelingen (r.o. 7.2) ;
b. Vorderingen van [betrokkene 4], [betrokkene 5] en [betrokkene 6] wegens koopsom aandelen VTL (r.o. 7.4) ;
c. Vorderingen van [betrokkene 6] OP [verzoeker] terzake van proceskostenveroordelingen (r.o. 7.5) ..
3.4 De door het hof in r.o. 7.6 weergegeven stelling van [verzoeker] dat alle vorderingen van aanvragers en alle steunvorderingen voortvloeien uit dezelfde overeenkomst en dus als een schuld dienen te worden beschouwd, heeft het hof verworpen door erop te wijzen (zie r.o. 7.8) dat het ging om een op 10-1-1972 gesloten koopovereenkomst van aandelen VTL en om het verlenen van een optie op aandelen BMD. maar dat die optie door [verzoeker] pas op 31-12-1973 is uitgeoefend (en, voeg ik er voor alle duidelijkheid aan toe, de koopovereenkomst aandelen BMD dus toen pas tot stand kwam) , zodat de vorderingen niet uit een overeenkomst voortvloeien en dus niet als een schuld kunnen worden beschouwd.
3.5 Ook de door [verzoeker] verschuldigde dwangsommen, verbeurd omdat hij nalatig bleef de balans van VTL te leveren, kon naar 's hofs oordeel (r.o. 7.9) niet samen met de koopsom van de aandelen VTL als één schuld in de zin van art. 6 lid 3 Fw. worden beschouwd.
3.6 En tenslotte besliste het hof, dat ook de steunvordering terzake van door [verzoeker] aan [betrokkene 6] te betalen kostenveroordelingen niet als een schuld met die terzake van de aandelen VTL dan wel BMD kon worden aangemerkt, aangezien deze betrekking had op procedures tegen [betrokkene 6] wegens beweerdelijk onbehoorlijk handelen van laatstgenoemde in zijn hoedanigheid van directeur van de vennootschappen.
3.7 Kortom: naar 's hofs vaststelling had [verzoeker] aan [verweerder 1], [verweerder 2] en [betrokkene 1], de aanvragers van zijn faillissement, vier schulden, en fungeerden de schulden van [verzoeker] aan resp. [betrokkene 2] en [betrokkene 3], aan [betrokkene 4], [betrokkene 5] en [betrokkene 6], en aan [betrokkene 6] alleen, als drie steunvorderingen.
4. Onderdeel II bevat als eerste klacht onder (8) dat het hof eraan voorbij heeft gezien dat voor pluraliteit niet voldoende is dat er sprake is van meer dan een schuld, maar dat eveneens vereist is dat er daarnaast
vorderingen zijn van anderen dan de aanvrager, en wel uit hoofde van een andere schuldverhouding dan die tussen aanvrager en schuldenaar.
De vraag of de hier gestelde verzwaring van het pluraliteitsvereiste - de steunvordering moet niet alleen een andere schuldeiser betreffen, maar ook een andere schuld - wel steun vindt in de wet, kan naar mijn mening in het midden blijven. Ook bij een bevestigend antwoord kan de klacht niet slagen, nu in elk geval de steunvordering van [betrokkene 6] blijkens 's hofs vaststelling in r.o. 7.9, tweede zin, een andere schuld betrof dan de vier vorderingen van thans verweerders.
5. Onderdeel III (tweede klacht) mist, naar ik meen, feitelijke grondslag: blijkens 's hofs vermelding van de vorderingen van anderen dan de aanvragers van het faillissement (zie r.o. 7.2 t/m 7.5, boven sub 3.3) heeft het hof geenszins de betekenis van het pluraliteitsvereiste miskend.
6. Daar ik het voorgedragen middel ongegrond acht, concludeer ik tot verwerping van het beroep.
Parket, 18 april 1988
De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden,