28 oktober 1988
Eerste Kamer
Nr. 13.349
S.J.K.
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
[eiser], wonende te [woonplaats],
EISER tot cassatie,
advocaat: Mr. E.J. Dommering,
tegen
[verweerder], wonende te [woonplaats],
VERWEERDER in cassatie,
advocaat: voorheen Mr. P. Kuipers, thans Mr. R.M. Hermans.
1. Het geding in feitelijke instanties
Verweerder in cassatie - verder te noemen [verweerder] - heeft bij exploot van 17 juni 1985 eiser tot cassatie
- verder te noemen [eiser] - gedagvaard voor de Rechtbank te 's-Hertogenbosch en gevorderd dat de Rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
1. voor recht zal verklaren, dat ontbonden is de tussen partijen gesloten koopovereenkomst met ontbindende voorwaarde d.d. 2 april 1980, waarbij [eiser] aan [verweerder] verkocht een perceel braakliggend terrein, zoals omschreven in de inleidende dagvaarding, tegen de prijs van f. 96.720, --;
2. [eiser] zal veroordelen tot terugstorting van hetgeen ter uitvoering van de onder 1 genoemde overeenkomst is betaald, te weten in totaal een bedrag ad f. 116.421, 60, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag van betaling, 27 februari 1984, tot de dag der algehele voldoening.
Nadat [eiser] tegen die vorderingen verweer had gevoerd, heeft de Rechtbank bij vonnis van 4 april 1986 [verweerder] zijn vorderingen ontzegd.
Tegen dit vonnis heeft [verweerder] hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch.
Bij arrest van 1 december 1986 heeft het Hof het vonnis van de Rechtbank vernietigd en de vorderingen alsnog toegewezen.
Het arrest van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen het arrest van het Hof heeft [eiser] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
[verweerder] heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.
De conclusie van de Advocaat-Generaal Biegman- Hartogh strekt tot verwerping van het beroep.
3. Beoordeling van het middel
[verweerder] heeft op 2 april 1980 van [eiser] een terrein gekocht onder de ontbindende voorwaarde dat hem geen vergunning - voor zover thans van belang op grond van de Hinderwet - zou worden verleend om op dat terrein een transportbedrijf uit te oefenen. In zijn arrest van 31 januari 1984 heeft het Hof in een eerder geding tussen partijen geoordeeld - kort samengevat - dat de ontbindende voorwaarde op grond van de toen aangevoerde omstandigheden niet was vervuld. In zijn thans bestreden arrest van 1 december 1986 heeft het Hof geoordeeld - kort samengevat - enerzijds dat de ontbindende voorwaarde thans wel is vervuld, zulks op grond van de omstandigheid dat in administratief beroep bij de Kroon definitief is komen vast te staan dat te dezen geen hinderwetvergunning zal worden verleend, en anderzijds dat in het arrest van 31 januari 1984 niet is beslist dat, wanneer alsnog zou komen vast te staan dat de vereiste vergunningen niet verleend zouden worden, de ontbindende voorwaarde geen werking meer zou hebben, zodat het beroep van [eiser] op het gezag van gewijsde van dit arrest niet opgaat.
Het middel faalt. Door, uitgaande van hetgeen boven is weergegeven, het beroep van [eiser] op het gezag van gewijsde van het arrest van 31 januari 1984 te verwerpen en aldus tot toewijzing van de vordering van [verweerder] te komen heeft het Hof geen blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting. In het licht van de bewoordingen van dit arrest is 's Hofs boven weergegeven uitleg daarvan ook niet onbegrijpelijk.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verweerder] begroot op f. 756,30 aan verschotten en f. 2.500, -- voor salaris.
Dit arrest is gewezen door de vice-president Snijders als voorzitter en de raadsheren Bloembergen, Haak, Roelvink en Davids, en in het openbaar uitgesproken door Mr. Hermans op 28 oktober 1988.