Hoge Raad der Nederlanden
derde kamer
nr. 1108
1 november 1989
PdM
ARREST
gewezen in de zaak van:
[eiseres], wonende te [woonplaats],
eiseres tot cassatie van het tussen partijen gewezen vonnis van de Arrondissementsrechtbank te Zutphen van 27 april 1989, vertegenwoordigd door Mr. R. Th. R.F. Carli, advocaat bij de Hoge Raad,
tegen
de gemeente Brummen, waarvan de zetel is gevestigd te Brummen, verweerster in cassatie, vertegenwoordigd door Mr. J.G. de Vries Robbé, eveneens advocaat bij de Hoge Raad.
1. Geding in feitelijke instantie.
De gemeente Brummen heeft bij exploit van 4 augustus 1988 de eiseres tot cassatie doen dagvaarden voor de Arrondissementsrechtbank te Zutphen en ten behoeve van de uitvoering van het bestemmingsplan "De Werfakker 1979" gevorderd de vervroegd uit te spreken onteigening in het belang van de volkshuisvesting en de ruimtelijke ontwikkeling, ten name van de Gemeente, van een gedeelte groot 0.28.36 hectare, van het. perceel kadastraal bekend gemeente Hall sectie E nr. 3724, waarvan eiseres tot cassatie als eigenares is aangewezen.
Nadat de eiseres tot cassatie de vordering tot onteigening had weersproken en in reconventie had gevorderd dat de Gemeente zou worden veroordeeld tot nakoming van een op 20 juli 1981 tussen partijen tot. stand gekomen overeenkomst met betrekking tot het perceel waarvan het te onteigenen deel uitmaakt, heeft de Rechtbank bij het in cassatie bestreden vonnis de gevorderde onteigening bij vervroeging uitgesproken, het door de Gemeente te betalen voorschot en de door haar te stellen bankgarantie vastgesteld en voorts de datum bepaald waarop de deskundigen, door de Rechtbank bij beschikking van 31 mei 1988 benoemd op de voet van artikel 54c van de onteigeningswet, hun rapport ter griffie dienden te deponeren, en ten slotte in reconventie de eiseres niet-ontvankelijk verklaard in haar vordering.
In dat vonnis heeft de Rechtbank - voor zover .in cassatie nog van belang - overwogen met betrekking tot het geschil in reconventie:
Het is vaste rechtspraak dat de op spoed en eenvoud ingestelde regeling van de procesgang in onteigeningsgedingen niet toelaat aan een zodanig geding een eis in reconventie te verbinden.
Zulks leidt er toe, dat [eiseres] niet- ontvankelijk verklaard dient te worden in haar eis in reconventie, met hare veroordeling als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van het geding.
en met betrekking tot het geschil in conventie:
Bij pleidooi is zijdens [eiseres] nog als verweer gesteld, dat de gemeente niet getracht heeft in der minne de eigendom van het thans te onteigenen gedeelte te verwerven. Ook deze stelling wordt verworpen, nu
uit de door gemeente overgelegde brieven reeds blijkt dat bij de brieven van 7 september 1987, 30 oktober 1987 en 25 november 1987 zijdens de gemeente pogingen in het werk gesteld zijn om in der minne de eigendom te verwerven.
2. Geding in cassatie.
De eiseres tot cassatie heeft het vonnis bestreden met de volgende middelen van cassatie:
1. Schending van het Nederlands recht en/of verzuim van vormen waarvan de niet-inachtneming uitdrukkelijk met nietigheid bedreigd is en ten aanzien waarvan zodanige nietigheid voortvloeit uit de aard van de niet in acht genomen vorm, doordat de Rechtbank in het vonnis in conventie heeft overwogen als hierboven met betrekking tot het geding in conventie is weergegeven omtrent artikel 17 van de onteigeningswet. De Rechtbank heeft overwogen dat uit de brieven d. dis 7 oktober 1987, 30 oktober 1987 en 25 november 1987 blijkt dat de Gemeente gepoogd heeft het te onteigenen deel van het onroerend goed van mevrouw [eiseres] in der minne te verkrijgen. Deze overweging kan, bezien in het licht van de gestelde feiten en omstandigheden, niet begrepen worden.
Althans moet het er voor gehouden worden dat de Rechtbank een onjuiste betekenis gehecht heeft aan het in artikel 17 van de onteigeningswet voorkomende begrip:
"trachten te verkrijgen bij minnelijke overeenkomst".
Aan. de Rechtbank was, blijkens het feit. dat zij daaraan aandacht besteedde, bekend dat tussen partijen in 1981 onderhandelingen werden gevoerd over de verkoop van het gehele onroerend goed van mevrouw [eiseres] tegen een prijs van f 310.000, -- en dat partijen, blijkens de procedure met rolnummer 87/84, van mening verschilden over de beantwoording van de vraag of deze onderhandelingen al dan niet tot een overeenkomst hadden geleid. Onder die omstandigheden had de Rechtbank niet mogen miskennen dat de Gemeente bij het doen van een "serieuze" poging (NJ 64/15) om het onroerend goed, althans het te onteigenen onroerend goed, te verkrijgen, niet had mogen volstaan met het noemen van een prijs van f 47.930, -- , maar ook had moeten onderzoeken of de misverstanden over het al dan niet tot stand zijn gekomen van een overeenkomst hadden kunnen worden opgelost. Nu de Rechtbank dit miskend heeft moet gemeend worden dat een wezenlijk deel van haar oordeel onvoldoende, althans onjuist, gemotiveerd werd op een wijze welke, bezien in het licht van de gestelde en omstandigheden, zonder nadere toelichting niet begrepen kan worden, althans dat de Rechtbank artikel 17 van de onteigeningswet schond.
Tegen het vonnis in reconventie voert mevrouw [eiseres] het navolgend middel van cassatie aan:
2. Schending van het Nederlands recht en/of verzuim van vormen waarvan de niet- inachtneming uitdrukkelijk met nietigheid is bedreigd, of ten aanzien waarvan zodanige nietigheid voortvloeit uit de aard van de niet in acht genomen vorm, doordat de Rechtbank met betrekking tot de vordering in reconventie heeft overwogen als hierboven met. betrekking tot het geding in reconventie is weergegeven en op grond daarvan mevrouw [eiseres] niet-ontvankelijk verklaarde in haar reconventionele vordering, zulks ten onrechte. Inderdaad wordt in de literatuur het standpunt ingenomen dat in onteigeningszaken een reconventionele vordering niet past, omdat - geparafraseerd - bij onteigening ruim baan gemaakt moet worden voor de Overheid. 'In de conclusie OM, welke gepubliceerd werd op de blz. 1714 t/m 1716 van de NJ 1933, heette . het: "Hieruit kan, dunkt mij, worden afgeleid dat eene onteigeningszaak naar 's wetgevers oordeel eigenlijk geen burgerlijke zaak is, doch behandeld wordt alsof het er eene was".
Die literatuur baseert; het standpunt aangaande het verbod van reconventie op hetgeen de Hoge Raad in NJ 47/29 overwoog m.b.t. cassatiemiddel d. In de bestreden uitspraak heeft Rechtbank dienovereenkomstig overwogen.
Daarbij werd echter door de Rechtbank miskend dat het door de Hoge Raad in 1946 geformuleerde verbod geen betrekking kan hebben op procedures in reconventie welke het in conventie aanhangige onteigeningsgeschil in de kern raken, zoals thans het geval is en reeds om die reden behandeling vergen. Aldus heeft de Rechtbank art. 250 BRV geschonden, althans in strijd met de goede procesorde gehandeld, door zonder inhoudelijk onderzoek van het gevorderde mevrouw [eiseres] niet-ontvankelijk te verklaren in haar eis in reconventie.
Partijen hebben hun belangen schriftelijk doen toelichten door hun advocaten voornoemd.
De Advocaat-Generaal Moltmaker heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
3. Beoordeling van de middelen.
3.1. Met betrekking tot de vordering tot onteigening heeft de Rechtbank geoordeeld dat de Gemeente heeft voldaan aan het voorschrift van artikel 17 van de onteigeningswet, dat de onteigenende partij eerst moet trachten het te onteigenen bij minnelijke overeenkomst te verkrijgen. In aanmerking genomen dat het desbetreffende verweer eerst bij pleidooi voor de Rechtbank is gevoerd, behoefde voormeld oordeel, waarbij dat verweer werd verworpen met een verwijzing naar een drietal door de Gemeente kennelijk bij pleidooi overgelegde brieven, geen nadere motivering. Het oordeel geeft niet blijk. van een onjuiste opvatting van artikel 17 voornoemd. Het eerste middel kan derhalve niet slagen.
3.2. Met betrekking tot de eis in reconventie heeft de Rechtbank terecht geoordeeld dat voor zulk een vordering in het onteigeningsgeding geen plaats is. Indien sprake zou zijn van een eis in reconventie die de vordering in conventie in de kern raakt, zoals in het tweede middel is aangevoerd, zou dat een reden kunnen zijn om in conventie dienovereenkomstig verweer te voeren doch rechtvaardigt het niet de op spoed en eenvoud ingestelde regeling van de procesgang in onteigeningszaken met een reconventionele vordering te bezwaren. Dit geldt in het bijzonder voor de te dezen gevolgde rechtsgang leidende tot een vervroegde uitspraak van de onteigening. Ook dit middel faalt derhalve.
4. Beslissing.
De Hoge Raad verwerpt het beroep en verwijst de eiseres tot cassatie in de kosten op de voorziening gevallen, tot aan deze uitspraak aan de zijde van haar tegenpartij begroot op f 456, 30 aan verschotten en f 2.500, -- voor salaris.
Dit arrest is gewezen door de vice-president Van Dijk als voorzitter, en de raadsheren Stoffer, Mijnssen, Wildeboer en Urlings. Uitgesproken door de vice-president voornoemd ter openbare terechtzitting van 1 november 1989, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier Postema-Van der Koogh.