12 januari 1990
Eerste Kamer
Nr. 13.743
A.S.
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
DE STAAT DER NEDERLANDEN, (Ministerie van Economische Zaken),
waarvan de zetel is gevestigd te 's-Gravenhage,
Eiser tot cassatie,
advocaat: Mr. J.L. de Wijkerslooth,
tegen
1. APPELS INTERNATIONAL B.V.,
gevestigd te Waalwijk,
2. APPELS BELEGGING EN ONROEREND GOED B.V.,
gevestigd te Waalwijk,
3. APPELS IN- EN UITKLARING B.V.,
gevestigd te Waalwijk,
4. APPELS TRANSPORT B.V.,
gevestigd te Waalwijk,
5. APPELS HAVEN EN VEEM B.V.,
gevestigd te Waalwijk,
6. TRANSPORTATION DATA SERVICES B.V.,
gevestigd te Waalwijk,
VERWEERSTERS in cassatie,
advocaat: voorheen Mr. B.H. ter Kuile,
thans Mr. B. Sluyters.
1. Het geding in feitelijke instanties
Verweersters in cassatie - verder te noemen Appels - hebben bij exploot van 4 mei 1987 eiser tot cassatie - verder te noemen de Staat - te zamen met, voor zover in cassatie van belang, de Beleggingsmaatschappij Frelan B.V. (hierna Frelan), gevestigd te 's-Gravenhage en Wolters & Schaberg Management B.V. (hierna WSM), gevestigd te Rotterdam in kort geding gedagvaard voor de President van de Rechtbank te 's-Gravenhage en gevorderd dat, zolang niet in een door Appels aan te spannen bodemprocedure tussen partijen onherroepelijk zal zijn beslist, de Staat zal worden verboden uitvoering te geven aan de akte van cessie en overdracht van 27 februari 1987 en/of de akte van lastgeving en volmacht van 26 februari 1987, alsmede aan de overeenkomst van 7 november 1986 voor zover beide genoemde akten daarvan een uitwerking vormen.
Nadat de Staat tegen deze vorderingen verweer had gevoerd, heeft de President van de Rechtbank bij vonnis van 23 juni 1987 de vorderingen van Appels afgewezen. Tegen dit vonnis heeft Appels hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof te 's-Gravenhage. Bij arrest van 3 maart 1988 heeft het Hof het bestreden vonnis vernietigd en de vordering van Appels. toegewezen.
Het arrest van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen het arrest van het Hof heeft de Staat beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Appels heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.
De conclusie van de Advocaat-Generaal Mok strekt tot verwerping van het beroep.
3. Beoordeling van het middel
3.1 In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
a ) Nadat door de Staat in 1976 aan Appels een zogenaamd in 's Hofs arrest nader omschreven, N-krediet was verleend, is dit krediet in de jaren 1983/1984 op basis van de Regeling steun aan individuele bedrijven van 7 maart 1980, Stc. 1980, nr. 50 vernieuwd. Het krediet bedroeg per 31 december 1982 en bedraagt ook thans nog ongeveer 1,4 miljoen gulden.
b) Het krediet werd vernieuwd bij een tweetal brieven uit de jaren 1983 en 1984, die door Appels voor akkoord werden getekend "ter integrale en onvoorwaardelijke aanvaarding". Daarmede aanvaardde Appels ook de "voorwaarden en bepalingen" van een brief van de Staat van 31 december 1982, waarin de "juridische verhouding tussen de overheid en Uw vennootschap" werd neergelegd en waarin aan de Staat ingrijpende, door het Hof in rechtsoverweging 12 vermelde bevoegdheden met betrekking tot de zeggenschap over en de controle op Appels werden toegekend.
c) Bij brief van 10 februari 1987 werd namens de Minister van Economische Zaken en diens Staatssecretaris ten vervolge op een eerdere in 's Hofs arrest besproken brief van 7 oktober 1986 aan Appels "medegedeeld", dat de Minister met WSM "tot overeenstemming was gekomen" over de overname van de financiële belangen van de Staat in Appels, dat de overdracht zou worden geëffectueerd "door cessie van de voor cessie vatbare rechten en lastgeving ter zake van de overige met de geldleningen verband houdende bevoegdheden" en dat Appels hierover zelfstandig door de "overnemende partij" zou worden benaderd.
d) Bij brief van 27 februari 1987 werd op briefpapier van WSM door Frelan en door de Staat aan Appels medegedeeld dat die "overnemende partij" Frelan was: WSM had Frelan als zodanig aangewezen, zodat de Staat zijn vorderingen uit de aan Appels verstrekte geldleningen aan Frelan had "overgedragen en gecedeerd" met "last en volmacht ( ... ) om de rechten van de Staat uit hoofde van de met betrekking tot deze geldleningen gesloten overeenkomsten uit te oefenen".
e) Uit de bij laatstgenoemde brief gevoegde afschriften van de akten van "cessie en overdracht" en van "lastgeving en volmacht", gedateerd 27 februari 1987, respectievelijk 26 februari 1987, blijkt dat deze "overneming" berustte op een overeenkomst van 7 november 1986 tussen de Staat enerzijds en WSM anderzijds, krachtens welke overeenkomst WSM bevoegd was Frelan als "overnemende partij" aan te wijzen, en dat voorts bedoelde "lastgeving en volmacht", wat de rechten van de Staat betreft, slechts een subsidiair karakter had, immers alleen werd verstrekt voor zover die rechten niet onder de "akte van overdracht en cessie" vielen.
Appels heeft het standpunt ingenomen dat een overname als hiervoor omschreven rechtens is uitgesloten en heeft voor de periode totdat in de inmiddels aanhangig gemaakte bodemprocedure zal zijn beslist - kort gezegd - een verbod jegens de Staat, Frelan en WSM gevorderd de hiervoor omschreven cessie en lastgeving en volmacht uit te voeren en voorts een verbod jegens Frelan en WSM de rechten en verplichtingen uit de geldleningen over te dragen. Deze vorderingen zijn door het Hof toegewezen.
3.2 De overwegingen die het Hof tot deze beslissing hebben geleid, kunnen, voor zover in cassatie van belang, als volgt worden samengevat:
(i) De kredietverschaffing en, naar moet worden aan genomen, ook de vernieuwing van het krediet geschiedde bij een (wederkerige) obligatoire overeenkomst naar burgerlijk recht en niet - zoals ten processe was betoogd - bij een beschikking in de zin van de Wet Arob.
(ii) Dat hier sprake is van een overeenkomst naar burgerlijk recht, neemt niet weg dat deze overeenkomst een "publiekrechtelijk karakter" heeft. Hiermede brengt het Hof tot uitdrukking niet alleen dat het krediet een overheersende "publiekrechtelijke achtergrond" heeft in dier voege dat de Staat een door de banken geweigerd risico in het belang van de werkgelegenheid - en derhalve ter uitvoering van zijn werkgelegenheidsbeleid - heeft aanvaard (rechtsoverweging 14), maar ook dat op de overeenkomst naast de regels van burgerlijk recht ook regels van publiek recht en in het bijzonder de algemene beginselen van behoorlijk bestuur van toepassing zijn (rechtsoverweging 5).
(iii) Appels heeft het geschil terecht aan de burgerlijke rechter voorgelegd.
(iv) In de hiervoor weergegeven overwegingen van het Hof ligt besloten dat het Hof niet deelt de oordelen van de President dat de brief van 10 februari 1987 behelst een (mededeling omtrent een) "privatiseringsbeslissing" die is aan te merken als een beschikking in de zin van de Wet Arob, en dat derhalve de burgerlijke rechter moet uitgaan van de rechtsgeldigheid van deze beschikking, nu Appels daartegen niet in beroep is gekomen. Klaarblijkelijk is het Hof, gelet ook op zijn hiervoor in 3.1 onder c vermelde vaststelling en in overeenstemming met het in rechtsoverweging 3.4 weergegeven standpunt van Appels, van oordeel dat deze brief niet meer is dan een "mededeling" dat de Minister met WSM een overeenkomst naar burgerlijk recht tot overdracht van het krediet had gesloten.
(v) Voor de beantwoording van de vraag of de overdracht van het krediet rechtsgeldig is, is beslissend of de
aard van de uit een steunverlening als de onderhavige voortspruitende rechten en verplichtingen, zich tegen deze overdracht verzetten (rechtsoverweging 7).
(vi) In rechtsoverweging 14 heeft het Hof, in het bijzonder voortbouwend op de rechtsoverwegingen 11-13, die vraag aldus beantwoord dat een overdracht van een rechtsverhouding als de onderhavige aan een "derde die in de privé-sfeer opereert" - het Hof doelt hier kennelijk op een derde, zoals Frelan, die niet publieke belangen behartigt en ook niet met de uitvoering van enige overheidstaak is belast - rechtens is uitgesloten. De volgende, in onderling verband te beschouwen elementen uit de rechtsverhouding tussen de Staat en Appels zijn hierbij voor het Hof beslissend geweest:
(1) De "typische positie waarin de Staat zich als overheid jegens Appels bevindt". Hierbij doelt het Hof klaarblijkelijk op de hiervoor onder (ii) al aangestipte omstandigheid dat de rechtsverhouding mede wordt beheerst door de algemene beginselen van behoorlijk bestuur.
(2) De eveneens hiervoor al aangestipte "publiekrechtelijke achtergrond" van het krediet, die naar 's Hofs oordeel zo overheersend is dat de rechten en verplichtingen niet zonder medewerking van Appels kunnen worden overgedragen aan een derde als Frelan "die in de privé-sfeer opereert".
(3) Het ingrijpende karakter van de door het Hof vermelde bevoegdheden van de Staat, welk karakter meebrengt dat deze niet aan zulk een derde kunnen worden overgelaten, zeker niet als wordt gelet op de kans dat deze derde die bevoegdheden doorschuift naar een opvolger.
Klaarblijkelijk heeft het Hof geoordeeld dat deze elementen in onderling verband beschouwd meebrachten dat het krediet zo zeer gebonden was aan de persoon van de Staat als crediteur dat de rechten en bevoegdheden uit het krediet slechts door de Staat behoorden te worden uitgeoefend en dat daarom de aard van het krediet zich tegen overdracht verzette.
(vii) In het slot van rechtsoverweging 14 heeft het Hof ten overvloede voor de beantwoording van evenbedoelde vraag nog betekenis toegekend aan een passage uit de brief van 31 december 1982.
3.3 Onderdeel 1 gaat met het Hof ervan uit dat de kredietverschaffing bij een obligatoire overeenkomst naar burgerlijk recht geschiedde, maar betoogt in de eerste plaats dat het Hof ten onrechte niet is ingegaan op de vraag of aan de overdracht een beschikking in de zin van de Wet Arob ten grondslag lag. Uit het hiervoor in 3.2 onder (iv) gezegde vloeit voort dat het hof deze vraag wel onder ogen heeft gezien en ontkennend heeft beantwoord.
Het onderdeel mist dus in zoverre feitelijke grondslag.
Voorts betoogt het onderdeel dat 's Hofs oordeel niet concludent is, omdat uit de omstandigheid dat de kredietverschaffing bij obligatoire overeenkomst naar burgerlijk recht geschiedde, niet zonder meer voortvloeit dat aan de overdracht niet een beschikking in de zin van de Wet Arob ten grondslag ligt. Dit betoog ziet eraan voorbij dat 's Hofs oordeel dat aan de overdracht niet een beschikking in voormelde zin ten grondslag ligt, vooral steunt op zijn uitlegging van de brief van 10 februari 1987 - waarin het Hof slechts ziet een mededeling aan Appels omtrent de tussen de Staat en WSM bereikt overeenstemming omtrent de overdracht - en niet enkel op zijn oordeel dat de Staat bij het verschaffen en vernieuwen van het onderhavige krediet heeft verkozen daarvoor het burgerlijk recht te bezigen, dienovereenkomstig een wederkerige overeenkomst naar dat recht heeft tot stand gebracht en de rechten en verplichtingen uit die overeenkomst heeft overgedragen door toepassing van cessie, volmacht en lastgeving.
's Hofs oordeel ter zake is geenszins onbegrijpelijk en behoefde, zeker in dit kort geding, geen nadere motivering. Ook de motiveringsklacht van het onderdeel faalt derhalve.
3.4 Onderdeel 2 betoogt (onder 2.1) dat het Hof bij de beantwoording van de vraag of de overdracht rechtsgeldig was, een "onjuiste maatstaf" heeft aangelegd. Bij gebreke van een wettelijke bepaling daaromtrent heeft het Hof, zoals hiervoor in 3.2 onder (v) vermeld, terecht beslissend geacht of de aard van het krediet zich tegen overdracht verzette. Evenzeer terecht heeft het Hof, zoals hiervoor in 3.2 onder (vii) vermeld, mede betekenis toegekend aan hetgeen de Staat en Appels ter zake waren overeengekomen. Met toepassing van deze maatstaf is het Hof in voege als hiervoor in 3.2 onder (vi) vermeld tot het oordeel gekomen dat overdracht van het onderhavige krediet rechtens is uitgesloten. Dit oordeel geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Verder kan dit oordeel, verweven als het is met waarderingen van feitelijke aard, in cassatie niet op juistheid worden getoetst. Het is voldoende gemotiveerd. Alle verdere klachten van onderdeel 2 stuiten hierop af.
3.5 Mede in aanmerking genomen dat niet blijkt dat de Staat of een zijn medestanders de desbetreffende, door Appels in eerste aanleg geponeerde stelling heeft bestreden, heeft het Hof klaarblijkelijk in rechtsoverweging 14 geoordeeld dat het recht op rente en aflossing en de ingrijpende, in rechtsoverweging 12 van het Hof omschreven bevoegdheden van de Staat in onverbrekelijk verband met elkaar stonden, zodat voor overdracht van dat recht zonder die bevoegdheden geen plaats was. Dit oordeel geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en kan verder wegens zijn verwevenheid met waarderingen van feitelijke aard in cassatie niet op zijn juistheid worden getoetst. Het behoefde, zeker in dit kort geding, geen nadere motivering. Onderdeel 3 faalt derhalve.
3.6 Onderdeel 4 miskent dat het Hof, wanneer het spreekt over "rechten en verplichtingen" of over "rechtsverhoudingen" op het op het oog heeft die verplichtingen van de Staat die onverbrekelijk met de uitvoering van de rechten en bevoegdheden van de Staat waren verbonden. Voorts gaat het Hof er met juistheid van uit dat die verplichtingen in het algemeen bij overdracht ook overgaan. 's Hofs arrest is op dit punt niet onvoldoende gemotiveerd. Daarbij verdient nog opmerking dat in de overgelegde acte van lastgeving en volmacht de gegeven last en volmacht uitdrukkelijk mede betrekking hebben op (nakoming van) de verplichtingen welke voor de Staat uit het krediet voortvloeien. Het onderdeel stuit hierop af.
3.7 In de rechtsoverwegingen 3 en 4 van het Hof ligt besloten dat het Hof - overigens op het voetspoor van partijen in de feitelijke instanties, die ook geen scherp onderscheid tussen de cessie enerzijds en de lastgeving en volmacht anderzijds hebben gemaakt - in zijn verdere oordeelsvorming steeds de hele "overname", dus zowel de cessie als de lastgeving en volmacht, op het oog heeft gehad en beide rechtshandelingen niet aanvaardbaar heeft geoordeeld. De klacht van onderdeel 5, dat het Hof een desbetreffend verweer ongemotiveerd zou hebben gepasseerd, gaat dus niet op.
3.8 Onderdeel 6 komt tevergeefs op tegen 's Hofs niet onbegrijpelijke uitlegging van de brief van 31 december 1982. Het onderdeel mist feitelijke grondslag, voor zover het betoogt dat Appels zich niet mede op deze brief zou hebben beroepen. En het ziet eraan voorbij dat het Hof heeft geoordeeld dat het geschil in volle omvang door de grieven aan het Hof was voorgelegd.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
veroordeelt de Staat in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van Appels begroot op f 456,30 aan verschotten en f 2.500, -- voor salaris.
Dit arrest is gewezen door de vice-president Martens als voorzitter en de raadsheren De Groot, Bloembergen,. Haak en Roelvink, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer Hermans op 12 januari 1990.