MIDDEL II
Het recht is geschonden en/of er zijn vormen verzuimd waarvan niet naleving nietigheid medebrengt.
In het bijzonder zijn de artt. 344, 415 Sv. geschonden doordien het hof voor het bewijs van feit 2 een proces-verbaal heeft gebezigd (bewijsmiddel 4.21) inhoudende als verklaring van [betrokkene 6] voorzover hier van belang, zakelijk weergegeven, luidende:
"Toen ik het geld op de grond zag liggen begreep ik dat [verdachte] , [medeverdachte 1] en [getuige 1] dit niet op een eerlijke manier hadden verdient."
Zulks ten onrechte, aangezien vorenweergegeven verklaring een mening, gissing of gevolgtrekking behelst, die niet valt aan te merken als een mededeling omtrent feiten of omstandigheden, die door de getuige zelf zijn waargenomen of ondervonden.
MIDDEL III
Het recht is geschonden en/of er zijn vormen verzuimd waarvan niet naleving nietigheid medebrengt. In het bijzonder zijn de artt. 359, 415 Sv. geschonden doordien het hof niet heeft beslist op het namens rekwirant gevoerd verweer, kort samengevat inhoudende, dat zijn aanhouding onrechtmatig is geweest en dientengevolge de door de rechtbank gebezigde en door het hof overgenomen bewijsmiddelen onder nrs. 4.24, 4.25, 4.26, 4.27, 4.28, en 4.29 niet tot het bewijs mogen worden gebezigd. De bewezenverklaring is op grond hiervan onvoldoende met redenen omkleed.
TOELICHTING
1. Blijkens de pleitnota van de raadsman van rekwirant is in hoger beroep voorzover hier van belang, zakelijk weergegeven, betoogd:
Met betrekking tot de aanhouding van cliënt op de brug bij de rivier " [waterweg 1] " kunnen de nodige vraagtekens worden gezet. Cliënt werd aangehouden, zo blijkt uit het proces-verbaal in verband met "controle aan het voertuig. " Het valt op, dat de agenten het voertuig niet controleren en ook niet eens vragen naar papieren. Het gaat de agenten blijkbaar uitsluitend en alleen om de inhoud van de tas. Daarna wordt ook gevraagd en mijn conclusie is dan ook, dat cliënt derhalve reeds op dat moment door de agenten van een strafbaar feit werd verdacht zonder dat er ook maar enigszins sprake was van een redelijk vermoeden van schuld. Zulks impliceert, dat de aanhouding van cliënt onrechtmatig is geweest en zulks heeft tot gevolg dat het daaruit verkregen bewijs eveneens onrechtmatig is verkregen en derhalve niet als bewijsmiddel mag worden gebruikt, hetgeen de rechtbank Dordrecht in het vonnis wel heeft gedaan.
Het valt voorts op, dat, toen de verbalisanten op het moment van aanhouding aan cliënt vroegen wat hij met de weekendtas meevoerde hij blijkbaar toen al als verdacht werd beschouwd. De cautie werd op dat moment niet gegeven. Cliënt geeft zonder die cautie de inhoud van de tas.
Blijkens het proces-verbaal van verhoor van [verbalisant 1] d.d. 3 juni 1985 wordt gesteld, dat: "gezien het feit, dat die man snel naar zijn auto liep en vlug daarin plaatsnam, hij op dat moment verdacht overkwam". De verdediging vraagt zich dan af: verdacht waarvan. Het P.V. gaat verder: "Kennelijk had die man van afstand de auto van ons als zijnde een politieauto herkend en wilde hij vermoedelijk niet herkend worden of wel de inhoud van de tas aan ons kenbaar maken". (Er kan een parallel worden getrokken met het arrest van de Hoge Raad, N.J. 1982, 258 (plastic boodschappentas II. )
Het bovenstaande impliceert, dat hetgeen de rechtbank Dordrecht heeft overwogen onder 4.24, 4.25, 4.26, 4.27, 4.28, en 4.29 niet als bewijsmiddel mag worden gehanteerd. "
2. Op dit verweer heeft het Hof niet uitdrukkelijk beslist. 's-Hofs overweging "dat de overige weren betreffende het bewijs hun weerlegging vinden in de bewijsmiddelen" kan gelet op de inhoud van het onder 4.24 gebezigde proces-verbaal nr. R 21.376 d.d. 31 mei 1985 niet als voldoende beslissing worden beschouwd nu uit dit voor het bewijs gebezigde proces-verbaal kan worden afgeleid, dat er een relatie bestond tussen de ambtshalve wetenschap van de verbalisanten omtrent de daags tevoren gepleegde overval en de uitgevoerde controle van de auto en de bestuurder. Voormeld proces-verbaal, zoals weergegeven in het vonnis, luidt immers:
Op 31 mei 1985 bevonden wij ons met de dienstauto bij de brug over de " [waterweg 1] " te [plaats] . Ambtshalve was ons bekend dat er op 30 mei 1985 een overval had plaatsgevonden op het postagentschap aan [a-straat] te [plaats] . Wij zagen bij de brug een man naar een auto toe rennen. Hij droeg een weekendtas en ging in de auto zitten. Bij controle van de auto en de bestuurder zagen wij dat de man de ons bekende [verdachte] betrof. Wij zagen dat het een lichtblauwe canvas weekendtas betrof die nat was. In deze tas zat een plastic zak inhoudende een aantal betaalkaarten welke afgestempeld waren door het postagentschap aan [a-straat] te [plaats] , alsmede een bivakmuts, vaal wit van kleur, waarin gaten waren geknipt. Wij, verbalisanten, hebben daarop de man aangetroffen welke opgaf te zijn genaamd: [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1959.
Op grond van dit proces-verbaal had het hof niet tot het oordeel kunnen komen dat voormeld verweer zijn weerlegging vindt in de gebezigde bewijsmiddelen, aangezien vorenweergegeven proces-verbaal niet uitsluit dat de aan de verbalisanten toekomende controlebevoegdheden ingevolge de Wegenverkeerswet voor een ander doel zijn gebruikt dan waarvoor zij gegeven zijn.
MIDDEL IV
Het recht is geschonden en/of er zijn vormen verzuimd waarvan niet naleving nietigheid medebrengt.
In het bijzonder zijn de artt. 6 lid 3 sub d E.V.R.M., 359, 415 Sv. geschonden doordien het hof het namens rekwirant gevoerd verweer, inhoudende dat de rechtbank ten onrechte c.q. in strijd met het recht gebruik zou hebben gemaakt van de door [getuige 1] afgelegde verklaring heeft verworpen op gronden die deze verwerping niet kunnen dragen.
De bewezenverklaring is op grond hiervan onvoldoende met redenen omkleed.
TOELICHTING
1. Het Hof heeft te dezer zake als volgt beslist.
OVERWEGENDE ten aanzien van het verweer van de raadsman van verdachte omtrent het onrechtmatig verkregen bewijs, namelijk dat de rechtbank ten onrechte gebruik zou hebben gemaakt van de door de [getuige 1] afgelegde verklaring; dat de raadsman verscheidene malen in de gelegenheid is gesteld aan deze getuige vragen te stellen, bijvoorbeeld op 18 januari 1988, 12 februari 1988 tijdens de verhoren door de rechter-commissaris en op 14 november 1988 tijdens de terechtzitting in hoger beroep;
dat daarmee voldaan is aan de in artikel 6 lid 3 sub d van het Europese Verdrag voor de Rechten van de Mens gestelde eis is voldaan; dat de raadsman op zichzelf gelijk heeft als hij stelt dat deze getuige tijdens een eerder verhoor voor de rechter-commissaris op 9 en 22 december 1987 buiten de tegenwoordigheid -van verdachte of zijn raadsman, bereid was op veel uitgebreider schaal mededeling te doen dan toen de raadsman wel aanwezig was, maar dit niet betekent dat die eerdere verklaringen niet voor het bewijs gebruikt zouden mogen worden;
dat immers het arrest van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens van 24 november 1986 in de zaak Unterpertinger slechts zegt dat de verdediging het recht moet hebben gehad op enig tijdstip tijdens de procedure de personen wier verklaring van belang zijn voor de bewijsvoering, te horen.
2. Het middel wenst in het bijzonder 's-hofs oordeel onder vuur te nemen, waarin is beslist dat de bereidheid van de getuige om buiten tegenwoordigheid van rekwirant of zijn raadsman op veel uitgebreidere schaal mededelingen te doen, niet betekent dat eerdere door die getuige afgelegde verklaringen niet voor het bewijs gebruikt zouden mogen worden, welk oordeel het Hof doet steunen op een - naar rekwirant meent te beperkte - uitleg van het Unterpertinger arrest van 24 nov. 1986.
3. Het Europese Hof in r.o. 31 spreekt over "to question". De betekenis van deze term moet gezien worden in het licht van de tekst van de betrokken verdragsbepaling. "To question" in Unterpertinger betekent to question "under the same conditions". Aan Unterpertinger en art. 6 lid 3 sub d E.V.R.M. is dus niet voldaan, indien aan de verdediging de gelegenheid wordt geboden een getuige te horen, maar de omstandigheden waaronder dit horen plaatsvindt fundamenteel verschillend zijn van het geval dat de getuige door de politie of de R.C. alleen wordt gehoord. Met name zal zulks niet aanvaard kunnen worden, omdat de getuige geen rechtsgrond heeft op grond waarvan hij aanspraak kan maken op het recht of privilege buiten tegenwoordigheid van de raadsman tegenover de R.C. een uitgebreidere verklaring af te leggen dan in aanwezigheid van de raadsman. Met name kan de getuige zich niet beroepen op art: 186 lid 1 en 2 Sv., nu die bepaling niets bepaalt omtrent de inhoud van de door de getuige af te leggen verklaring. Bij pleidooi heeft Mr. Spong het volgende middel van cassatie voorgedragen:
MIDDEL V
Het recht is geschonden en/of er zijn vormen verzuimd waarvan niet naleving nietigheid medebrengt.
In het bijzonder zijn de artt. 359, 415 Sv. geschonden doordien het hof niet heeft beslist op het door de raadsman van rekwirant gevoerd verweer zulks op grond van het volgende.
1. Blijkens de pleitnotitie van de raadsman van rekwirant is in hoger beroep het volgende betoogd:
Hetgeen confrère Loevendie heeft gesteld met betrekking tot het onrechtmatig verkregen bewijs neem ik volledig over. Ik moge U dan ook verzoeken hetgeen te dier zake in de pleitnota van Mr Loevendie is opgenomen als hier herhaald en ingelast te beschouwen, voorzover het één en ander betrekking heeft op de zaak van cliënt. Een copie van de pleitnota van Mr Loevendie te dezer zake wordt aan deze pleitnota gehecht .(prod. 3.) zulks met het verzoek deze als herhaald en ingelast te beschouwen.
2. Uit de pleitaantekeningen van Mr Loevendie blijkt voorts, dat - kort samengevat - betoogd is, dat het bewijs onrechtmatig verkregen is, omdat aan het bepaalde in art. 125 g S. niet is voldaan nu een redelijk vermoeden van schuld ten aanzien van de personen wier telefoongesprekken is afgeluisterd niet aanwezig geacht kan worden.
.
door de pleitnota van Mr Loevendie aan de eigen pleitnota te hechten en deze als herhaald en ingelast d.w.z. als in de eigen pleitnota geïnsereerd te beschouwen is een verweer gevoerd waarop het hof had moeten beslissen. (vgl. H.R. 19 juni 1979 N.J. 1979, 556 m.nt. Th. W. v. V. ) Door zodanige beslissing achterwege te laten is de bewezenverklaring onvoldoende met redenen omkleed.
3. De conclusie van het Openbaar Ministerie
De Advocaat-Generaal Fokkens heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak met verwijzing van de zaak naar een aangrenzend Gerechts- hof ten einde opnieuw te worden berecht en afgedaan.
4. Telastelegging, bewezenverklaring en bewijsvoering
Aan de verdachte is bij inleidende dagvaarding telastegelegd dat
1. hij in [plaats] , op of omstreeks 28 juni 1987, meermalen, althans eenmaal ter uitvoering. van zijn voornemen en het misdrijf on (telkens) opzettelijk [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] van het leven te beroven (telkens) opzettelijk met een revolver en/of een pistool, althans met een vuurwapen op of in de richting van die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] heeft geschoten, zijnde de verdere uitvoering van de/het door hem, verdachte, voorgenomen misdrijven/misdrijf niet voltooid uitsluitend tengevolge van de van zijn, verdachtes, wil onafhankelijke omstandigheid, dat de schoten/het schot, die/dat [slachtoffer 1] en/of die [slachtoffer 2] miste(n), in elk geval uitsluitend tengevolge van één of meer van zijn, verdachtes, wil onafhankelijke omstandigheden;
subsidiair,. voor zover voor het bovenstaande geen veroordeling met strafoplegging mocht kunnen volgen,
terzake dat hij in [plaats] , op of omstreeks 28 juni 1987, tezamen en in vereniging met een of meer ander(en), althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een hoeveelheid hashish, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 1] , in ieder geval aan een ander of aan anderen dan aan hem, verdachte en/of zijn mededader(s), welke diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of andere deelnemers aan dit misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, betzij het bezit van het gestolene te verzekeren,
bestaande dat geweld en/of die bedreiging met geweld hieruit dat hij, verdachte, en/of (één) van zijn mededader(s) één of meer achoten met een vuurwapen heeft/hebben afgevuurd (in de richting en/of nabijheid van die [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 1] ) en/of die [slachtoffer 2] in diens woning met kracht met een vuurwapen op het hoofd heeft/hebben geslagen, waardoor die [slachtoffer 2] bloedend werd verwond (waarbij of waarna hij, verdachte, en/of (één van) zijn mededader(s), die hoeveelheid hashish beeft/hebben weggenomen en uit genoemde woning is/zijn weggegaan) en/of dat hij, verdachte, of een van zijn mededader(s) daarna nog een of meermalen in de richting van die woning (waar die [slachtoffer 2] en die [slachtoffer 1] zich bevonden), althans schuin omhoog heeft/hebben geschoten met een vuurwapen;
2. hij te [plaats] op of omstreeks 15 december 1986 tezamen en in vereniging met Een of meer anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich of een ander wederrechtelijk te bevoordelen, door geweld en/of door bedreiging met geweld [slachtoffer 3] heeft gedwongen tot afgifte van een grote hoeveelheid geld, gebeel of ten dele toebehorende aan de [C] , althans aan één of meer ander(en) dan aan hen, verdachte en/of zijn mededader(s), bestaande dat geweld en/of die bedreiging met geweld hieruit, dat die [slachtoffer 3] werd bedreigd met een vuurwapen onder toevoeging van de woorden "en lukt het niet, dan schiet ik je voor de kop", althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking;
3. hij te [plaats] op of omstreeks 12 juni 1986 tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeeigening heeft weggenomen een grote hoeveelheid geld en/of (reis)cheques en/of premiespaarbiljetten en/of andere waardepapieren, althans een of meer van deze voorwerpen, geheel of ten dele toebehorende aan de [B] , in ieder geval aan een ander of aan anderen dan hem, verdachte, en/of zijn mededader(s), welke diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen een of meer in het betreffende bankfiliaal aanwezige personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf en/of andere deelnemers aan dit · misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij bet bezit van het gestolene te verzekeren, bestaande dat geweld en/of die bedreiging met geweld hierin dat hij en/of zijn mededader(s) de voormelde in dat bankfiliaal aanwezige personen, althans een van hen heeft/hebben toegevoegd onder meer: "als je tegenwerkt schieten we je kapot", en/of "als je maar doet wat wij zeggen gebeurt er niets", althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking en/of met (een) (vuur)wapen(s) heeft/hebben bedreigd en/of heeft/hebben opgesloten in een ruimte van die bank;
4. hij op of omstreeks 30 mei 1985 in [plaats] tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen geld en/of bescheiden, geheel of ten dele toebehorend aan de [D] , in elk geval aan (een) ander(en) dan aan hen, verdachte en/of zijn mededader(s), welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen de beheerder van bet postagentschap aan het [a-straat] , de [slachtoffer 4] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken, en/of om bij betrapping op heterdaad aan zich en/of zijn mededader(s) de vlucht mogelijk te maken en/of het bezit van het gestolene te verzekeren, bestaande dat geweld en/of die bedreiging met geweld hierin dat verdachte en/of zijn mededader(s), die gemaskerd was/waren, een of twee vuurwapen(s) op die [slachtoffer 4] heeft/hebben gericht, althans die [slachtoffer 4] een of twee vuurwapen(s) heeft/hebben getoond en hen toegevoegd: "liggen of ik schiet je kapot" en/of "brandkast openmaken", althans dergelijke dreigende bewoordingen en/of die [slachtoffer 4] heeft/hebben opgesloten;
Daarvan is bewezenverklaard dat
2. hij te [plaats] op 15 december 1986 tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen, door bedreiging met geweld [slachtoffer 3] heeft gedwongen tot afgifte van een grote hoeveelheid geld, ten dele toebehorende aan de [C] , bestaande die bedreiging met geweld hieruit, dat die [slachtoffer 3] werd bedreigd met een vuurwapen onder toevoeging van de woorden "en lukt het niet, dat schiet ik je voor de kop";
3. hij te [plaats] op 12 juni 1986 tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een grote hoeveelheid geld en reischeques en premiespaarbiljetten en andere waardepapieren, ten dele toebehorende aan de [B] , welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van bedreiging met geweld tegen in het betreffende bankfiliaal aanwezige personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, bestaande die bedreiging met geweld hierin dat hij en zijn mededaders de voormelde in dat bankfiliaal aanwezige personen hebben toegevoegd onder meer: "als je tegenwerkt schieten we je kapot" en "als je maar doet wat wij zeggen gebeurt er niets", althans woorden van gelijke dreigende aard en strekking en met vuurwapens hebben bedreigd;
4. hij op 30 mei 1985 in [plaats] tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen geld en bescheiden, toebehorend aan de [D] , welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van bedreiging met geweld en gevolgd van geweld tegen de beheerder van het postagentschap aan het [a-straat] , de [slachtoffer 4] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, bestaande die bedreiging met geweld hierin dat verdachte en zijn mededader, die gemaskerd waren, vuurwapens op die [slachtoffer 4] hebben gericht en hem toegevoegd: "liggen of ik schiet je kapot" en "brandkast openmaken", en bestaande dat geweld hierin dat verdachte en zijn mededader die [slachtoffer 4] hebben opgesloten;
Deze bewezenverklaring steunt op de volgende door het Hof uit het vonnis van de Rechtbank overgenomen bewijsmiddelen, met dien verstande dat het Hof telkens voor "het onder 4.1 genoemde proces-verbaal nr. 1273/1987", "het onder 4.3 genoemde proces-verbaal nr. 1273/1987" en "het onder 5.1 genoemde proces-verbaal nr. 1273/1987" leest "het ambtsedige proces-verbaal van de gemeentepolitie Zwijndrecht nr. 1273/1787, met bijlagen, opgemaakt en op 12 januari 1988 gesloten door [verbalisant 2] , brigadier-rechercheur van gemeentepolitie te Zwijndrecht":
4.11.
Een ambtsedig proces-verbaal van het korps rijkspolitie, district Breda , groep [plaats] , nr. 616/1094/86, opgemaakt en op 15 december 1986 gesloten door [verbalisant 3] en [verbalisant 4] , beiden wachtmeester der rijkspolitie eerste klasse te [plaats] , welk proces-verbaal als bijlage 6/A6/1 dossier 13 sub 1 is gevoegd bij het onder 4.1. genoemde proces-verbaal nr. 1273/1987, onder meer inhoudende - zakelijk weergegeven -:
als verklaring van [slachtoffer 3] :
Ik ben beheerder van de [C] aan de [b-straat 1] te [plaats] . Ik arriveerde vandaag, 15 december 1986, omstreeks 08.40 bij de bank. Ik opende de achterdeur en liep naar de kluisruimte. Hier werd ik opgevangen door twee overvallers. Een met een masker en één met een pistool of revolver. De andere overvaller hield [slachtoffer 5] onder schot. Hij had een vuurwapen in zijn hand. Ik moest de codes van kluis één en twee gaan afdraaien. Daarna zag ik dat er een derde overvaller naar beneden kwam, hij was ook gemaskerd. Met de sleutels is de kluis geopend. Ik moest daarop naar de nachtkluis, de overvaller liep achter mij aan. Toen ik voor de nachtkluis stond, ging hij achter mij zitten met een vuurwapen op mij gericht. Hij zei tegen mij: "Nu nog één keer en lukt het niet, dan schiet ik je voor je kop". Ik voelde dat er een loop tegen mijn hoofd werd gedrukt. Ik deed de sleutel in de nachtkluis. De overvaller liet één van de cassettes nog vallen terwijl ik hem aanreikte. Ik schat dat er voor f.400.000, -- gestolen is. Tevens is al het buitenlandse geld meegenomen.
Ik ben bevoegd tot het doen van aangifte. Niemand was recht of toestemming gegeven genoemd geld weg te halen en zich toe te eigenen.
4.12.
Een ambtsedig proces-verbaal van de gemeentepolitie Zwijndrecht, opgemaakt en op 18 december 1987 gesloten door [verbalisant 5] , hoofdagent van gemeentepolitie te Zwijndrecht, welk proces-verbaal als bijlage 6/A6/2 is gevoegd bij het onder 4.1. genoemde proces-verbaal nr. 1273/1987, onder meer inhoudende - zakelijk weergegeven -:
als verklaring van [slachtoffer 3] :
Nadat de ene overvaller had gedreigd mij voor de kop te schieten kwam er een tweede overvaller bij. Ik opende de kluis en haalde de cassettes met geld uit de nachtkluis. Door de bedreiging met geweld voelde ik mij gedwongen dit geld af te geven aan de overvallers.
4.13.
Een ambtsedig proces-verbaal van het korps rijkspolitie district Breda , groep [plaats] , nr. 1616/1094/86, opgemaakt en op 17 december 1987 gesloten door [verbalisant 6] en [verbalisant 7] , respectievelijk wachtmeester eerste klasse en wachtmeester der rijkspolitie, welk proces-verbaal als bijlagen 6/A6/1, dossier C, sub 1, is gevoegd bij het onder 4.1. genoemde proces-verbaal nr. 1273/1987, onder meer inhoudende - zakelijk weergegeven -:
als verklaring van [slachtoffer 6] :
Ik werk als assistent-beheerder bij de [C] aan de [b-straat] te [plaats] . Vanmorgen om ongeveer 08.35 uur kwam ik bij de bank aan en ging via de achterdeur naar binnen. Ik zag [slachtoffer 5] op haar knieën zitten, er stond een man bij haar die een revolver op haar gericht had. Hij richtte zijn revolver op mij en een andere man zei dat ik naast [slachtoffer 5] moest gaan zitten. Er kwam nog een man binnen, die man had ook een vuurwapen in zijn hand. Ik heb de buitenste kluisdeuren geopend.
De man die bij de nachtkluis stond met de beheerder zei: "het duurt te lang ik schiet hem straks door z'n kop". Het geld is eigendom van de bank.
Een ambtsedig proces-verbaal van de gemeentepolitie Zwijndrecht, opgemaakt en op 17 november 1987 gesloten door [verbalisant 8] en [verbalisant 9] , beiden hoofdagent, respectievelijk te Etten-Leur en te Zwijndrecht, welk proces-verbaal als bijlagen 6/V4/1 is gevoegd bij het onder 4.1. genoemde proces-verbaal nr. 1273/1987, onder meer inhoudende - zakelijk weergegeven -:
als verklaring van [getuige 1] :
Ongeveer een paar jaar geleden hoorde ik een gesprek tussen [verdachte] , [medeverdachte 1] . [betrokkene 2] en [betrokkene 3] . Het ging over een bankoverval in [plaats] . De vier stemden er mee in dat ik na de overval op hen zou wachten om hen weg te brengen. Volgens afspraak ben ik toen die ochtend nabij [A] te [plaats] gaan staan, in afwachting van de anderen. Toen kwamen [verdachte] , [medeverdachte 1] , [betrokkene 2] en [betrokkene 3] en stapten in. [betrokkene 3] droeg een grote gele boodschappentas. Met [verdachte] en [medeverdachte 1] ben ik later naar de flat van mijn zus [betrokkene 5] gegaan. [verdachte] nam de gele tas met daarin de buit. Bij [betrokkene 5] hebben we het geld (f.380.000, -- ) geteld. [betrokkene 5] hebben we f. 600, -- gegeven.
4.15.
Een ambtsedig proces-verbaal van de gemeentepolitie Zijndrecht, opgemaakt en op 11 november 1987 gesloten door [verbalisant 8] en [verbalisant 9] , beiden hoofdagent, respectievelijk te Etten-Leur en te Zwijndrecht, welk proces-verbaal als bijlage 6/V12/1 is gevoegd bij het onder 4.1. genoemde proces-verbaal nr. 1273/1987, onder meer inhoudende - zakelijk weergegeven -;
als verklaring van [betrokkene 6] :
Op een morgen kwam mijn broer [medeverdachte 2] samen met [medeverdachte 1] en [verdachte] bij mij thuis. Een van hen droeg een zak. Even later zag ik die zak leeg op de grond liggen. Vóór [medeverdachte 2] , [medeverdachte 1] en [verdachte] lag een hoeveelheid bankbiljetten op de grond. Ik zag de briefjes van f 5, -- , f 25, -- en f 100, --. Ik stond met verbazing naar het geld te kijken. Ik zag dat de mannen het geld aan het uitzoeken waren. Zij legden de bankbiljetten, die bij elkaar hoorden, op elkaar. Ik kreeg van ieder van die drie mannen 2 bankbiljetten van f 100, --. Toen ik het geld op de grond zag liggen begreep ik dat [verdachte] , [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] dit niet op een eerlijke manier hadden verdiend.
4.16.
Een ambtsedig proces-verbaal van gemeentepolitie te Zwijndrecht, opgemaakt en gesloten op 21 december 1987 door [verbalisant 10] en [verbalisant 11] , respectievelijk opperwachtmeester der rijkspolitie en brigadier van gemeentepolitie te Zwijndrecht, welk proces-verbaal als bijlage 6/V12/5 is gevoegd bij het onder 4.1. genoemde proces-verbaal 1273/87, onder meer inhoudende - zakelijk weergegeven -:
als verklaring van [betrokkene 6] :
Ik heb al eerder verklaard over het geld tellen bij mij op de flat door [medeverdachte 2] , [verdachte] en [medeverdachte 1] . Dat was eind 1986.
4.17.
Een ambtsedig proces-verbaal van de gemeentepolitie Tilburg , nummer 5753, met bijlagen, opgemaakt en op 23 juni 1986 gesloten door [verbalisant 12] , brigadier-rechercheur van gemeentepolitie te Tilburg , en [verbalisant 13] , hoofdagent-rechercheur van gemeentepolitie te [plaats] , verbalisant, welk proces-verbaal is gevoegd bij het onder 5.1. genoemde proces-verbaal nummer 1273/1987, onder meer inhoudende - zakelijk weergegeven -:
a. als op 12 juni 1986 afgelegde verklaring van [betrokkene 7] :
Ik ben als filiaalbeheerder in dienstbetrekking bij de [B] te [plaats] en als zodanig werkzaam op het filiaal aan het [c-straat 1] te [plaats] . Vandaag, 12 juni 1986, omstreeks 08.20 uur kwam ik bij het bankgebouw aan. Ik opende de toegangsdeur en liep het bankgebouw in.
Plotseling zag ik drie gemaskerde personen. Alle drie hadden voorts een op een vuistvuurwapen gelijkend voorwerp in de hand. Door één van deze werd ik vastgegrepen en het gangetje ingetrokken. Een van de mannen zei tegen me, dat ik op de grond moest gaan liggen. Op het moment, dat ik in het gangetje moest gaan liggen, zei één van de mannen tegen mij: "Als je meewerkt gebeurt er niks, maar als je tegenwerkt schieten we je kapot", althans woorden van dergelijke strekking. Toen de bel ging werd door één van de mannen gezegd: "Doe gewoon open".
Daar kreeg ik nogmaals te horen, dat er niks zou gebeuren als ik zou doen wat ik moest doen. Bovendien zei hij, dat als ik iets zou proberen, hij door de deur op mij zou schieten. Uit angst, dat de man zou schieten, durfde ik niets te ondernemen.
Ik ben naar de voordeur gelopen en heb mijn medewerkster [betrokkene 8] binnengelaten. Met [betrokkene 8] liep ik de spreekkamer in, waar op dat moment twee van de drie mannen ons opwachten. We moesten weer naar het gangetje. [betrokkene 8] moest op de grond gaan zitten en moest de kluissleutels afgeven. [betrokkene 8] gaf de kluissleutels aan één van die mannen. Ik moest de kluis openmaken. Voortdurend bleven de vuistvuurwapens op mij gericht. Een van de mannen hield [betrokkene 8] onder schot, die nog steeds in het gangetje op de grond zat en de andere twee hielden zich op mij gericht. Ik heb de kluisdeur geopend. In de kluis zitten een aantal safeloketten. Nadat ik twee safeloketten had geopend, kwam één van de mannen met een plastic zak. De man haalde alle geldbakjes uit de safeloketten en deponeerde deze in de plastic zak. Vervolgens heb ik het derde safeloket geopend. In dit loket lag het meeste baargeld.
Ook dit geld werd in de plastic zak gedeponeerd. Men heeft dit derde safeloket leeggehaald.
Vervolgens moest ik de nachtkluis open maken. In de nachtkluis zaten slechts twee cassettes.
Door de drie mannen is een geldbedrag meegenomen van ongeveer honderdduizend gulden. Namens de [B] doe ik van deze overval aangifte. Het weggenomen geld is eigendom van de [B] en namens deze verklaar ik, dat niemand recht of de toestemming had dit geld weg te nemen en zich toe te eigenen.
b. als relaas van verbalisanten:
Op 12 juni 1986 werd door [betrokkene 7] , filiaalhouder van het [B] -bankkantoor aan [c-straat 2] te [plaats] , medegedeeld dat er zojuist en gewapende bankoverval had plaatsgevonden in zijn bankkantoor en dat de daders een geldbedrag van ca. f. 100.000, -- en reischeques hadden meegenomen.
Ontvreemd werd een geldbedrag van circa f.100.000, -- , 755 stuks reischeques (hollandse guldens, franse francs, duitse marken, amerikaanse dollars), 12 stuks premie spaarbiljetten en voor een bedrag van f. 10.000, -- aan spaarwinstbiljetten.
Een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt en gesloten op 10 december 1987 door [verbalisant 14] en [verbalisant 9] , beiden hoofdagent van de gemeentepolitie te Zwijndrecht, welk proces-verbaal als bijlage 11/V4/1 is gevoegd bij een ambtsedig proces-verbaal van de gemeentepolitie Zwijndrecht, nummer 1273/1987, met bijlagen, opgemaakt en op 12 januari 1988 gesloten door [verbalisant 2] , brigadier-rechercheur van gemeentepolitie te Zwijndrecht, onder meer inhoudende - zakelijk weergegeven -:
als op 10 december 1987 aan verbalisanten afgelegde verklaring van [getuige 1] :
Ruim een jaar geleden ben ik aangehouden voor een overval op de [B] te [plaats] . Ik verklaar u nu dat deze overval door mij, [verdachte] en [medeverdachte 1] is gepleegd. Als u zegt dat de overval op 12 juni 1986 heeft plaatsgevonden, dan kan dat best waar zijn.
Op 12 juni 1986 omstreeks 03.00 uur zijn we met de BMW naar [plaats] gereden. Ik heb de auto geparkeerd. Vervolgens zij we naar de bank gelopen en op het dak van de bank geklommen. Hierna zijn we door het raam naar binnen geklommen. Omstreeks 8 uur kwam volgens mij het eerste personeelslid. Deze persoon kwam de bank binnen en liep in onze richting. [verdachte] , [medeverdachte 1] en ik hebben de, naar toen bleek, man in het gangetje beetgepakt en ik hoorde dat [verdachte] zei dat er niets met hen zou gebeuren als hij zou meewerken, anders zou hij in zijn flikker geschoten worden. De man zei toen dat hij mee zou werken. [verdachte] zei dat de man op de grond moest gaan liggen. De man deed dit. Al die tijd waren de vuurwapens die wij hanteerden op de man gericht. De man is wel duidelijk gemaakt dat hij geen geintjes moest uithalen omdat hij anders kapot geschoten zou worden. Daarna is de man terug gebracht naar het halletje. Kort daarna ging de bel. De man is naar de deur gegaan om deze open te doen. [verdachte] hield de man onder schot. De man liet het meisje binnen en ze liepen naar de gang. Daarop zijn wij tevoorschijn gekomen. Ook het meisje moest in de hal op de grond gaan zitten: Volgens mij had de man een gedeelte van de kluissleutel. Het andere gedeelte van de kluissleutel had het meisje of lag op het kantoor. [verdachte] en ik zijn met de man meegelopen toen wij volgens mij dat 2e gedeelte van de kluissleutel hebben opgehaald. Ondertussen hield [medeverdachte 1] het meisje onder schot. De man of het meisje heeft de kluis geopend. In de kluis bevonden zich kleine kluisjes. Daarvan zijn er drie of vier geopend. Ik zag dat in deze kluisjes bankbiljetten lagen. [verdachte] heeft ze eruit genomen en in een kleine vuilniszak gestopt. Vervolgens gaf het meisje te kennen dat er in een andere kluis ook nog geld moest zijn. Deze kluis is geopend en er zat minstens een cassette in. Deze cassette is eveneens in die vuilniszak gedaan. [verdachte] heeft dit allemaal gedaan terwijl [medeverdachte 1] en ik het personeel onder schot hielden. Nadat wij de bank hadden verlaten, hebben wij de buit verdeeld. Ik zag toen dat er bij de buit buitenlands geld zat uit diverse landen. Ook zag ik dat er travellercheques bij zaten en diverse soorten andere papieren. Nadat het hollandse geld geteld was bleek dit ongeveer 150.000 gulden te zijn. Mijn aandeel was dus ongeveer 50.000 gulden. Het buitenlandse geld is per land tussen ons drieën gedeeld.
4.19.
Een ambtsedig proces-verbaal van de gemeentepolitie Tilburg , nr. 5753 E, opgemaakt en op 21 augustus 1986 gesloten door [verbalisant 15] en [verbalisant 16] , respectievelijk brigadier-rechercheur en hoofdagent-rechercheur van gemeentepolitie Tilburg , welk proces-verbaal als bijlage 11/AH/1 is gevoegd bij het onder 4.3. genoemde proces-verbaal, onder meer inhoudende - zakelijk weergegeven -:
als relaas van verrichtingen en bevindingen van verbalisanten:
Nadat de daders van de overval op het filiaal van [B] te [plaats] de beide medewerkers uit het filiaal in de ruimte bij de nachtkluis hadden gebracht, werd getracht de tussendeur door middel van de op de tussendeur aanwezige sleutel af te sluiten. Deze sleutel werd veiliggesteld en op 21 augustus 1986 werd een sorteerproef gehouden op de sleutel die tot driemaal toe positief was op [verdachte] .
Een ambtsedig proces-verbaal van het korps rijkspolitie district. Breda , opgemaakt en op 27 augustus 1986 gesloten door [verbalisant 17] , adjudant der rijkspolitie, rijksspeurhondgeleider te Hilvarenbeek, welk proces-verbaal als bijlage 11/AH/3 is gevoegd bij het onder 4.3. genoemde proces-verbaal nr. 1273/1987, onder meer inhoudende - zakelijk weergegeven -:
als relaas van verrichtingen en bevindingen van verbalisant:
Op 21 augustus 1986 bevond ik mij in het hoofdbureau der gemeentepolitie Tilburg voor het nemen van identiteitsproeven op [verdachte] . Bij het ter plaatse ingestelde onderzoek was een sleutel veiliggesteld hetgeen als uitgangspunt voor de identiteitsproeven zou dienen. Voor het houden van deze proeven reikte ik aan de verdachte drie van rijkswege verstrekte metalen buisjes uit, identiek van vorm en kleur, die ik tevoren luchtvrij had gemaakt. Aan drie andere personen reikte ik gelijktijdig elk twee van dergelijke buisjes uit. Nadat ieder voor zich deze buisjes ongeveer tien minuten in zijn bezit had gehad zodat kon worden aangenomen dat zich hieraan voldoende menselijke lucht zou bevinden, heb ik ieder zijn buisjes ingenomen en deze zodanig op een rij gelegd dat zich van de verdachte één buisje in de rij bevond. De afstand tussen de buisjes onderling bedroeg ongeveer vijftig centimeter. Hierop heb ik "CAESAR" lucht laten nemen van de sleutel waarna de hond op het daartoe door mij gegeven commando geheel vrij naar de rij buisjes ging en deze stuk voor stuk berook. Gekomen bij het buisje van [verdachte] apporteerde "CAESAR" dat vlot en zonder aarzelen.
Deze proef heb ik hierna nog tweemaal herhaald waarbij het tweede en het derde buisje van [verdachte] steeds op een andere plaats in de rij was gelegd.
Steeds apporteerde de hond echter het buisje van [verdachte] . Uit deze proeven bleek mij dat de hond overeenkomst in lucht vaststelde tussen de lucht aan de sleutel en de lucht aan de buisjes van [verdachte] .
4.21.
Een ambtsedig proces-verbaal van de gemeentepolitie Breda nr. R21376a, opgemaakt en op 3 juni 1985 gesloten door [verbalisant 18] , hoofdagent van gemeentepolitie te Breda , welk proces-verbaal als sub 2 is gevoegd als bijlage bij een ambtsedig proces-verbaal van de gemeentepolitie Breda , afdeling recherche, nr. R21376, met bijlagen, opgemaakt en op 3 juni 1985 gesloten door [verbalisant 19] , hoofdagent van gemeentepolitie Breda , onder meer inhoudende - zakelijk weergegeven -:
als verklaring van [betrokkene 9] :
Ik drijf een winkel annex postagentschap aan het [a-straat 1] te [plaats] . Op 30 mei 1985 ging ik omstreeks 08.15 uur de winkel in. Terwijl ik in de ruimte van het postagentschap stond hoorde ik roepen: "Liggen of ik schiet je kapot". Ik zag twee gemaskerde mannen staan, elk met een op een vuurwapen gelijkend voorwerp in hun hand.
Een van de mannen hield daarop dat vuurwapen vlak naast mijn hoofd en zei: "Brandkast open maken". Ik heb daarop de brandkast geopend. Een van die twee mannen hield mij met zijn vuurwapen onder schot terwijl die andere twee weekendtassen voldeed met bankbiljetten die hij zelf uit de kluis wegnam.
Ook nam hij enkele plastic geldbakken met rijksdaalders weg en. deed deze in de weekendtassen. Daarna moest ik samen met een klant die inmiddels was binnen gekomen, de kelderruimte in. De deur werd achter ons op slot gedraaid.
De bivakmutsen waren vaalwit, gaten voor de ogen en mond waren erin geknipt. De ene weekendtas was blauw van kleur met daaraan donkere banden, gemaakt van canvas. De ene overvaller droeg een okergele trui.
Een ambtsedig proces-verbaal van de gemeentepolitie Breda , nr. R21376a, opgemaakt en op 30 mei 1985 gesloten door [verbalisant 20] , hoofdagent van gemeentepolitie te Breda , welk proces-verbaal als sub 4 is gevoegd bij het onder genoemde proces-verbaal nr.R 21376, onder meer inhoudende - zakelijk weergegeven -:
als verklaring van [getuige 2] :
Op 30 mei 1985 na 08.00 uur kwam ik het postagentschap op [a-straat] te [plaats] binnen. Ik zag dat vanuit het postagentschap een man met een bivakmuts over zijn hoofd naar mij toe kwam lopen. Hij had een pistool in zijn hand en richtte dit op mij. Hij had een lichtgrijze joggingbroek aan. Ik moest mee naar de kelderruimte. Ik zag dat een andere gemaskerde gewapende man, met een lichtgekleurde bivakmuts op, een andere man voor mij naar de kelder leidde. Later bleek dit de beheerder van het postagentschap te zijn.
Toen ik samen met de beheerder in de kelder was sloten de twee overvallers de kelder af.
4.23.
Een ambtsedig proces-verbaal van de gemeentepolitie Breda nr. R21376a, opgemaakt en op 30 mei 1985 gesloten door [verbalisant 18] en [verbalisant 21] , beiden hoofdagent van gemeentepolitie te Breda , welk proces-verbaal als sub 3 is gevoegd bij het onder 4.18 genoemde proces-verbaal nr. R.21376, onder meer inhoudende - zakelijk weergegeven -:
als verklaring van [betrokkene 10] :
Ik ben werkzaam op het hoofdpostkantoor te [plaats] en bevoegd tot het doen van aangifte. Op 30 mei 1985 heeft er een gewapende overval plaatsgevonden op het postagentschap aan het [a-straat] te [plaats] . Uit de kluis van het postagentschap is een bedrag groot f. 134.756, 22 ontvreemd. Dit bedrag behoort geheel in eigendom toe aan de direktie van het [D] te [plaats] . Tevens bleek te zijn ontvreemd 5 stortingskaarten. Namens de direktie van de [D] verklaar ik dat er aan niemand recht of toestemming is gegeven om dit geld weg te nemen en zich toe te eigenen.
Een ambtsedig proces-verbaal van de gemeentepolitie Breda , nr. R21376, opgemaakt en op 31 mei 1985 gesloten door [verbalisant 1] en [verbalisant 22] , beiden hoofdagent van gemeentepolitie te Breda , welk proces-verbaal als sub 6 is gevoegd bij het onder 4.18 genoemde proces-verbaal nr. R 21376, ondermeer inhoudende - zakelijk weergegeven -:
als relaas van verrichtingen en bevindingen van verbalisanten:
Op 31 mei 1985 bevonden wij ons met de dienstauto bij de brug over de " [waterweg 1] " te [plaats] . Ambtshalve was ons bekend dat er op 30 mei 1985 een overval had plaatsgevonden op het postagentschap aan het [a-straat] te [plaats] . Wij zagen bij de brug een man naar een auto toe rennen. Hij droeg een weekendtas en ging in de auto zitten. Bij controle van de auto en de bestuurder zagen wij dat de man de ons bekende [verdachte] betrof. Wij zagen dat het een lichtblauwe canvas weekendtas betrof die nat was. In deze tas zat een plastic zak, inhoudende een aantal betaalkaarten welke afgestempeld waren door het postagentschap aan het [a-straat] te [plaats] , alsmede een bivakmuts, vaal wit van het kleur, waarin gaten waren geknipt. Wij, verbalisanten, hebben daarop de man aangehouden welke opgaf te zijn genaamd: [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1959.
De canvas tas met inhoud werd veiliggesteld.
4.25.
Een ambtsedig proces-verbaal van de gemeentepolitie Breda , opgemaakt en op 5 juni 1985 gesloten door [verbalisant 20] , hoofdagent van gemeentepolitie te Breda , welk proces-verbaal als bijlage sub 2 is gevoegd bij een ambtsedig proces-verbaal van de gemeentepolitie Breda , nr. R 21376a, met bijlagen, opgemaakt en op 27 juni 1985 gesloten door [verbalisant 27] en [verbalisant 28] , beiden brigadier van gemeentepolitie te Breda , [verbalisant 23] , [verbalisant 19] , [verbalisant 18] , [verbalisant 24] en [verbalisant 20] , allen hoofdagent van gemeentepolitie te Breda , onder meer inhoudende - zakelijk weergegeven - :
als relaas van verrichtingen en bevindingen van [verbalisant 20] voornoemd:
Op 31 mei 1985 trof ik in het water van de " [waterweg 1] " de volgende voorwerpen aan:
- een geel-witte trui.
- een grijze joggingbroek,
welke goederen door mij in beslag werden genomen.
4.26.
Een ambtsedig proces-verbaal van de gemeentepolitie Breda , opgemaakt en op 5 juni 1985 gesloten door [verbalisant 18] voornoemd, welke proces-verbaal sub 4 is gevoegd bij het onder genoemde proces-verbaal nr. R. 21376a, onder meer inhoudende - zakelijk weergegeven -:
a. als relaas van verbalisant:
Ik toonde de getuige [betrokkene 9] de inbeslaggenomen canvas weekendtas, de okergele trui, de bivakmuts en de grijze trainingsbroek.
b. als verklaring van [betrokkene 9] :
De canvas weekendtas herken ik terug als zijnde een van de twee weekendtassen die door de overvallers is gebruikt bij de overval op het postagentschap. Dit is de tas die ik in mijn verklaring blauw van kleur heb genoemd. De okergele trui herken ik ook terug, die is door één van de overvallers gedragen. De door u getoonde bivakmuts herken ik als zijnde de bivakmuts die één van de overvallers heeft gedragen. Ook de grijze trainingsbroek herken ik.
Een ambtsedig proces-verbaal van de gemeentepolitie Breda , opgemaakt en op 13 juni 1985 gesloten door [verbalisant 18] voornoemd, welk proces-verbaal 6 is gevoegd bij het onder genoemde proces-verbaal nr. R21376a, ondermeer inhoudende - zakelijk weergegeven -:
als verklaring van [verbalisant 25] :
Ik ben werkzaam bij de gemeentepolitie Breda en zorg daar voor de was. Op 31 mei 1985 overhandigde [betrokkene 13] mij onder andere een okergele trui. Ik vernam van hem dat de kleding was aangetroffen in het water van de " [waterweg 1] " te [plaats] . Ik moest dit wassen. Eerst heb ik de wasmachine en het rooster schoongemaakt. Daarna heb ik de kleding gewassen. Vervolgens heb ik met een rechercheur en iemand van de technische recherche de wasmachine en het rooster schoongemaakt. Er bleken pluizen en haren in te zitten. Deze zijn veiliggesteld. De door u aan mij getoonde okergele trui herken ik positief als de kleding die ik op 31 mei 1985 in opdracht van [betrokkene 13] heb gewassen.
Een ambtsedig proces-verbaal van de gemeentepolitie Breda , opgemaakt en op 26 juni 1985 gesloten door [betrokkene 11] , technisch ambtenaar I, welk proces-verbaal sub 6 is gevoegd bij het onder genoemde proces-verbaal nr. R21376a, ondermeer inhoudende - zakelijk weergegeven -:
als relaas van verrichtingen en bevindingen van verbalisant:
Na aanleiding van het aantreffen van kleding in de rivier de [waterweg 1] en het daarna uitwassen van deze kleding aan het bureau van gemeentepolitie te Breda heb ik de inhoud van de zeef van de wasmachine waarin de kleding is uitgewassen, op 5 juni 1985 veiliggesteld en voor onderzoek verzonden naar het Gerechtelijk Laboratorium te Rijswijk.
Een rapport van het Gerechtelijk Laboratorium van het Ministerie van Justitie te Rijswijk, nr. 85.06.04.43/I, opgemaakt en op 3 september 1985 ondertekend door [betrokkene 12] , scheikundige aan het Gerechtelijk Laboratorium van het Ministerie van Justitie te Rijswijk, welk rapport als bijlage 26 bij het onder 4.22. genoemde proces-verbaal nr. R 21376a, onder meer inhoudende - zakelijk weergegeven -:
als relaas van verrichtingen en bevindingen van de deskundige:
Op 6 juni 1985 ontving ik van de gemeentepolitie Breda een geel-wit gemêleerde trui en vuil uit een zeef van de wasmachine. Op 10 juni 1985 ontving ik een geknipte en een getrokken borsthaarmonster van [verdachte] . De borstharen in de monsters afkomstig van de [verdachte] waren roodbruin en krullend. Naar de top toe werd een kleurovergang naar donkerbruin waargenomen. In de vuilmonsters uit de wasmachine waarin de geel-wit gemêleerde trui gewassen zou zijn waren verscheidene haren aanwezig waar onder twee roodbruine regelmatig krullende haren met een kleurverloop naar donkerbruin in de richting van de top. De beide haren kwamen morfologisch goed overeen met de ontvangen borstharen van [verdachte] .
Conclusie:
In het zeefvuil vanuit de wasmachine bevonden zich diverse haren. Hiertussen bevonden zich twee roodbruine lichaamsharen die morfologisch overeenkwamen met de ontvangen borstharen van [verdachte] .
De hypothese dat [verdachte] de geel-witte trui heeft gedragen kan zeker niet worden uitgesloten.
4.30.
Een kopie van het proces-verbaal verhoor van verdachte door de rechter-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in de arrondissementsrechtbank te Dordrecht d.d. 9 december 1987, ondertekend door de rechter-commissaris mr. T.A.C. van Hartingsveldt en de griffier N.A. Loopik, door deze griffier voor afschrift conform getekend en gehecht aan het proces-verbaal verhoor van getuige door de rechter-commissaris voornoemde d.d. 22 december 1987, ondertekend door de rechter-commissaris en de griffier voornoemd, welke verklaring is afgelegd in de strafzaak tegen [medeverdachte 1] en [verdachte] , onder meer inhoudende - zakelijk weergegeven -:
als op 9 december 1987 aan de rechter-commissaris voornoemde afgelegde verklaring van [getuige 1] :
De overval op een postkantoor aan het [a-straat] te [plaats] , ongeveer twee jaar geleden, is gepleegd door [verdachte] en [medeverdachte 1] . Ik weet dit zeker omdat ze mij gevraagd hadden met die overval mee te doen. Ze hebben vuurwapens gebruikt en geld meegenomen. Ik weet dit omdat [verdachte] en [medeverdachte 1] mij dit hebben verteld.
Daaraan heeft het Hof toegevoegd:
een ambtsedig proces-verbaal van de gemeentepolitie te Zwijndrecht, opgemaakt en op 17 november 1987 gesloten door [verbalisant 8] en [verbalisant 26] , beiden hoofdagent, respectievelijk te Etten-Leur en te Zwijndrecht, welk proces-verbaal als bijlage 6/V4/1 is gevoegd bij het voormelde proces-verbaal nr. 1273/1987, onder meer inhoudende - zakelijk weergegeven -:
als verklaring van [getuige 1] :
[verdachte] en [medeverdachte 1] zeiden mij dat mijn aandeel f. 40.000, -- zou zijn;
5. Beoordeling van het eerste middel
Het middel geeft onder 1 een gedeelte van het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep weer. De laatste zinsnede van dit citaat behelst een kennelijke schrijffout: De Hoge Raad leest in plaats van " ... de feiten 2, 3 en 4. ": " ... de feiten 1, 2 en 3. "
Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting van het Hof van 14 november 1988 is op die terechtzitting onder meer het volgende voorgevallen en door het Hof overwogen en. beslist met betrekking tot het horen van de getuige [getuige 1] :
De voorzitter beveelt, dat de in de gehoorzaal verschenen getuigen zich zullen begeven naar het voor ben bestemde vertrek, met uitzondering van de eerste getuige, die hij voor het gerechtshof doet verschijnen. De getuigen, ieder afzonderlijk opgeroepen, doen ieder voor zich op de vragen van de voorzitter opgave omtrent naam, voornamen, leeftijd, beroep, woon- en verblijfplaats zoals hieronder is vermeld, verklaren geen bloed- of aanverwant van verdachte te zijn en leggen vervolgens op de bij de wet voorgeschreven wijze in handen van de voorzitter de eed/belofte af de gehele waarheid en niets dan de waarheid te zeggen, alles voor zover hieronder niet anders is vermeld.
De getuigen verklaren zakelijk als volgt:
1. [verdachte] , 21 jaar, thans gedetineerd in het Huis van Bewaring te [plaats] . (belofte)
Op 28 juni 1987 ben ik op verzoek van [verdachte] in mijn BMW naar [plaats] gereden. [getuige 1] zat naast mij in de auto. [verdachte] is daar naar toe gegaan met een gehuurde Mercedes, waarin onder meer ook [betrokkene 2] zat. [verdachte] had mij meegevraagd in verband met een transactie die in [plaats] zou plaats vinden . Ik hoefde bij die transactie niet aanwezig te zijn. Samen met [betrokkene 14] heb ik twee straten verder in de auto op [verdachte] gewacht.
Op weg naar [plaats] zijn wij in [plaats] aangekeerd. In [plaats] hebben wij [betrokkene 15] , die ook was meegegaan, bij het station afgezet omdat [verdachte] hem er niet bij wilde hebben. Vervolgens hebben wij in [plaats] bij een kennis van [verdachte] twee dozen opgehaald die in mijn auto werden geplaatst. Nadat wij in [plaats] een tijdje op [verdachte] hadden zitten wachten is [verdachte] teruggekomen en met medeneming van de dozen weer weggegaan. Kort daarna kwam hij onder het bloed aanrennen en vroeg mij hard weg te rijden, hetgeen ik vervolgens deed.
2. [getuige 1] , 25 jaar, thans gedetineerd in het Huis van Bewaring te [plaats] . (eed) Ik kan mij weinig herinneren wat ik eerder tegenover de politie en de rechter-commissaris heb verklaard. Ik wens geen verklaring af te leggen. Als medeverdachte beroep ik mij op mijn verschoningsrecht.
Ik heb zojuist bij het afleggen van de eed als laatste woorden gesproken: "God Almachtig".
De raadsman verklaart dat hij geen afstand wenst te doen van verder verhoor van de [getuige 1] in verband met het stellen van vragen over details.
De procureur-generaal verklaart dat volgens de wet een getuige, die medeverdachte is, het recht heeft zich te verschonen.
Na schorsing van het onderzoek, beraad en heropening van het onderzoek deelt de voorzitter mede dat het hof afziet van verder verhoor van de [getuige 1] aangezien het belang van verdachte moet worden achtergesteld bij dat van de getuige, die medeverdachte is in de zaak voor wat betreft de feiten 1, 2 en 3.
Gelet op de hiervoren onder 4.3 weergegeven bewijsmiddelen, genummerd respectievelijk 4.14, 4.15,
4.16, 4.18 en 4.30, alsmede op het door het Hof aan de door de Rechtbank gebezigde bewijsmiddelen toegevoegde bewijsmiddel; gelet voorts op de hiervoren onder 5.2. weergegeven verklaring van [verdachte] , heeft het Hof kennelijk vastgesteld - hetgeen het kon doen - dat [getuige 1] met onder meer de verdachte nauwe betrekkingen onderhield bij het beramen en uitvoeren van met geweld of bedreiging met geweld gepaard gaande vermogensdelicten, waarbij ook een zuster van hem in enige mate was betrokken.
In aanmerking genomen deze vaststelling heeft het Hof kunnen oordelen, gelijk het kennelijk heeft gedaan, dat ten aanzien van alle door de raadsman aan [getuige 1] te stellen vragen is voldaan aan de in art. 219 Sv neergelegde voorwaarden tot verschoning, omdat die [getuige 1] door het beantwoorden van die vragen zichzelf of een zijner bloed- of aanverwanten als bedoeld in die bepaling aan het gevaar van een strafrechtelijke veroordeling zou blootstellen.
Redelijke uitleg van art. 219 Sv. brengt mee dat onder zodanige omstandigheden het recht tot verschoning in het algemeen kan worden verleend voor alle nog te stellen vragen betrekking hebbende op de feiten waarbij de getuige in evenbedoelde zin is betrokken. Het middel, dat van een andere opvatting uitgaat, is mitsdien tevergeefs voorgesteld.
6. Beoordeling van het tweede middel
Het middel, waarin kennelijk wordt gedoeld op het bewijsmiddel 4.15, hiervoren weergegeven, faalt. Het Hof heeft het in het middel bedoelde gedeelte van de verklaring van [betrokkene 6] kennelijk opgevat als een weergave van een gedachte die bij haar opkwam naar aanleiding van hetgeen zij waarnam, namelijk:
- dat haar broer [getuige 1] samen met [medeverdachte 1] en de verdachte bij haar thuis kwamen;
- dat zij een zak bij zich hadden die op de grond werd geleegd en waarin zich bankbiljetten van f.5.,
f. 25. - en f. 100. - bleken te bevinden, die vervolgens werden gesorteerd.
Aldus gelezen bevat de bedoelde verklaring niets wat niet voor eigen waarneming en ondervinding vatbaar is.
7. Beoordeling van het derde middel
Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman het in het middel weergegeven verweer gevoerd.
Anders dan in het middel wordt betoogd heeft dit verweer zijn weerlegging gevonden in het hiervoren onder 4.3 aangehaalde bewijsmiddel 4.24. Het Hof heeft kennelijk geoordeeld, gelijk het heeft kunnen doen, dat uit dit bewijsmiddel blijkt dat bij de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 22] toen zij bij de brug over de " [waterweg 1] " een man met een weekend tas naar een auto zagen rennen, op grond van de omstandigheden waaronder dit geschiedde een redelijk vermoeden was gerezen van strafbare betrokkenheid van die man bij de daags tevoren gepleegde overval op een postagentschap te [plaats] , welke verdenking de aanhouding van die man rechtvaardigde.
Het middel mist derhalve feitelijke grondslag.
8. Beoordeling van het vierde middel en het bij pleidooi voorgedragen middel
Met betrekking tot de middelen heeft het Openbaar Ministerie geconcludeerd als volgt:
Het vierde middel behelst de klacht dat het Hof het verweer dat de rechtbank ten onrechte gebruik zou hebben gemaakt van de door [getuige 1] afgelegde verklaring op ontoereikende gronden heeft verworpen. 's Hofs oordeel zou steunen op een te beperkte uitleg van het Unterpertingerarrest d.d. 24 november 1986.
Ik stel voorop dat m.i. uit het Unterpertingerarrest niet de conclusie kan worden getrokken dat getuigeverklaringen nimmer voor het bewijs gebruikt mogen worden, als de verdediging niet in de gelegenheid is geweest de getuige te horen.
De omstandigheid dat die gelegenheid er niet is geweest, kan betekenen dat er geen sprake meer is van een fair trial in de zin van art. 6 lid 1 EVRM; dat is echter mede afhankelijk van andere factoren zoals: de betekenis van de betreffende verklaring voor het bewijs en de mogelijkheid die de verdachte al dan niet had om door het horen van andere getuigen de betrouwbaarheid van de verklaring te onderzoeken (vgl. Zaak Unterpertinger, 24 november 1986, NJ 1988, 745 i.h.b. de nrs. 32 (laatste zin) en 33, alsmede de noot van Alkema; anders Swart, AA 1987, p. 96).
De verwerping van het verweer door het Hof is m.i. onbegrijpelijk voorzover daarin wordt overwogen dat de verdediging ter terechtzitting in hoger beroep de gelegenheid heeft gehad om de getuige te horen. De getuige heeft immers ter zitting met een beroep op zijn verschoningsrecht geweigerd een verklaring af te leggen en het Hof heeft diens beroep op verschoningsrecht gehonoreerd. Deze gang van zaken impliceert, dat de verdediging niet in de gelegenheid is gesteld om de getuige ter zitting te ondervragen.
Dit betekent echter niet dat het middel slaagt nu:
- het Hof vaststelt dat de raadsman ook verder verscheidene malen in de gelegenheid is geweest de getuige [getuige 1] vragen te stellen, ook al wilde deze de vragen slechts (zeer) ten dele beantwoorden;
- uit het proces-verbaal van de terechtzittingen in eerste aanleg en hoger beroep blijkt, dat de raadsman aan de hand van verklaringen van o.m. andere getuigen de inhoud van [getuige 1] 's verklaring heeft bestreden en heeft kunnen bestrijden;
- voor het bewijs van alle feiten naast de verklaring van [getuige 1] één of meer andere bewijsmiddelen zijn gebezigd, waaruit het daderschap van verzoeker mede kan worden afgeleid.
Op grond van deze omstandigheden kon het Hof tot het oordeel komen dat de verklaring van [getuige 1] als bewijsmiddel kon worden gebruikt zonder in strijd te komen met art. 6 EVRM. Het middel dat berust op een andere uitleg van de beslissing in de Unterpertinger zaak, faalt (vgl. ook DD 89, 393).
Het bij pleidooi toegevoegde middel houdt in dat het Hof moest reageren op een verweer in een andere zaak, waarnaar door de raadsman in deze zaak verwezen werd.
Nu is verzocht om insertie, de betreffende passage is aangehecht aan de pleitnota en het geheel aan het proces-verbaal is gehecht (vgl. HR DD 90.009 waarin slechts het eerste het geval was) kan het betreffende verweer gelden als in deze zaak gevoerd.
Het Hof heeft dit verweer, dat verwijst naar de pleitnota van Mr. Loevendie voor zover het betrekking heeft op de zaak van verzoeker, ongetwijfeld aldus opgevat dat het alleen betrekking had op het onder 1 telastegelegde feit. Ter zake van dit feit is verzoeker vrijgesproken. Het middel dat berust op de veronderstelling dat het verweer betrekking had op feiten die het Hof bewezen heeft: verklaard, mist derhalve feitelijke grondslag.
De middelen falen om de redenen vermeld in de conclusie van het Openbaar Ministerie.
9. Slotsom
Nu geen van de middelen tot cassatie kan leiden, terwijl de Hoge Raad ook geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zal behoren te worden vernietigd, moet het beroep worden verworpen.
10. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president Bronkhorst als voorzitter, de vice-president Van den Blink, en de raadsheren Beekhuis, Mout en Keijzer, in bijzijn van de griffier Sillevis Smitt-Mülder, en uitgesproken op 16 januari 1990.