Hoge Raad der Nederlanden
derde kamer
nr. 26.718
17 april 1991
TB
ARREST
gewezen op het beroep in cassatie van [X] te [Z] tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 24 juni 1988 betreffende na te melden uitspraak als bedoeld in artikel 32 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen.
1. Uitspraak van de Inspecteur.
De Inspecteur heeft met machtiging van de Staatssecretaris van Financiën bij uitspraak van 28 juni 1984 besloten voor de heffing van de inkomstenbelasting voor het jaar 1980 ten laste van belanghebbende geen rekening te houden met "de overeenkomst van geldlening, gesloten op of omstreeks 20 december 1977 met de naamloze vennootschap F. van Lanschot Bankiers N.V., gevestigd te 's-Hertogenbosch, groot f 2.000.000, -- , zoals deze overeenkomst luidt na conversie in halfjaarlijkse rentebetalingen".
2. Geding voor het Hof.
Belanghebbende is van de uitspraak van de Inspecteur in beroep gekomen bij het Hof. Het Hof heeft als vaststaande aangemerkt:
Belanghebbende, die is geboren in 1935, was ook gedurende het jaar 1980 als apotheker in dienstbetrekking werkzaam bij de [D] Apotheek te [Z]. Naast het vervullen van deze dienstbetrekking exploiteerde hij in de vorm van een eenmanszaak tot in 1979 een apotheek - Apotheek [E] - te [Q].
De inhoud van een aan belanghebbende gerichte brief van F. van Lanschot, bankiers te 's-Hertogenbosch - hierna, tevens indien de opvolgende F. van Lanschot Bankiers N.V. wordt bedoeld, aangeduid als: Van Lanschot - van 17 november 1977, van welke brief een copie tot de stukken behoort, luidt, voor zover te dezen van belang, als volgt:
"Zeer geachte heer [X],
Hiermede refereren wij aan het voorafgaande overleg ter zake van uw kredietbehoefte in verband met de financiering van door u aan te kopen effecten, danwel van een door u te nemen belang in een buitenlandse beleggingsmaatschappij, waarvan alle aandelen bij u zullen worden geplaatst.
Bij deze kredietverlening gaan wij ervan uit, dat u eerst met ons overleg zult voeren omtrent de besteding van het op te nemen krediet, waaraan wij eveneens onze goedkeuring dienen te hechten.
Wij hebben dan ook het genoegen u, onder voorbehoud van onze goedkeuring aan de door u middels het krediet te plegen investeringen, de navolgende faciliteiten aan te bieden:
Bedrag f 2.000.000, -- , zegge twee millioen gulden. Looptijd maximaal 5 jaar, met het recht te allen tijde het krediet vervroegd af te lossen.
Debetrente 8% per jaar, telkenmale bij vooruitbetaling te voldoen.
Zekerheid tot meerdere zekerheid voor de nakoming van uw verplichtingen jegens ons zult u ons verstrekken afhankelijk van de besteding van het door u op te nemen krediet, ons conveniërende zekerheid.
Deze kan onder meer bestaan uit:
a ) 1e krediethypotheek;
b) verpanding aandelen;
c) cessie debiteuren van Apotheek [E] te [Q];
d) combinatie van a), b) en c).
( . . . )
Deze offerte is geldig tot 15 december 1977.
( ... )
Indien u van deze aanbieding gebruik wenst te maken verzoeken wij u bijgaande kopie van dit schrijven
"voor akkoord" getekend aan ons te retourneren.
( . . . ) "
Eind november 1977 heeft belanghebbende een door hem voor akkoord getekende copie van deze brief aan Van Lanschot geretourneerd; op dit moment had belanghebbende nog niet besloten voor welke doeleinden hij de hem op grond van de aldus door hem aanvaarde offerte (hierna ook wel: de kredietovereenkomst) ter beschikking staande middelen zou aanwenden. In aanvulling op de kredietovereenkomst is op 20 december 1977 tussen belanghebbende en Van Lanschot overeengekomen dat belanghebbende desgewenst door hem op basis van de kredietovereenkomst opgenomen gelden aan Van Lanschot mocht teruglenen tegen een rente van 8% per jaar (hierna ook wel: de deposito-regeling).
Op 20 december 1977 heeft belanghebbende door tussenkomst met Van Lanschot 100 aandelen [A] N.V. - elk met een nominale waarde van f 10.000, -- - gekocht voor een bedrag van in totaal f 1.000.000, -- en 96 certificaten van aandelen [B] N.V. - eveneens elk met een nominale waarde van f 10.000, -- - voor een bedrag van in totaal, inclusief kosten administratiekantoor, f 987.470,36. Belanghebbende heeft de beide vorengenoemde aankoopbedragen gefinancierd met het provenu van een door hem op basis van de kredietovereenkomst op 20 december 1977 met Van Lanschot gesloten overeenkomst van geldlening van f 2.000.000, --.
Zowel [A] N.V. als [B] N.V. is een in de loop van het jaar 1977 opgerichte, op Curaçao gevestigde beleggingsmaatschappij. Doel en feitelijke werkzaamheid van deze maatschappijen bestonden uit ook op 20 december 1977 het beleggen in, in Nederlandse guldens vastrentende obligaties, onderhandse leningen en deposito's, en wel in een zodanige verhouding dat het bepaalde in artikel 29a van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (hierna: de Wet) zoals dit artikel tot 1 januari 1980 luidde, niet van toepassing was op de (certificaten van) aandelen in deze maatschappijen. Bij beide maatschappijen werden de beleggingsinkomsten, na aftrek van kosten, herbelegd.
Belanghebbende was niet in staat invloed uit te oefenen op het door deze maatschappijen te voeren beleid. De inhoud van een op de vorenbedoelde geldlening betrekking hebbende "Schuldbekentenis en Akte van geldlening" de dato 30 december 1978, luidt, voor zover te dezen van belang, als volgt:
"De ondergetekende:
De Heer [X]
( . . . )
Hierna te noemen: "debiteur" verklaart bij deze op 20-12-1977 door overschrijving op zijn rekening bij de mede-ondergetekende, de van Lanschot Naamloze Vennootschap F. Bankiers ( ... ) van deze te leen hebben ontvangen een bedrag ad f 2.000.000, -- zegge tweemillioen gulden en mitsdien haar dit bedrag schuldig te zijn;
Partijen verklaren voorts dat deze geldlening is geschied onder de navolgende voorwaarden:
Artikel 1.
Deze lening zal worden afgelost per 31-12-1982. Te allen tijde mag vervroegd worden afgelost.
Artikel 2.
1. Over de ingevolge deze overeenkomst aan debiteur ter beschikking gestelde nog niet afgeloste bedragen zal door deze een rente verschuldigd zijn van 8% per jaar, halfjaarlijks bij vooruitbetaling te voldoen per 30-6 en 31-12, voor het eerst per 31 december 1978.
2. ( . . . ) ".
Belanghebbende heeft de vorenbedoelde 96 certificaten van aandelen [B] N.V., onderscheidenlijk de vorenbedoelde 100 aandelen [A] N.V. op 20, respectievelijk 21 december 1979 verkocht voor f 1.094.400, -- , onderscheidenlijk, na aftrek van kosten, f 1.121.816,10. Een gedeelte ad f 44.895,10 van laatstgenoemde verkoopopbrengst is bij wijze van nabetaling eerst per valuta 3 juni 1980 op een bankrekening van belanghebbende bij Van Lanschot overgeschreven. Van het overige gedeelte van deze verkoopopbrengsten heeft belanghebbende f 1.000.000, -- aangewend voor het op 20 december 1979 door tussenkomst van Van Lanschot à pari kopen van 1000 aandelen [C] B.V., serie D; met elk een nominale waarde van f 1.000, -- en eveneens f 1.000.000, -- voor het per deze datum bij Van Lanschot plaatsen van een deposito tegen een rente van 8% per jaar. Op deze beide laatste handelingen heeft een, in copie als bijlage van het beroepschrift tot de stukken behorende, brief van Van Lanschot aan belanghebbende van 27 december 1979 betrekking, van welke brief de inhoud, voor zover te dezen van belang, als volgt luidt:
"Geachte heer [X],
Met referte aan het met u gevoerde overleg inzake de herbelegging van f 2.000.000, -- , welke gelden vrijkwamen uit de verkoop van uw certificaten [B] N.V. en aandelen [A] N.V. is met u het volgende arrangement overeengekomen.
De geldlening ad f 2.000.000, -- , zegge tweemillioen gulden, wordt gecontinueerd tot 15 november 1982 tegen de voorwaarden en condities zoals overeengekomen in de schuldbekentenis en akte van geldlening de dato 30 december 1978.
Door u worden aangekocht 1.000 aandelen [C] B.V. In verband hiermede gelieve u in bijlage aan te treffen de akte van verpanding van aandelen op naam in N.V. of B.V. in triplo en de verklaring van stemrecht in duplo.
( . . . ) .
Tevens zal door u een deposito aangehouden worden van f 1.000.000, -- waarover wij een creditrente zullen vergoeden van 8% per jaar. De einddatum zal zijn 15 november 1982.
( . . . ) ".
Belanghebbende heeft blijkens een in copie als bijlage van het vertoogschrift tot de stukken behorende akte de vorenbedoelde 1.000 aandelen [C] B.V. aan Van Lanschot in pand gegeven tot meerdere zekerheid van het door belanghebbende aan Van Lanschot verschuldigde als omschreven in de considerans - onder meer hetgeen belanghebbende schuldig is wegens geldleningen - van deze akte. [C] B.V. is een op 15 november 1979 opgerichte en te [Q] gevestigde beleggingsmaatschappij. Haar doel en feitelijke werkzaamheid bestonden ook op 20 december 1979 uit het beleggen in, in Canadese dollars luidende en door hypotheek op in Canada gelegen onroerend goed verzekerde, vorderingen waarvan het betalingsrisico was gedekt door een Canadese overheidsinstelling. Het valutarisico op de hoofdsom van deze vorderingen was op laatstgenoemde datum afgedekt door middel van termijntransacties in Canadese dollars. Medio 1980 heeft [C] B.V. besloten eveneens het valutarisico af te dekken op circa een derde gedeelte van de op deze vorderingen te verwachten rente-inkomsten. Belanghebbende had geen invloed op het door [C] B.V. te voeren beleid.
Belanghebbende kocht op 7 augustus 1980 voor f 119.998, -- het onroerend goed Tolsteegplantsoen 5 II te Utrecht, op 29 april 1981 voor f 297.638,44 een participatie in AmNed II en op 5 juni 1981 voor f 402.972, 34 2.475 aandelen Amvabel en voor f 736.415,50 de blote eigendom van het onroerend goed Maliebaan 20 te Utrecht. Op laatstgenoemde datum is het vorenbedoelde deposito van belanghebbende bij Van Lanschot, dat per ultimo 1979 f 954.644, -- en per ultimo 1980 f 1.150.000, -- had bedragen, geëindigd. Op 16 december 1982 heeft belanghebbende de vorenbedoelde 1000 aandelen [C] B.V. verkocht voor een bedrag van f 1.170.531, 80; daarnaast verkreeg hij een vordering op [C] B.V. van f: 121.119,90. De vorenbedoelde 2.475 aandelen Amvabel heeft belanghebbende op 4 mei 1983 verkocht voor een bedrag van f 508.143,24.
Voor de vermogensbelasting 1977 heeft belanghebbende aangifte gedaan van een vermogen van f
384.000, -- samengesteld als volgt:
De samenstelling van dit vermogen is representatief voor de samenstelling van belanghebbendes vermogen aan de vooravond van de hiervoor genoemde, door hem op 20 december 1977 gesloten transacties. Belanghebbende heeft voor de inkomstenbelasting over het jaar 1980 een belastbaar inkomen aangegeven van negatief f 14.632,12. Bij de berekening van dit belastbare inkomen heeft hij de door hem in dit jaar in verband met de vorenbedoelde geldlening aan Van Lanschot betaalde rente van f 160.000, -- in aanmerking genomen als op zijn inkomsten uit vermogen betrekking hebbende aftrekbare kosten.
Een jaarlijks vooruit te betalen rente van 8% komt overeen met een jaarlijks achteraf te betalen rente van 8,695% per jaar, terwijl een halfjaarlijks vooruit te betalen rente van 8% per jaar gelijk is aan een jaarlijks achteraf te betalen rente van 8,48% per jaar. In geschil is het antwoord op de vraag of de bestreden uitspraak dient te worden gehandhaafd. Belanghebbende beantwoordt deze vraag ontkennend, de Inspecteur bevestigend.
Het Hof heeft met betrekking tot de standpunten van partijen vermeld:
Belanghebbende stelt, gedeeltelijk in afwijking van het beroepschrift en zakelijk weergegeven, het volgende:
Primair is belanghebbende van oordeel dat niet kan worden gezegd dat tussen het lenen van geld bij Van Lanschot en het beleggen door hem in (certificaten van) aandelen in [B] N.V., [A] N.V. en [C] B.V. een direct causaal verband bestaat. Anders dan de Inspecteur meent, dient te dezen slechts te worden onderzocht of er een voldoende rechtstreeks verband bestaat tussen het sluiten van de kredietovereenkomst en het beleggen in vorenbedoelde (certificaten van) aandelen. Belanghebbende is van mening dat, nu hij ten tijde van het retourneren van de door hem voor akkoord getekende copie van de brief van 17 november 1977 nog niet had besloten voor welke doeleinden hij het hem ter beschikking staande bedrag van f 2.000.000, -- zou aanwenden, een zodanig verband niet bestaat.
Hij wijst er tevens op dat de kredietovereenkomst als zodanig zeer gunstig voor hem was nu in november 1977 de marktrente voor leningen met een vaste looptijd van 5 jaar circa 1 1/2 à 2% - punt hoger was dan de tussen hem en Van Lanschot overeengekomen rente en dat hij voorts zowel het recht had het krediet te allen tijde boete vrij geheel of gedeeltelijk vervroegd af te lossen als het recht had een niet meer benodigd gedeelte van het krediet terug te lenen aan Van Lanschot tegen een rente van 8% per jaar. Ten tijde van het sluiten van de kredietovereenkomst was de op dit krediet verschuldigde rente ongeveer gelijk aan het rendement op risicomijdende beleggingen en lager dan het rendement op risicodragende beleggingen.
De kredietovereenkomst kon belanghebbende derhalve uitsluitend voordeel opleveren: bij een stijging van de rentestand werd deze overeenkomst nog voordeliger voor belanghebbende dan zij reeds was, bij een daling van de rentestand kon belanghebbende het krediet vervroegd aflossen, dan wel het geleende geld aan Van Lanschot teruglenen tegen 8% rente per jaar.
Het sluiten van de kredietovereenkomst was mitsdien niet voorzienbaar nadelig voor belanghebbende, integendeel. Het sluiten van deze overeenkomst was een geheel op zichzelf staande aangelegenheid; belanghebbende heeft deze overeenkomst gesloten in verband met de daaraan als zodanig verbonden voordelen en niet met het oog op het aankopen van (certificaten van) aandelen [B] N.V., [A] N.V. en later [C] B.V. Tegen de achtergrond van de kredietovereenkomst heeft belanghebbende in de loop van de tijd naar beleggingen gezocht welke hem naar verwachting rendement zouden opleveren. Tussen de looptijd van deze beleggingen en die van de kredietovereenkomst bestond geen enkel verband. Elke belegging werd als zodanig beoordeeld en werd afgestoten indien belanghebbende meende dat deze niet meer aan de door hem gestelde eisen voldeed. Vervolgens werd of een andere belegging aangegaan of gebruik gemaakt van de depositoregeling met Van Lanschot. Belanghebbende heeft weliswaar de fiscale aspecten van zijn transacties betrokken in de berekening van de te verwachten resultaten van zijn beleggingen, doch niet kan worden gezegd dat voor hem verijdeling van de belastingheffing de doorslaggevende beweegreden is geweest voor het sluiten van de kredietovereenkomst. Subsidiair is belanghebbende van oordeel dat indien moet worden aangenomen dat de Inspecteur een juiste vergelijking heeft aangelegd, zulks de Inspecteur niet vermag te baten. Tussen de overeenkomst van geldlening van 20 december 1977 en de aankoop van (certificaten van) aandelen [B] N.V., [A] N.V. en later [C] B.V. bestaat namelijk evenmin een onverbrekelijke samenhang. Belanghebbende stelt in dit verband dat de waarde in het economische verkeer van de door hem verhuurde onroerende goederen niet
onaanzienlijk hoger was dan f 500.000, --. Mede gelet op de hoogte van de bij een eventuele verkoop voor Apotheek [E] te bedingen prijs, is belanghebbende van oordeel dat hij de koopsom van de (certificaten van) aandelen [B] N.V. en [A] N.V. tot een bedrag van f 1.200.000, -- uit eigen middelen had kunnen financieren. Indien zou moeten worden aangenomen dat er wel een onverbrekelijke samenhang bestaat tussen het lenen van geld bij Van Lanschot en het beleggen in onder meer (certificaten van) aandelen [B] N.V., [A] N.V. en [C] B.V., is belanghebbende meer subsidiair van mening dat hij twee overeenkomsten van geldlening heeft gesloten met Van Lanschot, te weten één op 20 december 1977 en één op of omstreeks 27 december 1979, alsmede dat deze overeenkomsten voor de toepassing van artikel 31 van de Algemene wet afzonderlijk dienen te worden beoordeeld en wel naar het tijdstip van het sluiten daarvan. Het sluiten van de tweede overeenkomst van geldlening op of omstreeks 27 december 1979 was niet voorzienbaar nadelig, nu te dezen tijde de rentestand op zowel de kapitaalmarkt als de geldmarkt hoger was dan de ter zake van deze geldlening verschuldigde rente ad, omgerekend, 8,48% per jaar.
Ook het te dezen tijde op aandelen [C] B.V., serie D, te verwachten resultaat was niet onaanzienlijk hoger dan 8,48% per jaar. Uit de op pagina 12 van het jaarverslag van [C] B.V. over het jaar 1980 voorkomende grafiek blijkt dat het bruto- rendement op zogenaamde National Housing Act hypotheken - de hypotheken waarin [C] B.V. belegde - toen circa 13,5% per jaar bedroeg, zodat, uitgaande van het in de in copie tot de stukken behorende prospectus inzake de onderhandse plaatsing van aandelen [C] B.V. gehanteerde verschil tussen bruto-rendement op Canadese hypotheken en netto-rendement van aandelen [C] B.V. van 2,5% - punt, het bij het sluiten van de tweede overeenkomst van geldlening te verwachten netto-rendement van aandelen [C] B.V. 11% per jaar beliep. Het daadwerkelijk door belanghebbende op de door hem gekochte aandelen [C] B.V. behaalde resultaat bedraagt, rekening houdende met de (bij de `verkoop van deze aandelen verkregen vordering op [C] B.V. - ter zake van welke vordering belanghebbende uiteindelijk f 123.801, -- in plaats van f 121.119,90 heeft ontvangen - eveneens meer dan 8,48% per jaar, namelijk 9,81% per jaar. Gelet op het vorenstaande hebben bij het op of omstreeks 27 december 1979 met Van Lanschot sluiten van de tweede overeenkomst van geldlening niet-fiscale redenen zoal niet een doorslaggevende, dan toch in ieder geval een meer dan bijkomstige rol gespeeld. Nog meer subsidiair is belanghebbende van oordeel dat indien zou moeten worden aangenomen dat er wel een onverbrekelijke samenhang bestaat tussen het lenen van geld bij Van Lanschot en het beleggen in (certificaten van) aandelen [B] N.V., [A] N.V. en [C] B.V. en dat er te dezen slechts sprake is van één, op 20 december 1977 tussen belanghebbende en Van Lanschot tot stand gekomen overeenkomst van geldlening de vraag of sprake is van een voorzienbare nadelige transactie bij elke belegging afzonderlijk moet worden beoordeeld. Dit klemt te meer nu belanghebbende het recht had de geldlening te allen tijde boetevrij geheel of gedeeltelijk vervroegd af te lossen, zodat hij telkens na het afstoten van een met de geldlening gefinancierde belegging de vrije keuze had tussen het aflossen van de geldlening en het onder handhaving van de geldlening verwerven van een nieuwe belegging.
Aangezien ten tijde van de verkoop van de (certificaten van) aandelen [B] N.V. en [A] N.V. op 20, onderscheidenlijk 21 december 1979 de rentestand op zowel de kapitaalmarkt als de geldmarkt hoger was dan de door belanghebbende ingevolge de overeenkomst van geldlening van 20 december 1977 verschuldigde rente, handelde belanghebbende volstrekt zakelijk door deze geldlening na het afstoten van deze (certificaten van) aandelen niet vervroegd af te lossen. Voorts bedroeg, zoals hiervóór onder meer subsidiair reeds is vermeld, het te dezen tijde te verwachten netto-rendement van [C] B.V. 11% per jaar, zodat toen op aandelen [C] B.V., serie D, een niet onaanzienlijk hoger resultaat was te verwachten dan de aanvankelijk op de geldlening verschuldigde rente van, omgerekend, 8,695% per jaar. In verband met het vorenstaande was verijdeling van de belastingheffing niet de doorslaggevende beweegreden voor het op 20 en 21 december 1979 niet vervroegd aflossen van de geldlening en evenmin voor het op de eerstgenoemde datum kopen van aandelen [C] B.V.
Gelet op al het vorenstaande is belanghebbende van oordeel dat de bestreden uitspraak dient te worden vernietigd.
De Inspecteur voert hier tegenover, gedeeltelijk in afwijking van het vertoogschrift en zakelijk weergegeven, het volgende aan:
Tussen het door belanghebbende op 20 december 1977 voor een bedrag van in totaal f 1.987.470,36 kopen van (certificaten van) aandelen [B] N.V. en [A] N.V. en het door belanghebbende op deze datum met Van Lanschot sluiten van een overeenkomst van geldlening van f 2.000.000, -- bestaat een onverbrekelijke samenhang. Benevens uit het feit dat belanghebbende de (certificaten van) aandelen [B] N.V. en [A] N.V. heeft gekocht op dezelfde datum als die waarop door hem met Van Lanschot evenvermelde overeenkomst van geldlening is gesloten, blijkt het bestaan van een onverbrekelijke samenhang tussen dit kopen en dit lenen uit de omstandigheid dat Van Lanschot goedkeuring diende te hechten aan de besteding van de geleende middelen.
Betwist wordt dat belanghebbende in staat was vorenbedoelde aankoop voor meer dan een zowel absoluut als relatief zeer bescheiden bedrag met eigen middelen te financieren. Er is slechts sprake van één, op 20 december 1977 tot stand gekomen overeenkomst van geldlening tussen belanghebbende en Van Lanschot. Het enkele sluiten van de kredietovereenkomst brengt nog geen overeenkomst van geldlening met zich.
Betwist wordt dat op of omstreeks 27 december 1979 tussen belanghebbende en Van Lanschot een nieuwe overeenkomst van geldlening is gesloten; in de brief van Van Lanschot aan belanghebbende van 27 december 1979 is slechts sprake van het continueren van de geldlening van 20 december 1977 en niet van het aflossen van deze geldlening en het sluiten van een nieuwe geldlening .
In verband met de omstandigheid dat op 20 december 1977 het naar verwachting door [B] N.V. en [A] N.V. te behalen netto-rendement 3 à 4%, onderscheidenlijk 3,5%, per jaar bedroeg, was - afgezien van de door belanghebbende beoogde fiscale voordelen - het op deze datum door belanghebbende voor een bedrag van in totaal bijna f 2.000.000, -- kopen van (certificaten van) aandelen in deze maatschappijen en het in onverbrekelijke samenhang hiermede door hem op deze datum tot een bedrag van f 2.000.000, -- aangaan van een geldlening waarop hij een rente was verschuldigd van, omgerekend, 8,695% per jaar, een voorzienbaar nadelig samenstel van rechtshandelingen.
Op 20 december 1977 was een zodanige wijziging van de rentestand dat het resultaat op de vorenbedoelde
(certificaten van) aandelen gelijk zou worden aan, dan wel meer zou gaan bedragen dan, 8,695% per jaar, redelijkerwijs niet voorzienbaar.
Nu belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat bij het aangaan van dit samenstel van rechtshandelingen niet-fiscale overwegingen voor hem een rol van meer dan bijkomstige betekenis hebben gespeeld, moet het er voor dat verijdeling van de belastingheffing voor hem de doorslaggevende worden gehouden beweegreden is geweest tot het verrichten van deze rechthandelingen. Met name is niet aannemelijk dat bij het aangaan van deze rechtshandelingen speculatie met betrekking tot wijzigingen in de rentestand een rol heeft gespeeld. Met dit samenstel van rechtshandelingen heeft belanghebbende niet op normale wijze gebruik gemaakt van toelaatbare middelen om belasting te ontgaan, doch is hij in strijd gekomen met doel en strekking van de Wet, in het bijzonder met die van de bepalingen welke aftrek van rente van schulden als aftrekbare kosten of als persoonlijke verplichting mogelijk maken, en dit onder omstandigheden welke veroorzaken dat op niet meer aanvaardbare wijze de normale toepassing van deze wettelijke bepalingen is doorkruist. In zijn nog meer subsidiaire stellingname gaat belanghebbende er ten onrechte van uit dat de vraag of in casu sprake is van een voorzienbaar nadelige transactie bij elke belegging afzonderlijk moet worden beoordeeld aan de hand van een vergelijking van het op dat moment met de nieuwe belegging naar verwachting te behalen resultaat en de op de geldlening verschuldigde rente van aanvankelijk, omgerekend, 8,695% per jaar.
Volgens vaste jurisprudentie dient de vraag of verijdeling van de belastingheffing voor een belastingplichtige de doorslaggevende beweegreden is geweest voor het sluiten van een overeenkomst van geldlening, te worden beoordeeld naar het moment waarop deze overeenkomst is gesloten. In verband hiermede is te dezen de hoogte van het op 20 december 1979 te verwachten netto-rendement van [C] B.V. volstrekt irrelevant. Dit klemt te meer nu belanghebbende de (certificaten van) aandelen [B] N.V. en [A] N.V. uitsluitend heeft verkocht met het oog op de ingrijpende wijziging van artikel 29a van de Wet per 1 januari 1980, welke wijziging op 20 december 1977 niet viel te voorzien. Een herbelegging in aandelen [C] B.V. viel per laatstgenoemde datum evenmin te voorzien, reeds hierom niet omdat [C] B.V. eerst op 15 november 1979 is opgericht.
Overigens bedroeg het op 20 december 1979 te verwachten netto-rendement van [C] B.V. niet 11% per jaar, zoals belanghebbende stelt, doch slechts circa 6% per jaar.
Blijkens pagina 3, bovenaan, van het jaarverslag van [C] B.V. over het jaar 1980, beliep de bij de plaatsing van de aandelen [C] B.V. uitgesproken nettorendementsverwachting van [C] B.V. circa 7,19% per jaar, terwijl uit de op pagina 12 van dit jaarverslag voorkomende grafiek blijkt dat het rendement op National Housing Act hypotheken op 20 december 1979 beduidend lager was dan dat op 15 november 1979.
Bovendien is niet aannemelijk dat belanghebbende ten tijde van zijn beslissing aandelen [C] B.V., serie D, te kopen op de hoogte was van het toentertijd geldende bruto-rendement op National Housing Act hypotheken.
De belegging in aandelen [C] B.V. was derhalve, uitgaande van de situatie per 20 december 1979 en afgezien van de door belanghebbende beoogde fiscale gevolgen, eveneens voorzienbaar nadelig voor belanghebbende.
De door Van Lanschot op grond van de depositoregeling aan belanghebbende te vergoeden rente van 8% per jaar, diende per jaar achteraf te worden voldaan.
Het Hof heeft omtrent het geschil overwegen:
1) dat in artikel 31 van de Algemene wet is bepaald, voor zover thans van belang, dat voor de heffing van de directe belastingen geen rekening wordt gehouden met rechtshandelingen waarvan op grond van bepaalde feiten en omstandigheden moet worden aangenomen dat zij zouden achterwege gebleven zijn indien daarmede niet de heffing van de belasting voor het gevolg geheel of ten dele zou worden onmogelijk gemaakt;
2 ) dat belanghebbende in de eerste plaats stelt dat voor de beantwoording van de vraag of tussen het lenen van geld bij Van Lanschot en het beleggen door hem in (certificaten van) aandelen in [B] N.V., [A] N.V. en [C] B.V. een direct causaal verband bestaat, slechts dient te worden onderzocht of tussen het sluiten van de kredietovereenkomst en het beleggen in vorenbedoelde (certificaten van) aandelen een voldoende rechtstreeks verband bestaat, doch het Hof belanghebbende hierin reeds hierom niet kan volgen, omdat het zeer wel denkbaar is dat - en mitsdien onderzocht moet worden of - een causaal verband als vorenbedoeld eerst is ontstaan nadat de krediet-overeenkomst was tot stand gekomen;
3) dat belanghebbende voorts stelt dat hij niet alleen op 20 december 1977 een overeenkomst van geldlening met Van Lanschot heeft gesloten, maar dat hij bovendien ter vervanging van deze overeenkomst op of omstreeks 27 december 1979 een nieuwe overeenkomst van geldlening met Van Lanschot is aangegaan;
4) dat belanghebbende echter, tegenover de betwisting door de Inspecteur, geen feiten en/of omstandigheden aannemelijk heeft gemaakt waaruit zou kunnen volgen dat inderdaad op of omstreeks 27 december 1979 een nieuwe overeenkomst van geldlening tussen hem en Van Lanschot is tot stand gekomen;
5) dat het Hof zulks met name niet vermag af te leiden uit de onder de vaststaande feiten gedeeltelijk weergegeven brief van Van Lanschot aan belanghebbende van 27 december 1979, nu in deze brief slechts sprake is van het tot 15 november 1982 continueren van de geldlening van 20 december 1977 tegen de voorwaarden en condities zoals overeengekomen in de, onder de vaststaande feiten ten dele weergegeven, schuldbekentenis en akte van geldlening van 30 december 1978;
6) dat de enkele omstandigheid dat de geldlening van 20 december 1977 blijkens deze brief werd gecontinueerd tot 15 november 1982, terwijl deze geldlening volgens de evenbedoelde schuldbekentenis en akte van geldlening uiterlijk diende te worden afgelost per 31 december 1982, naar het oordeel van het Hof niet met zich brengt dat tussen belanghebbende en Van Lanschot een nieuwe overeenkomst van geldlening is tot stand gekomen;
7) dat het Hof mitsdien van oordeel is dat de verplichting tot het door belanghebbende in het onderhavige jaar aan Van Lanschot betalen van rente ad f 160.000, -- een rechtstreeks gevolg is van slechts twee rechtshandelingen, te weten de overeenkomst van geldlening van 20 december 1977 en de wijziging van de voorwaarden met betrekking tot de over deze geldlening verschuldigde zoals deze blijkt uit de schuldbekentenis en rente akte van geldlening van 30 december 1978;
8) dat artikel 31 van de Algemene wet voor toepassing op een rechtshandeling in aanmerking komt indien verijdeling van de belastingheffing voor de belastingplichtige de doorslaggevende beweegreden is geweest tot het verrichten van deze rechtshandeling en hij door het verrichten van deze rechtshandeling in strijd is gekomen met doel en strekking van de fiscale wetgeving en niet op normale wijze gebruik heeft gemaakt van toelaatbare middelen om belasting te ontgaan;
9) dat, anders dan belanghebbende stelt, de vraag of aan de in de voorgaande overweging genoemde eerste voorwaarde - die betreffende de beweegreden - is voldaan, moet worden beoordeeld naar het moment waarop de rechtshandeling is verricht dan wel, zo deze rechtshandeling deel uitmaakt van een onverbrekelijk samenstel van feiten en omstandigheden, naar de situatie zoals deze was bij het tot stand komen van dit samenstel;
10) dat vaststaat dat belanghebbende op 20 december 1977 door tussenkomst van Van Lanschot voor een bedrag van in totaal f 1.987.470,36 (certificaten van) aandelen [B] N.V. en [A] N.V. heeft gekocht, alsmede dat hij deze aankoop heeft gefinancierd met het provenu van de door hem op dezelfde dag met Van Lanschot gesloten overeenkomst van geldlening van f 2.000.000, --;
11) dat belanghebbende stelt dat hij een gedeelte van dit bedrag, groot f 1.200.000, -- uit eigen middelen had kunnen financieren, doch het Hof zulks, gelet op hetgeen is komen vast te staan omtrent de samenstelling van belanghebbendes vermogen aan de vooravond van de in de voorgaande overweging bedoelde transacties, volstrekt ongeloofwaardig acht;
12) dat het Hof er op grond van de beide voorgaande overwegingen van overtuigd is dat tussen het kopen van de vorenbedoelde (certificaten van) aandelen en het aangaan van de vorenbedoelde overeenkomst van geldlening een onverbrekelijke samenhang bestond in die zin dat belanghebbende de (certificaten van) aandelen niet zou hebben gekocht indien hij de overeenkomst van geldlening niet was aangegaan en dat belanghebbende de overeenkomst van geldlening niet zou hebben gesloten indien hij de (certificaten van) aandelen niet had gekocht;
13) dat belanghebbende niet heeft gesteld en, voor het geval hij zulks wel heeft willen stellen, hij tegenover de betwisting door de Inspecteur evenmin aannemelijk heeft gemaakt dat ten tijde van het sluiten van de evenbedoelde overeenkomst van geldlening voorzienbaar was dat hij na verloop van tijd de door verkoop van vorenbedoelde (certificaten van) aandelen [B] N.V. en [A] N. V. vrijkomende middelen ten dele herbeleggen in aandelen [C] B.V .;
14) dat het Hof van oordeel is, gelet op het vorenstaande, dat ook voor de heffing van de inkomstenbelasting over het onderhavige jaar slechts één samenstel van rechtshandelingen, te weten het sluiten van de overeenkomst van geldlening van 20 december 1977 en het op deze datum kopen van de (certificaten van) aandelen [B] N.V. en [A] N.V., voor wat betreft de beweegredenen van belanghebbende, dient te worden getoetst aan het bepaalde in artikel 31 van de Algemene wet en wel naar de situatie zoals deze was bij het tot stand komen van dit samenstel van rechtshandelingen;
15) dat de Inspecteur onbetwist heeft gesteld, en het Hof derhalve als juist aanvaardt, dat ten tijde van de aankoop op 20 december 1977 van de vorenbedoelde (certificaten van) aandelen het naar verwachting door [B] N.V. 'en [A] N.V. te behalen netto-rendement 3 à 4%, onderscheidenlijk 3,5% per jaar bedroeg, terwijl de evenbedoelde geldlening, naar uit de vaststaande feiten volgt, ten tijde van het sluiten daarvan op 20 december 1977 een rente droeg van, omgerekend, 8,695% per jaar;
16) dat het Hof, gelet op deze feiten, ervan uitgaat dat het verrichten van het in de voorlaatste overweging bedoelde samenstel van rechtshandelingen voor belanghebbende, afgezien van eventuele fiscale gevolgen, slechts een per saldo negatief resultaat kon opleveren;
17) dat belanghebbende zich van dit laatste bewust moet zijn geweest nu het naar het oordeel van het Hof ondenkbaar is dat iemand een samenstel van rechtshandelingen als het onderhavige aangaat zonder zich in de uitkomst daarvan te verdiepen;
18) dat in verband hiermede moet worden aangenomen dat voor belanghebbende verijdeling van de heffing van inkomstenbelasting de doorslaggevende beweegreden tot het aangaan van dit samenstel van rechtshandelingen is - geweest, tenzij van een andere; meer dan bijkomstige beweegreden blijkt;
19) dat belanghebbende tegenover de betwisting door de Inspecteur echter niet aannemelijk heeft gemaakt dat enige andere beweegreden, laat staan een andere meer dan bijkomstige beweegreden te dezen een rol heeft gespeeld;
20) dat belanghebbende met name niet aannemelijk heeft gemaakt dat bij het aangaan van meergenoemd samenstel van rechtshandelingen speculatie met betrekking tot wijzigingen in de rentestand een rol heeft gespeeld;
21) dat het er derhalve voor moet worden gehouden dat voor belanghebbende verijdeling van de heffing van inkomstenbelasting de doorslaggevende beweegreden is geweest voor het sluiten van de overeenkomst van geldlening van 20 december 1977 en dat het sluiten van deze overeenkomst achterwege zou zijn gebleven indien hiermede niet de heffing van inkomstenbelasting voor het vervolg geheel of ten dele onmogelijk zou worden gemaakt;
22) dat belanghebbende door het sluiten van deze overeenkomst niet op normale wijze gebruik heeft gemaakt van toelaatbare middelen om belasting te ontgaan, doch hij hierdoor in strijd is gekomen met de strekking van de Wet, in het bijzonder met die van de bepalingen welke aftrek van rente van schulden als aftrekbare kosten of als persoonlijke verplichting mogelijk maken, en dit onder omstandigheden welke veroorzaken dat op niet meer aanvaarbare wijze de normale toepassing van deze wettelijke bepalingen is doorkruist;
23) dat de in de bedoelde wettelijke bepalingen toegelaten aftrek van rente immers niet kan zijn bedoeld om belastingplichtigen in staat te stellen door het sluiten van geldleningen min of meer onbeperkt en op ieder door hen daartoe nuttig geacht moment hun belastbare inkomen te verminderen;
24) dat belanghebbende de door hem op 20 december 1977 gekochte (certificaten van) aandelen [B] N.V. en [A] N.V. weliswaar op 20, respectievelijk 21 december 1979 heeft verkocht en een gedeelte van de opbrengst van deze verkopen heeft aangewend voor het op 20 december 1979 kopen van aandelen [C] B.V., serie D, doch zulks te dezen verder geen behandeling behoeft nu het Hof aan de omstandigheid dat op pagina 3, bovenaan, van het jaarverslag van [C] B.V. over het jaar 1980 is vermeld dat het door [C] B.V. over laatstgenoemd jaar bereikte rendement op het per 1 januari 1980 uitstaande vermogen van 7,19% overeenstemt met de bij de plaatsing van de aandelen uitgesproken rendementsverwachting, het niet ontzenuwde vermoeden ontleent dat het op 20 december 1979 door belanghebbende te verwachten netto-rendement van aandelen [C] B.V., serie D, lager was dan de te dezen tijde door hem ter zake van de geldlening van 20 december 1977 verschuldigde rente van, omgerekend, 8,48% per jaar;
25) dat belanghebbende met betrekking tot het op 20 december 1979 te verwachten netto-rendement van aandelen [C] B.V., serie D, stelt dat het bruto-rendement op National Housing Act hypotheken op deze datum circa 13,5% per jaar bedroeg, doch hij niet heeft gesteld en, voor het geval hij zulks wel heeft willen stellen, hij tegenover de betwisting door de Inspecteur evenmin aannemelijk heeft gemaakt dat hij ten tijde van zijn beslissing aandelen [C] B.V., serie D, te kopen op de hoogte was van deze omstandigheid en hij bovendien uit het oog verliest dat uit de op pagina 12 van evengenoemd jaarverslag voorkomende grafiek blijkt dat het rendement op National Housing Act hypotheken in de periode 15 november 1979 - de datum van oprichting van [C] B.V. - tot 20 december 1979 niet onaanzienlijk is gedaald; 26) dat belanghebbende niet heeft gesteld en ook anderszins niet aannemelijk is geworden dat hij het betrekkelijk geringe bedrag van f 12.529,64 dat van de geldlening van f 2.000.000, -- resteerde na voldoening van de koopsom van de (certificaten van) aandelen [B] N.V. en [A] N.V. ad in totaal f 1.987.470,36, om een andere reden heeft opgenomen dan wegens afronding van de hoofdsom van deze geldlening;
27) dat de Inspecteur geen feiten en/of omstandigheden heeft gesteld, laat staan overtuigend aangetoond, op grond waarvan zou kunnen worden geoordeeld dat belanghebbende door het wijzigen van de voorwaarden met betrekking tot de over de geldlening van 20 december 1977 verschuldigde rente, in strijd is gekomen met de strekking van de Wet en niet op normale wijze gebruik heeft gemaakt van toelaatbare middelen om belasting te ontgaan;
28) dat de Staatssecretaris van Financiën blijkens zijn in copie tot de stukken behorende machtiging van 23 mei 1948 (Hof: bedoeld zal zijn 1984) nummer 284-7358, de Inspecteur heeft gemachtigd voor de heffing van de inkomstenbelasting over het onderhavige jaar ten laste van belanghebbende geen rekening te houden met twee rechtshandelingen, te weten de tussen belanghebbende en Van Lanschot op 20 december 1977 gesloten overeenkomst van geldlening enerzijds en de ultimo 1978 tussen deze contractspartijen gesloten nadere overeenkomst ter wijziging van de voorwaarden met betrekking tot de over deze geldlening verschuldigde rente anderzijds, doch de Inspecteur bij de bestreden uitspraak heeft besloten geen rekening te houden met de overeenkomst van geldlening van 20 december 1977 "zoals deze overeenkomst luidt na conversie in halfjaarlijkse rente-betalingen";
29) dat onder deze omstandigheden een redelijke wetstoepassing met zich brengt dat wordt beslist als hierna vermeld.
Op deze gronden heeft het Hof de uitspraak van de Inspecteur gehandhaafd voor zover hierin wordt besloten voor de heffing van de inkomstenbelasting over het jaar 1980 ten laste van belanghebbende geen rekening te houden met de door belanghebbende op 20 december 1977 met Van Lanschot gesloten overeenkomst van geldlening en die uitspraak vernietigd voor zover de Inspecteur hierin onder woorden heeft gebracht geen rekening te willen houden met de door belanghebbende ultimo 1978 gesloten nadere overeenkomst ter wijziging van de voorwaarden met betrekking tot de over de geldlening van 20 december 1977 verschuldigde rente.
3. Geding in cassatie.
Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. In zijn hier als ingelast te beschouwen beroepschrift in cassatie heeft hij de volgende samenvatting van zijn klachten gegeven:
I. Het Hof heeft niet aangetoond dat voor belanghebbende de verijdeling van de belastingheffing de doorslaggevende beweegreden is geweest voor het sluiten van de kredietovereenkomst. Het Gerechtshof heeft ten onrechte overwogen dat de toetsing van de voorwaarden van artikel 31 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen dient plaats te vinden naar de situatie op 20 december 1977, hetgeen een schending van het Nederlands recht tot gevolg heeft.
De toetsing had dienen plaats te hebben naar de situatie, zoals deze was ten tijde van het sluiten van de kredietovereenkomst in november 1977, op welk tijdstip aan de voorwaarden van artikel 31 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen niet werd voldaan.
II. Het passeren van het bewijsaanbod door het Hof leidt tot een motiveringsgebrek, hetgeen een verzuim van vormen ten gevolge heeft.
III. Nu het Hof met betrekking tot de belegging in de aandelen [C] B.V. niet uitdrukkelijk heeft vastgesteld of aan de voorwaarden voor de toepassing van richtige heffing - artikel 31 van de Algemene Wet inzake rijksbelastingen - is voldaan, is de uitspraak niet naar de eis der wet met redenen omkleed en dient als gevolg van dit vormverzuim cassatie plaats te vinden.
IV. De feitelijke vaststellingen van het Hof in de overwegingen nummers 24 en 25 zijn
onbegrijpelijk en onvolledig gemotiveerd zodat die motivering de beslissing van het Hof niet kan dragen.
V. Het Hof heeft in zijn overwegingen ten onrechte de belegging in de [C]-aandelen beoordeeld naar de situatie per 20 december 1977, hetgeen een onjuiste toepassing van het Nederlands recht ten gevolg heeft.
VI. De toetsing van de feiten aan de door het recht voor de toepassing van artikel 31 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, het middel van richtige heffing, gestelde voorwaarden met betrekking tot de belegging in de aandelen [C] B.V. - een transactie die afzonderlijk beoordeeld dient te worden - heeft op een onjuiste en/of onvolledige wijze plaatsgevonden, als gevolg waarvan er sprake is van een onjuiste rechtstoepassing van het Nederlands recht, in het Algemene bijzonder van de artikelen 31 en 32 van de wet inzake rijksbelastingen en artikel 48 rechtsvordering.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een vertoogschrift ingediend.
Belanghebbende heeft de zaak doen bepleiten door mr J.H.W. de Planque, advocaat bij de Hoge Raad.
De Advocaat-Generaal Van Soest heeft op 12 november 1990 geconcludeerd tot vernietiging van de uitspraak van het Hof, tot bevestiging van de uitspraak van de Inspecteur, voor zover zij ertoe strekt voor de heffing van de inkomstenbelasting van de belanghebbende over het jaar 1980 geen rekening te houden met de door belanghebbende op 20 december 1977 met de bank gesloten overeenkomst van geldlening, voor zover de opbrengst bij verkoop van de aandelen [A] N. V. en de certificaten van aandelen [B] N.V. in december 1979 is aangewend voor de aankoop van aandelen [C], en tot vernietiging van de uitspraak van de Inspecteur voor het overige.
4. Beoordeling van de klachten.
4.1. Het Hof heeft het volgende vastgesteld: belanghebbende heeft op basis van een in november 1977 met een bank gesloten kredietovereenkomst, welke voorzag in een geldlening met een looptijd van maximaal vijf jaar tegen een rente van 8% per jaar, jaarlijks - bij vooruitbetaling te voldoen, op 20 december 1977 met die bank een overeenkomst van geldlening van f 2.000.000, -- gesloten, welke geldlening - blijkens een daarop betrekking hebbende "Schuldbekentenis en Akte van geldlening" van 30 december 1978 - zal worden afgelost op 31 december 1982 waarover 8% rente per jaar verschuldigd zal zijn, halfjaarlijks bij vooruitbetaling te voldoen, per 30 juni en 31 december; de uit de geldlening verkregen middelen zijn op 20 december 1977 tot een bedrag van f 1.987.470,36 aangewend voor de aankoop van (certificaten van) aandelen in de op Curaçao gevestigde beleggingsmaatschappijen [A] N.V. en [B] N.V., welke (certificaten van) aandelen op 20 en 21 december 1979 weer zijn verkocht; belanghebbende heeft toen uit de verkoopopbrengst door tussenkomst van de bank voor een bedrag van f 1.000.000, -- 1000 aandelen van serie D, met elk een nominale waarde van f 1000, -- , in de te [Q] gevestigde beleggingsmaatschappij [C] B.V. gekocht en heeft tevens een bedrag van f 1.000.000, -- bij de bank op een deposito-rekening geplaatst; blijkens een brief van de bank aan belanghebbende van 27 december 1979 werd de geldlening gecontinueerd tot 15 november 1982 tegen voorwaarden en condities zoals overeengekomen in de "Schuldbekentenis en Akte van geldlening" van 30 december 1978; de aandelen [C] zijn op 16 december 1982 verkocht.
4.2. Het Hof heeft geoordeeld dat op of omstreeks 27 december 1979 niet een nieuwe overeenkomst van geldlening tussen belanghebbende en de bank is tot stand gekomen. Dit oordeel geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en kan voor het overige, als van feitelijke aard en geen nadere motivering behoevende, in cassatie niet met vrucht worden bestreden. Hiervan uitgaande heeft het Hof terecht aangenomen dat de in de uitspraak van de Inspecteur vermelde overeenkomst van geldlening van 20 december 1977 ook in het onderhavige jaar nog bestond. De klacht onder V faalt in zoverre.
4.3. De klachten onder I en II miskennen dat wanneer een belastingplichtige een overeenkomst van geldlening aangaat of, zoals hier, eerst een kredietovereenkomst sluit, het voor de toepassing van artikel 31 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen niet aankomt op de geldlening als zodanig maar op de geldlening in samenhang met de aan de ter beschikking gekomen middelen gegeven bestemming. Nu het Hof - in cassatie onbestreden - heeft vastgesteld dat belanghebbende de uit de geldlening verkregen middelen op 20 december 1977 heeft aangewend voor de aankoop van de (certificaten van) aandelen [A] en [B] heeft het Hof terecht onderzocht of het aldus ontstane samenstel van transacties in aanmerking kwam voor toepassing van artikel 31, en wel ongeacht of belanghebbende aanvankelijk aan de geldmiddelen een andere bestemming heeft gegeven dan wel had willen geven. De klachten onder I en II falen derhalve.
4.4. Uit 's Hofs vaststelling dat de aandelen [A] en [B] eind december 1979 zijn verkocht volgt dat de uit de geldlening verkregen middelen toen weer ter beschikking van belanghebbende kwamen. Belanghebbende heeft die middelen, naar 's Hofs - in cassatie onbestreden - vaststelling herbelegd in aandelen [C] en in een deposito. In verband met het in 4.3 overwogene moet afzonderlijk worden onderzocht of en in hoeverre het bij de herbelegging ontstane samenstel van transacties voor toepassing van artikel 31 in aanmerking komt.
4.5. Met zijn oordeel dat het op 20 december 1979 door belanghebbende te verwachten netto-rendement van de aandelen [C] lager was dan de toen door hem ter zake van de geldlening verschuldigde rente van, omgerekend, 8,48% per jaar, heeft het Hof tot uitdrukking gebracht dat afgezien van eventuele fiscale gevolgen, van het met geleend geld kopen van de aandelen [C] per saldo slechts een negatief resultaat viel te verwachten. Voor dit oordeel, dat berust op de aan het Hof voorbehouden keuze en waardering van de bewijsmiddelen, mocht het Hof bewijs putten uit een door belanghebbende niet ontzenuwd vermoeden, waaronder - anders dan belanghebbende klaarblijkelijk meent - dient te worden verstaan een gevolgtrekking, door het Hof verbonden aan vaststaande feiten en omstandigheden. 's Hofs oordeel behoefde voorts geen nadere motivering en is niet onbegrijpelijk.
4.6. In 's Hofs uitspraak ligt 'besloten het oordeel dat hetgeen het Hof heeft overwogen met betrekking tot de toepassing van artikel 31 ten aanzien van het met geleend geld kopen van de (certificaten van) aandelen [A] en [B] op overeenkomstige wijze heeft te gelden voor de aankoop met geleend geld van de aandelen [C]. Bedoeld oordeel geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en kan voor het overige als van feitelijke aard en geen nadere motivering behoevende in cassatie niet met vrucht worden bestreden.
4.7. De klachten onder III, IV en VI en de klacht onder V, voor zover nog niet in 4.2 besproken, falen evenzeer.
5. Ambtshalve aanwezig bevonden grond voor cassatie.
5.1. Belanghebbende heeft na de verkoop van de (certificaten van) aandelen [A] en [B] de geleende gelden voor een gedeelte groot f 1.000.000, -- bij de bank op een depositorekening geplaatst en heeft, naar het Hof voorts heeft vastgesteld, in 1980 en 1981 uit het deposito enkele in 's Hofs uitspraak nader omschreven investeringen gefinancierd. Op 5 juni 1981 is het deposito beëindigd.
5.2. Nu uit 's Hofs uitspraak en de stukken van het geding niet blijkt dat de Inspecteur ten aanzien
van het deposito en de evenbedoelde investeringen heeft gesteld dat sprake is van transacties die in samenhang met de overeenkomst van geldlening voor toepassing van artikel 31 in aanmerking komen en ook overigens niet is gebleken van feiten en omstandigheden die grond geven voor de veronderstelling dat te dezen artikel 31 toepassing dient te vinden, heeft het Hof voor het onderhavige jaar aan artikel 31 een te ruime toepassing gegeven, zodat 's Hofs uitspraak niet in stand kan blijven.
6. Na cassatie.
6.1. De Hoge Raad kan de zaak afdoen. De in het onderhavige jaar betaalde rente komt gedeeltelijk voor aftrek in aanmerking.
6.2. De Hoge Raad verstaat de uitspraak van de Inspecteur aldus dat zij ziet op de overeenkomst van geldlening zoals deze voor het onderhavige jaar geldt.
7. Beslissing.
De Hoge Raad vernietigt de uitspraak van het Hof, vernietigt de uitspraak van de Inspecteur behoudens voor wat betreft het gedeelte van de geldlening dat is aangewend voor de aankoop van de aandelen [C] en verstaat dat door de Staatssecretaris aan belanghebbende wordt vergoed het ter zake van de behandeling van het beroep in cassatie gestorte griffierecht van f 300, -- alsmede het ter zake van de, behandeling van de zaak voor het Hof gestorte recht van f 34, --.
Dit arrest is gewezen door de raadsheer Stoffer als voorzitter, en de raadsheren Mijnssen, Wildeboer, Urlings en Zuurmond, in tegenwoordigheid van de waar- nemend griffier Vink, in raadkamer van 17 april 1991.