12 juni 1992
Eerste Kamer
Rek.nr. 8004
EL
Hoge Raad der Nederlanden
Beschikking
in de zaak van
[de vader],
wonende te [woonplaats],
VERZOEKER tot cassatie,
advocaat: mr. M. Schaap,
t e g e n
[de moeder],
wonende te [woonplaats],
VERWEERSTER in cassatie,
niet verschenen.
1. Het geding in feitelijke instanties
Bij vonnis van 21 december 1989 van de Rechtbank te Zutphen is de echtscheiding uitgesproken tussen verzoeker tot cassatie — verder te noemen de vader — en verweerster in cassatie — verder te noemen de moeder — en is een datum voor het ouderverhoor omtrent de voorziening in het gezag over hun kinderen (1) [kind 1], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1974, (2) [kind 2], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1976, (3) [kind 3], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1979, en (4) [kind 4], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1981, bepaald.
Na het gehouden ouderverhoor heeft de rechtbank bij beschikking van 8 maart 1990 de vader tot voogd en de moeder tot toeziende voogdes over genoemde kinderen benoemd.
Tegen deze beschikking heeft de moeder hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof te Arnhem, waarbij zij heeft verzocht voormelde beschikking te vernietigen en opnieuw rechtdoende haar te benoemen tot voogdes en de vader tot toeziend voogd over hun kinderen, subsidiair een omgangsregeling tussen haar en haar vier kinderen vast te stellen.
Bij tussenbeschikking van 24 juli 1990 heeft het Hof de Raad voor de Kinderbescherming te Zutphen rapport en advies omtrent een realisering van een eventueel herstel van het contact tussen de moeder en de kinderen verzocht en bij eindbeschikking van 14 mei 1991 de moeder niet ontvankelijk verklaard in haar hoger beroep voor zover betreft de door de Rechtbank vastgestelde voogdijvoorziening en het verzoek van de moeder tot het treffen van een omgangsregeling afgewezen en inzake de informatieverplichting van de vader ten opzichte van de moeder de regeling, als in de beschikking omschreven, getroffen.
De beschikkingen van het Hof zijn aan deze beschikking gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen de eindbeschikking van het Hof heeft de vader beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
De conclusie van de Advocaat-Generaal Moltmaker strekt tot verwerping van het beroep.
3. Beoordeling van het middel
3.1 Het Hof heeft bij zijn beschikking het verzoek van de moeder om een omgangsregeling afgewezen en een informatieverplichting van de vader ten opzichte van de moeder getroffen. Deze houdt — kort gezegd — in dat de moeder ten minste twee keer per jaar de nodige informatie krijgt omtrent de kinderen en op de hoogte wordt gehouden van hun schoolresultaten, zodat zij zich een beeld kan vormen van het opgroeien van haar kinderen.
3.2 De onderdelen 1 tot en met 9 bevatten slechts een inleiding. De onderdelen 10 en 11 bevatten de klacht dat het Hof het verzoek van de moeder om een informatieregeling heeft toegewezen zonder de oudste drie kinderen daaromtrent te horen.
De klacht faalt. Het Hof heeft in zijn beschikking vastgesteld dat de oudste drie minderjarigen, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet zijn verschenen doch bij afzonderlijke brieven hun mening hebben gegeven. Voorts heeft het Hof overwogen dat uit die brieven naar voren komt dat deze kinderen afwijzend staan tegenover contact met hun moeder.
Uit het vorenstaande blijkt dat het Hof, in ieder geval met het oog op het verzoek om een omgangsregeling, art. 902b Rv. in acht heeft genomen. Ook indien de kinderen slechts in verband met het verzoek om een omgangsregeling zouden zijn opgeroepen, was het Hof niet gehouden hen opnieuw in de gelegenheid te stellen om hun mening kenbaar te maken omtrent een eventueel te treffen informatieregeling.
In een geval als het onderhavige is het aan de rechter die over de feiten oordeelt, overgelaten of de minderjarigen van twaalf jaar of ouder opnieuw in de gelegenheid moeten worden gesteld om hun mening meer speciaal over het eventueel treffen van een informatieregeling kenbaar te maken.
3.3 Onderdeel 12 bevat een motiveringsklacht omtrent de wijze waarop het Hof tot zijn beslissing omtrent de informatieregeling is gekomen. De klacht faalt.
Het Hof heeft bij het nemen van zijn beslissing in aanmerking genomen de omstandigheid dat de kinderen afwijzend staan tegenover contact met de moeder, het belang van de moeder dat zij zich een beeld kan vormen van het opgroeien van haar kinderen alsmede zijn — in cassatie onbestreden — oordeel dat de informatieverschaffing in de toekomst wellicht kan leiden tot herstel van het contact tussen de moeder en de kinderen.
Het Hof heeft zijn beslissing aldus op toereikende wijze gemotiveerd.
3.4 De onderdelen 13, 14 en 15 strekken ten betoge dat het in strijd is met het recht op eerbiediging van de privacy en de persoonlijke levenssfeer als bedoeld in art. 8 EVRM, wanneer een informatieregeling wordt vastgesteld tegen de nadrukkelijke wens van de minderjarigen.
Aangenomen moet worden dat het hof het recht op eerbiediging van de privacy en de persoonlijke levenssfeer in de zin van art. 8 voor wat betreft de kinderen heeft voorondersteld, en dat het wat betreft de moeder haar recht op bescherming van het privé- en gezinsleven als bedoeld in art. 8 in aanmerking heeft genomen. Bij de afweging waartoe het Hof in dit verband gekomen is, heeft het Hof rekening gehouden met ieders belangen. Tot een nadere motivering was het Hof niet gehouden.
De onderdelen treffen derhalve geen doel.
4. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Deze beschikking is gegeven door de raadsheren Bloembergen als voorzitter, Davids en Heemskerk en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer Davids op 12 juni 1992.