5 april 1991
Eerste Kamer
Rek.nr. 7872
Br.
Hoge Raad der Nederlanden
Beschikking
in de zaak van:
[de vader],
wonende te [woonplaats],
VERZOEKER tot cassatie,
voorwaardelijk incidenteel verweerder,
advocaat: Mr. M. Schaap,
t e g e n
[de moeder],
Wonende te [woonplaats],
VERWEERSTER in cassatie,
voorwaardelijk incidenteel verzoekster,
advocaat: Mr. E. Grabandt.
1. Het geding in feitelijke instanties
Met een op 22 januari 1990 ter griffie van de Rechtbank te Breda ingekomen verzoekschrift heeft verzoeker tot cassatie — verder te noemen de vader — zich gewend tot de kinderrechter aldaar met verzoek een informatieregeling vast te stellen en verweerster in cassatie — verder te noemen de moeder — te verplichten hem gedurende driemaal per jaar schriftelijk te informeren over het wel en wee — met name over de schoolresultaten, de vakkenpakketten en de gezondheidstoestand — van hun kinderen:
- [kind 1], geboren op [geboortedatum] 1974,
- Robert Petrus Antonius [de vader], geboren op [geboortedatum] 1977, beiden te [geboorteplaats], alsmede te bepalen dat de moeder hem een keer per jaar een recente foto van de kinderen zal sturen, althans een zodanige regeling als de Rechtbank in goede justitie vermeent te behoren vast te stellen.
Nadat de moeder tegen het verzoek verweer had gevoerd, heeft de Kinderrechter bij beschikking van 26 maart 1990 het verzoek van de vader afgewezen.
Tegen deze beschikking heeft de vader hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch.
Bij beschikking van 20 september 1990 heeft het Hof de bestreden beschikking bekrachtigd.
De beschikking van het Hof is aan deze beschikking gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen de beschikking van het Hof heeft de vader beroep in cassatie ingesteld, waarna de moeder voorwaardelijk incidenteel beroep heeft ingesteld. Het cassatierekest en het verweerschrift houdende het voorwaardelijk incidenteel beroep zijn aan deze beschikking gehecht en maken daarvan deel uit.
De vrouw heeft verzocht het principaal beroep te verwerpen.
De conclusie van de Advocaat-Generaal Moltmaker strekt tot verwerping van het principaal beroep.
3. Beoordeling van het middel in het principaal beroep
3.1 Anders dan het middel onderstelt heeft het hof de omstandigheid dat de kinderen zeer ernstige bezwaren hebben tegen de gevraagde informatieverstrekking, niet op zichzelf als een beletsel voor toewijzing van het verzoek van de vader beschouwd. Het heeft die omstandigheid in aanmerking genomen in samenhang met de door het Hof onderschreven overweging van de Kinderrechter dat het verstrekken van informatie en foto's spanningen en onrust bij de kinderen teweeg zou brengen. Voorzover op voormeld uitgangspunt berustend faalt het middel dus bij gebrek aan feitelijke grondslag.
De overwegingen van het Hof, die erop neer komen dat zwaarwegende belangen van de kinderen zich tegen toewijzing van het verzoek van de vader verzetten, geven rekenschap van 's Hofs waardering van de omstandigheden, welke waardering van feitelijke aard is. Die overwegingen zijn niet onbegrijpelijk en bevatten een voldoende redengeving voor 's Hofs beslissing.
Het middel is dus tevergeefs voorgesteld.
3.2 Het middel in het incidenteel beroep komt niet aan de orde, nu de voorwaarde waaronder het incidenteel beroep is ingesteld niet is vervuld.
4. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het principaal beroep.
Deze beschikking is gegeven door de raadsheren De Groot, als voorzitter, Hermans en Boekman, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer Hermans op 5 april 1991.