9 maart 1993
Strafkamer
nr. 93.581 E
JM
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage, Economische Kamer, van 22 november 1991 in de strafzaak tegen:
[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1951, wonende te [woonplaats].
1. De bestreden uitspraak
Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Economische Politierechter in de Arrondissementsrechtbank te Middelburg van 7 juli 1989 - de verdachte ter zake van "opzettelijk niet voldoen aan een vordering krachtens artikel 23 van de Wet op de economische delicten gedaan door een opsporingsambtenaar" veroordeeld tot een geldboete van tweeduizendvijfhonderd gulden, subsidiair dertig dagen hechtenis.
2. Het cassatieberoep
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft Mr. J.M.E. Schieman, advocaat te Middelburg, het volgende middel van cassatie voorgesteld:
Schending en/of verkeerde toepassing of uitleg van het bepaalde in artikel 23 van de Wet op de Economische Delikten, met name art. 23 lid 1 van die Wet, althans schending `van het recht en/of van op straffe van nietigheid in acht te nemen vormen, doordien het Gerechtshof met vernietiging van het vonnis van de eerste rechter, het tenlastegelegde bewezen heeft verklaard, heeft verstaan dat het bewezenverklaarde oplevert een strafbaar feit, het bewezenverklaarde strafbaar heeft verklaard en ook verdachte te dier zake strafbaar heeft bevonden, verdachte veroordelend tot het betalen van een geldboete van f 2.500, -- bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de tijd van 30 dagen, welke beslissing berust op een onjuiste en met de Wet strijdige opvatting omtrent het begrip "in het belang van de opsporing" als bedoeld in artikel 23 lid 1 van de Wet op de Economische Delikten, hebbende het Hof aldus niet op de grondslag der tenlastelegging beraadslaagd en beslist, weshalve de veroordelende beslissing niet in stand. kan blijven.
TOELICHTING
Bij Wet van 21 mei 1969, Stb. 232, zijn in artikel 23 lid 1 WED opgenomen de woorden "in het belang van de opsporing". Blijkens de memorie van antwoord werd deze passage opgenomen om zeker te stellen dat het stilhouden en controleren van vervoermiddelen slechts mag geschieden in het belang van de opsporing. Voorts vermeldt de memorie van antwoord dat in gevallen, dat de wetgever daarenboven de behoefte voelt aan de bevoegdheden tot het doen stilhouden en controleren van voertuigen in het kader van een administratief toezicht, zonder dat direkt gezegd kan worden dat dit in het belang van de opsporing geschiedt, hierin behoort te worden voorzien bij de Wet. De Regeling stelselmatige controle bij aanlanding 1988 is zo'n bij Wet voorzien administratief toezicht.
Onverenigbaar met de duidelijke bewoordingen van art. 23 lid 1 WED is de uitleg welke het Hof met een beroep de wetsgeschiedenis er aan toekent.
Het begrip "in het belang van de opsporing" ziet immers op de opsporing van economische delikten, strafbare feiten. Hiervan kan eerst sprake zijn indien er terzake het overtreden van enig economisch voorschrift enige verdenking in de zin van art. 27 Wetboek van Strafvordering is gerezen, aanwijzingen, zijnde feiten en/of omstandigheden waaruit een redelijk vermoeden van schuld aan enig strafbaar feit voortvloeit voorshands tegen een anonieme dader. Eerst dan kan sprake zijn van enig opsporingsbelang. Eerst dan komt de bevoegdheid neergelegd in art. 23 WED aan de orde.
3. De conclusie van het Openbaar Ministerie
De Advocaat-Generaal Leijten heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
4. Bewezenverklaring en bewijsvoering
4.1. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:
hij in de gemeente Vlissingen op 10 juni 1988 als schipper van het vissersvaartuig VLI 27, met welk vaartuig een hoeveelheid vis werd vervoerd,
- toen de ambtenaar van de Algemene Inspectiedienst van het Ministerie van Landbouw en Visserij [verbalisant 1], zijnde een opsporingsambtenaar als bedoeld in artikel 17 van de Wet op de economische delicten, ter controle op de naleving van de Regeling kabeljauw- en wijtingvisserij en/of de Beschikking uitvoering EEG-verordening technische maatregelen en/of de Regeling bijhouden EEG-logboek en opgave zeevis 1987, in elk geval van voorschriften bedoeld in artikel 1 van de genoemde wet,
terwijl de belangen van die controle naar het redelijk oordeel van die opsporingsambtenaar vorderden, dat dat vaartuig naar de 1e Binnenhaven te Vlissingen, zijnde een nabij gelegen plaats, diende te worden gebracht en aldaar diende te worden gelost, van hem, verdachte, vorderde overeenkomstig de aanwijzingen van die opsporingsambtenaar daaraan medewerking te verlenen door dat vissersvaartuig over te brengen naar de loswal aan de 1e Binnenhaven te Vlissingen en aldaar te lossen - opzettelijk niet aan die vordering, gedaan krachtens artikel 23 van de Wet op de economische delicten, heeft voldaan.
4.2. Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:
1.
Het ambtsedig proces-verbaal nr 1692/88/23 opgemaakt en ondertekend op 15 juli 1988 door [verbalisant 1] en [verbalisant 2], beiden ambtenaar van de Algemene Inspectiedienst van het Ministerie van Landbouw en Visserij, en - naar het hof bekend is - als zodanig belast met de opsporing van economische delicten , werkzaam in de Inspectie Zuid te Eindhoven. Het houdt onder meer in -zakelijk weergegeven -:
a. als relaas van de verbalisanten dan wel van een van hen:
Het onderzoek heeft betrekking gehad op het vissersvaartuig met het letterteken en nummer VLI 27, hierna te noemen de VLI 27. Op 10 juni 1988, omstreeks 07.00 uur, bevonden wij ons aan boord van de VLI 27, welke lag afgemeerd aan een loswal achter de Visafslag binnen de gemeente Vlissingen.
Ik, [verbalisant 1], beschikte ten aanzien van de VLI 27 over een vangstopgaveformulier, als bedoeld in de Regeling bijhouden EEG-logboek en opgave zeevis 1987, betreffende de visreis van week 23 van 06 juni tot en met 10 juni 1988.
Wij wilden controle doen op de naleving van de volgende wettelijke regelingen:
■ artikel 3, lid 4 van de Regeling kabeljauw- en wijtingvisserij 1988;
■ artikel 5 van de Beschikking uitvoering EEG-verordening technische maatregelen;
■ artikel 2, lid 5 van de Regeling bijhouden EEG-logboek en opgave zeevis 1987.
Daar wij het in het belang van een goede controle noodzakelijk achtten dat de aan boord van de VLI 27 aanwezige vis zou worden uitgelost aan de aangewezen loswal aan de 1e Binnenhaven te Vlissingen, hebben wij op 10 juni 1988, omstreeks 07.00 uur, aan boord van de VLI 27, gesproken met de ons bekende kapitein van de VLI 27, waarvan ons bekend is dat zijn personalia als volgt luiden:
Naam : [verdachte]
Voornamen : [verdachte]
Geboren op: [geboortedatum] 1951 te [woonplaats]
Beroep : Kapitein/visser
Adres : [a-straat 1]
Woonplaats : [woonplaats].
Wij hebben de kapitein verzocht de VLI 27 over te brengen naar de loswal aan de 1e Binnenhaven en aldaar te lossen ten behoeve van genoemde controle.
De kapitein van de VLI 27 deelde ons mede dat hij niet op ons verzoek wilde ingaan.
Hierop heb ik, [verbalisant 1], de kapitein van de VLI 27 medegedeeld:
■ dat wij ambtenaren van de Algemene Inspectiedienst waren;
■ dat wij als zodanig bevoegd waren op grond van de Wet op de economische delicten om te vorderen dat de VLI 27 zou worden overgebracht naar de loswal aan de 1e Binnenhaven te Vlissingen en aldaar zou worden uitgelost.
De kapitein van de VLI 27 volhardde bij zijn weigering het vaartuig over te brengen naar de loskade van de 1e Binnenhaven te Vlissingen.
Hierop heb ik, [verbalisant 1], te Vlissingen op 10 juni 1988 aan boord van de VLI 27, van de kapitein van de VLI 27 gevorderd onmiddellijk de VLI 27 over te brengen naar de loskade aan de le Binnenhaven te Vlissingen en na aankomst aldaar onmiddellijk te lossen.
De kapitein van de VLI 27 voldeed niet aan de door mij gedane vordering en liet de VLI 27 liggen aan genoemde plaats van afmering.
b. als de op 10 juni 1988 tegenover verbalisant [verbalisant 1] afgelegde verklaring van de verdachte:
Ik heb besloten om maandag te lossen.
2.
De verklaring van de getuige [getuige 1], afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep van 8 november 1991, samengevat en zakelijk weergegeven:
U vraagt mij wat de reden was om te lossen, te controleren en te verifiëren. De reden is dat je anders geen goede controle kunt uitoefenen bij aanlandingen. Een controle onderdeks is niet goed uitvoerbaar. Het wegen kan bijvoorbeeld niet goed worden gedaan. Wij gebruiken de weegschaal van de afslag.
Naar mijn oordeel was er alle reden om controle uit te oefenen. In de tijd daarvoor is sprake geweest van illegale aanlandingen. Zelfs op 10 juni 1988 zijn er illegale aanlandingen geweest.
Een goede controle kon alleen plaatsvinden onder bescherming van de ME.
3.
De verklaring van de getuige [getuige 2], afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep van 8 november 1991, samengevat en zakelijk weergegeven:
Het werd de mensen van de AID onmogelijk gemaakt controle uit te oefenen. Er vond intimidatie van AID-ers plaats op de vismijn. Op een gegeven moment, een tijdstip na februari 1988, zijn de politie van Vlissingen en Middelburg, alsmede ambtenaren van de AID van de kade afgeslagen. Daarna kregen we bijstand van de ME. In juni hadden we rond de 100 man aan ME op de been.
4.
De verklaring van de getuige [getuige 3], afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep van 8 november 1991, samengevat en zakelijk weergegeven:
Zonder begeleiding van de ME konden wij de controle niet meer uitoefenen. Indien je behoorlijk wilt controleren, moet je uitlossen.
4.3. Het Hof heeft met betrekking tot de bewijsvoering voorts overwogen:
1. Telaste is gelegd - kort gezegd - het opzettelijk niet voldoen aan een vordering ex artikel 23 van de Wet op de economische delicten.
2. De eerste rechter heeft de verdachte van dit feit vrijgesproken, aangezien hij niet bewezen achtte het bestaan van een redelijk vermoeden van schuld aan enig strafbaar feit, welk vermoeden naar zijn oordeel voorwaarde is voor toepassing van genoemd wetsartikel.
3. De officier van justitie heeft in zijn appelschriftuur als grief aangevoerd - samengevat - dat de eerste rechter ten onrechte het bestaan van een redelijk vermoeden van schuld niet bewezen heeft geacht. Weliswaar bestond niet een verdenking ten aanzien van iedere visser afzonderlijk die op 10 juni 1988 met zijn schip de haven van Vlissingen binnenvoer, maar wel was sprake van een collectieve verdenking dat de betrokken vissers toen illegaal vis aan land wilden brengen, waardoor aan de voorwaarde voor toepassing van artikel 23 van de Wet op de economische delicten werd voldaan.
4. Ter zitting in hoger beroep heeft de procureur-generaal zich op het standpunt gesteld, dat de wet de bevoegdheid tot het vorderen van medewerking aan de controle "in het belang van de opsporing" niet bindt aan het bestaan van enigerlei verdenking, en bewijs daarvan dus niet vereist. is.
5. Namens de verdachte is bepleit de bevestiging van het vonnis van de eerste rechter, omdat niet bewezen is het bestaan van een redelijk vermoeden van schuld van verdachte aan enig strafbaar feit, noch ook het bestaan van een redelijk belang der controle bij bedoelde vordering.
6. Artikel 23, lid 1, van de Wet op de economische delicten luidt als volgt:
"1. De opsporingsambtenaren kunnen in het belang van de opsporing vorderen, dat bestuurders van vervoermiddelen deze doen stilhouden en controle toestaan op de naleving van de voorschriften, bedoeld in artikel 1. Zij kunnen, indien de belangen der controle naar hun redelijk oordeel zulks vorderen, ten koste van ongelijk deze vervoermiddelen naar een nabij gelegen plaats overbrengen, lossen of doen lossen, dan wel afladen of doen afladen. Zij kunnen vorderen, dat de bestuurders overeenkomstig hun aanwijzingen terzake medewerking verlenen."
7. De woorden "in het belang van de opsporing" zijn ingevoegd bij wet van 21 mei 1969, Staatsblad 232. In het Voorlopig Verslag op het wetsontwerp, dat geleid heeft tot de wet van 21 mei 1969, Stb. 232, werd de vraag gesteld of monsterneming, weging en opmeting alleen mogen geschieden in het geval dat er sprake is van enigerlei verdenking van het bestaan van een economisch delict. De hieromtrent bestaande twijfel hield verband met het feit dat in artikel 23, zoals dat toen luidde, de woorden "in het belang van de opsporing" niet voorkwamen; deze laatste bepaling zou ontleend zijn aan de fiscale wetgeving die daarbij ook het oog op de uitoefening van de controle-bevoegdheden zou hebben gehad.
De Memorie van Antwoord zei hierop:
"Monsterneming op grond van artikel 21, eerste lid, Wet op de economische delicten mag zoals de tekst uitdrukkelijk zegt, slechts geschieden in het belang van de opsporing. Hetzelfde moet worden aangenomen voor de bevoegdheid, bedoeld in artikel 23, tot het doen stilhouden en controleren van vervoermiddelen. Dit volgt naar de mening van de ondergetekende uit de plaatsing in titel III. Men zou dit al kunnen afleiden uit de plaatsing in de Wet op de economische delicten, die, zoals de considerans zegt, regelen vaststelt voor de opsporing, vervolging en berechting van economische delicten. Ter voorkoming van misverstand wordt in de hierbij gevoegde nota van wijziging voorgesteld de formulering van artikel 23 op dit stuk aan die van de artikelen 21 en 22 aan te passen. Men kan de woorden "in het belang van de opsporing" niet los zien van de context van de Wet op de economische delicten. Bij de handhaving van bepaalde economische voorschriften (vooral inzake kwaliteitseisen) kan de opsporing zich niet alleen richten op gevallen waarin sprake is van een concrete verdenking van een door een bepaalde persoon gepleegd delict. Zijn er aanwijzingen, dat een economisch voorschrift niet is nageleefd, dan brengt het belang van de opsporing mee dat door monsterneming e.d. wordt nagegaan waar zich concreto een overtreding voordoet."
8. Reeds gelet op de wetsgeschiedenis moeten de woorden "in het belang van de opsporing" naar het oordeel van het hof aldus worden uitgelegd, dat niet een verdenking in de zin van artikel 27 van het Wetboek van Strafvordering is vereist voor de in artikel 23 van de Wet op de economische delicten bedoelde vordering.
9. De zinsnede in de Memorie van Antwoord waarin gesproken wordt van "aanwijzingen" verstaat het hof als voorbeeld en geenszins als beperking van de in artikel 23 van de Wet op de economische delicten neergelegde bevoegdheden van opsporing en controle.
Een dergelijke beperking zou ook niet passen gelet op de aard van de te handhaven bepalingen en gezien de, uit de considerans blijkende, strekking van de wet; die strekking geeft evenmin aanleiding om een onderscheid aan te brengen tussen bevoegdheden van opsporing en controle: onder opsporing in artikel 23 van de Wet op de economische delicten is controle mede begrepen.
10. Het verweer, dat het bevel er aan mee te werken om het vaartuig naar de le Binnenhaven te Vlissingen over te brengen en te lossen niet in redelijkheid door de belangen van de controle werd gevorderd, dient te worden verworpen. Het is voldoende aannemelijk geworden dat alleen als de vis uit het vaartuig was verwijderd geverifieerd kon worden of voldaan was aan de voorschriften van de in de telastelegging genoemde regelingen, terwijl zich aan de le Binnenhaven de faciliteiten voor lossing bevonden onder de, in de gegeven omstandigheden kennelijk noodzakelijke, bescherming van omstreeks 100 ME-politiemensen.
11. Uit het voorgaande volgt, dat de desbetreffende opsporingsambtenaar bevoegdelijk de medewerking van de verdachte heeft gevorderd.
5. Beoordeling van het middel
5.1. Aan het middel ligt blijkens de daarop gegeven toelichting de opvatting ten grondslag dat van "opsporing", zoals dat begrip begrip wordt gebezigd in art. 23, eerste lid, WED eerst dan sprake kan zijn indien een redelijk vermoeden van schuld in de zin van art. 27 Sv is gerezen.
5.2. Deze opvatting kan niet als juist worden aanvaard. Immers, de Memorie van Antwoord bij het wetsvoorstel dat heeft geleid tot de Wet van 21 mei 1969, Stb. 232, houdende nadere wijziging van de Wet op de economische delicten (Bijl. Hand. II, zitting 1968 - 1969, 9608, nr. 5, p. 2) houdt onder meer in:
"Bij de handhaving van bepaalde economische "voorschriften ( ... ) kan de opsporing zich niet "alleen richten op gevallen waarin sprake is van "een concrete verdenking van een door een bepaalde persoon gepleegd delict. Zijn er aanwijzingen, dat een economisch voorschrift niet is nageleefd, dan brengt het belang van de opsporing mee dat ( ... ) wordt nagegaan waar zich in concreto een overtreding voordoet".
5.3. In aanmerking genomen de inhoud van de hiervoren onder 4.2 weergegeven bewijsmiddelen, volgt hieruit dat 's Hofs oordeel dat verdachtes medewerking werd gevorderd in het belang van de opsporing in de zin van art. 23, eerste lid, WED geen blijk geeft van een onjuiste opvatting nopens het begrip "opsporing".
5.4. Het middel faalt derhalve.
6. Slotsom
Nu het middel niet tot cassatie kan leiden, terwijl de Hoge Raad ook geen grond aanwezig oordeelt
waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, moet het beroep worden verworpen.
7. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president Haak als voorzitter, en de raadsheren Mout en Van Erp Taalman Kip-Nieuwenkamp, in bijzijn van de waarnemend-griffier Geeve, en uitgesproken op 9 maart 1993.